Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Sfinx - Hoofdstuk 1 en 2

Uitwerkingen Geschiedenis


Niveau: 4 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 4534 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Sfinx, de 20ste eeuw



Antwoorden bij de opgaven



Inleiding



Opdracht 1



Bron 1

a Informatie uit de bron: de Tsjechen waren defensief erg sterk; Duitse generaals wilden Hitler eventueel ten val brengen.

b Tijd: na de gebeurtenis (1963).

c Schrijver: (de Amerikaanse diplomaat en historicus) George F. Kennan; de VS waren niet bij de conferentie betrokken; geen duidelijke partijdigheid.

d Secundair (na de gebeurtenis geschreven door een niet-rechtstreeks betrokken auteur).



Bron 2

a Informatie uit de bron: om de Tsjechische vitale belangen te dienen, moet Sudetenland worden overgedragen (volgens Frankrijk en Groot-Brittannië).

b Tijd: tijdens de gebeurtenis (19 september 1938).

c Schrijver: (de regeringsleiders van Frankrijk en Groot-Brittannië) Daladier en Chamberlain; als deelnemers bij de conferentie betrokken.

d Primair (tijdens de gebeurtenis geschreven door rechtstreeks betrokken auteurs).



Bron 3

a Informatie uit de bron: de Tsjechen worden vooral door de Fransen onder zware druk gezet toe te geven aan de eisen van Hitler.

b Tijd: na de gebeurtenis (1970) voor de hele bron, citaat is van 21 september 1938.

c Schrijver: (de Amerikaanse diplomaat en historicus) George F. Kennan; de VS waren niet bij de conferentie betrokken; geen duidelijke partijdigheid.

d Secundair (na de gebeurtenis geschreven door een niet-rechtstreeks betrokken auteur, die wel de Tsjechische visie wil verwoorden) en primair (de geciteerde nota).



Bron 4

a Informatie uit de bron: de Tsjechen waren defensief erg sterk; Duitse generaals wilden Hitler eventueel ten val brengen.

b Tijd: telegram: 27 september 1938 tijdens de conferentie; laatste zin: na de gebeurtenis (na 1945).

c Schrijver: de Duitse militaire attaché in Praag (bij de gebeurtenis betrokken); de toelichtende laatste zin is van W.L. Shirer.

d Primair (tijdens de gebeurtenis geschreven door een rechtstreeks betrokkene); de laatste zin is secundair.



Bron 5

a Informatie uit de bron: Groot-Brittannië en Frankrijk hadden slechts geringe mogelijkheden zich tegen Duitsland te verzetten.

b Tijd: na de gebeurtenis (1948).

c Schrijver: de Britse diplomaat Henderson (bij de gebeurtenis betrokken, als ambassadeur in Berlijn waarschijnlijk op de conferentie).

d Primair (na de gebeurtenis geschreven, maar wel door een rechtstreeks betrokkene), als er geen direct bronmateriaal meer voorhanden is; in dit geval: secundair.



Bron 6

a Informatie uit de bron: de Duitse generaals vonden de Tsjechische defensie eigenlijk te sterk voor hun mogelijkheden.

b Tijd: na de gebeurtenis (1945) opgetekend op het proces in Neurenberg.

c Schrijver: de Duitse generaal Keitel (bij de gebeurtenis betrokken, als militair).

d Primair (na de gebeurtenis verteld, maar wel door een rechtstreeks betrokkene), als er geen direct bronmateriaal meer voorhanden is; in dit geval: secundair.



Opdracht 2



Bron 7

a Informatie uit de bron: Stalin was niet aanwezig bij de conferentie.

b Tijd: waarschijnlijk tijdens de gebeurtenis (1938).

c Schrijver: de Britse politiek tekenaar Lowe; niet rechtstreeks bij de gebeurtenis betrokken.

d Secundair (bij een onderzoek over de conferentie van München; bij een onderzoek naar de publiek opinie in Groot-Brittannië zou dit een primaire bron zijn).



1 De Eerste Wereldoorlog



Verkenning en oriëntatie



Opdracht 1



a Dit is een dagboek van een frontsoldaat over de oorlog en dus een primaire bron.

b Tijdens grote nationale oorlogen wordt van alle staatsburgers een uiterste inspanning gevraagd om de overwinning veilig te stellen. Media stellen zich in dienst van dat streven. Er is dan weinig ruimte voor kritiek en twijfel zoals Ellison die uit in zijn dagboek.



1 De oorzaken



Opdracht 2



a Een kruitvat is gevaarlijk, omdat er maar een kleine vonk nodig is om het te laten ontploffen. Dat gold ook voor de Balkan waar telkens weer conflicten uitbraken. De belangrijkste reden voor deze instabiliteit was het feit dat op de Balkan vele volkeren leefden die streefden naar een nationale staat waarin alle volksgenoten verenigd waren. Maar veel van deze volkeren leefden door elkaar. Vaak claimden meerdere volkeren (staten) dan ook dezelfde gebieden, wat aanleiding gaf tot bittere conflicten.

b Enkele voorbeelden zijn: (1) Albanezen en Serviërs in Kosovo, (2) Serviërs, Kroaten en Bosniërs in Bosnië-Herzegovina, (3) Serven, Albanezen en Macedoniërs in Macedonië, (4) Roemenen en Hongaren in Transsylvanië, (5) Hongaren en Slowaken in het zuiden van Slowakije. Deze lijst kan nog aangevuld worden met Turken, Grieken, Bulgaren enz.



Opdracht 3



Duitsers, Hongaren, Tsjechen, Slowaken, Polen, Slovenen, Kroaten, Roemenen, Italianen, Serven, Bosniërs en Oekraïners. Ook mogelijk: joden en zigeuners.



Opdracht 4



a Oostenrijk-Hongarije wilde Servië zwaar straffen en uitschakelen als politieke factor op de Balkan. Bovendien wilde zij het nationalisme van nationale minderheden binnen de eigen grenzen ontmoedigen.

b Duitsland wilde Oostenrijk-Hongarije niet in de steek laten. Het land rekende op een prestigeoverwinning op Rusland.

c Rusland wilde geen politieke nederlaag leiden. Dat kon leiden tot een verlies van prestige en invloed op de Balkan.

d Frankrijk en Groot-Brittannië lieten Rusland niet in de steek, omdat ze vreesden dat een Duitse overwinning zou leiden tot een Duitse hegemonie op het continent.



Opdracht 5



a Engeland en Frankrijk.

b Duitsland, Italië, de Verenigde Staten en Japan.

c De staten met weinig koloniaal bezit streefden naar een gelijke positie met de grote koloniale mogendheden, terwijl deze laatste hun bezit wensten te behouden. Dat leidde tot spanningen en naijver.

d Economische beweegredenen: grondstoffen, afzetgebieden, emigratie.

Politieke beweegredenen: emigratie, prestige.

Militaire beweegredenen: steunpunten en bunkerplaatsen voor oorlogsschepen, rekruten voor het leger.



Opdracht 6



a Absoluut: Duitsland 795, Groot-Brittannië 498, Rusland 489, Frankrijk 258, Italië 127, Oostenrijk-Hongarije 96.

Procentueel: Duitsland 228%, Rusland 169%, Groot-Brittannië 117%, Italië 76%, Oostenrijk-Hongarije 69%, Frankrijk 59%.

b Groeiende defensie-uitgaven zijn niet zozeer een teken van agressie, wel een teken dat er geen pacifistische stemming heerst. Maar dat betekent niet automatisch agressie. Een land kan zich bedreigd voelen. Duitsland bijvoorbeeld ligt midden tussen allerlei andere grote landen met grote legers. Als de tegenstellingen met die landen scherper worden, is het logisch dat Duitsland zich sterker bewapent dan een land zonder sterke buren. Omgekeerd kan een land waarvan de defensie-uitgaven maar weinig stijgen toch agressief zijn. Uitsluitend economische of demografische grenzen kunnen een snellere groei van de uitgaven verhinderen. Kortom uit defensie-uitgaven op zichzelf kun je niet al teveel afleiden. Je hebt informatie nodig over de politieke doelen die een staat nastreefde, de buurlanden en de economische en demografische mogelijkheden van een land.

c Frankrijk had een landgrens met Duitsland en tussen Frankrijk en Duitsland waren tegenstellingen. Duitsland had het sterkste leger van Europa en dus concentreerde Frankrijk zijn inspanningen op het leger. Groot-Brittannië was een eiland en hoefde niet voor een invasie te vrezen zolang ze op zee de overhand hadden. Het was voor de Engelsen dus logisch hun inspanningen op de marine te richten.



Opdracht 7



a Eigen antwoord.

b Eigen antwoord.



2 Totale oorlog



Opdracht 8



a De motieven die in deze bronnen kunnen worden gevonden zijn: in bron 3 de zucht naar avontuur; in bron 4 nationalisme; in bron 5 en 6 is er sprake van druk vanuit de omgeving: een leraar, de ouders, de groep en de werkgever.

b Pankhurst is de meest secundaire bron, aangezien zij het niet over eigen ervaringen heeft, maar over de ervaringen van iemand anders.

c Er spreekt spanning uit de foto. Hitler lijkt opgetogen en enthousiast. Dat lijkt een bevestiging van bron 4. Maar kijk uit; een foto bewijst alleen maar dat Hitler daar op dat moment aanwezig was en dat hij een gespannen, opgetogen en enthousiaste indruk maakt. Maar wat zijn gedachten en emoties waren zegt de foto niet.



Opdracht 9



a Onjuist, een klein deel van België in het uiterste zuidwesten van het land bleef in handen van de Belgen.

b Juist.

c Juist.

d Onjuist, Duitse soldaten stonden nog steeds op Belgisch en Frans grondgebied.



Opdracht 10



Eigen antwoord. Dit wordt door je docent(e) beoordeeld, waarbij gelet wordt op de manier waarop je alle onderdelen van de opdracht hebt uitgevoerd.



Opdracht 11



Dit affiche is bedoeld om angst te zaaien voor de Britse vliegtuigen die binnenkort de Duitse industrie zullen bombarderen. Het is een soort angstvisioen dat waarschijnlijk moet dienen om de Duitse bevolking tot een laatste krachtsinspanning aan te zetten.



Opdracht 12



Het aantal vrouwen dat werkte nam sterk toe: van 3,3 in 1914 tot 4,9 miljoen in 1918. Dat is een kwantitatieve sprong. Maar tegelijk zie je dat vrouwen doordrongen in nieuwe beroepen, waar ze tot op dat moment nauwelijks hadden gewerkt. Dat is een kwalitatieve sprong. In de posterijen en bij banken zie je dat het sterkste. Zelfs in sectoren waar vrouwen tot op dat moment geen enkele rol hadden gespeeld zie je dat er vrouwen gaan werken; al blijft het aantal vrouwen in bijvoorbeeld de scheepsbouw bescheiden.



Opdracht 13



Op deze foto worden vrouwen afgebeeld die zwaar werk doen; in de propaganda zou dat erop lijken dat in Groot-Brittannië alles op alles gezet moest worden de oorlog te winnen en zelfs de laatste reserves moesten worden aangesproken.



Opdracht 14



Voor de uitspraak van Mary Macarthur kan de uitspraak van de dominee uit bron 12 gebruikt worden dat: ‘... de meisjes zo onafhankelijk zijn’. Hij vindt dat opvallend.

Tegen de uitspraak pleit het gegeven uit bron 10 dat nog steeds het overgrote deel van de vrouwen in min of meer traditionele, verzorgende beroepen werkzaam is.



Opdracht 15



Eigen antwoord, te beoordelen door de docent(e).



Opdracht 16



a Eigen antwoord.

b Eigen antwoord.



3 De Russische Revolutie



Opdracht 17



a Estland, Letland, Litouwen, Finland, (een deel van) Polen, Oekraïne, Wit-Rusland, Georgië, en de andere staten in de Kaukasus.

b Esten, Letten, Litouwers, Finnen, Polen, Duitsers (langs de Wolga).



Opdracht 18



De linkerfoto stamt uit 1905 (het portret van de tsaar hangt er nog), de rechterafbeelding stamt uit de periode na februari/maart 1917, als de tsaar is afgezet.



Opdracht 19



a Lenin richt zich tot soldaten van boerenafkomst die de Bolsjewieken steunden (zie de laatste zin: ‘aan de slag moesten gaan ¼ op hun eigen stuk land’).

b Argumenten van Lenin kunnen zijn geweest:

· de Bolsjewieken hadden beloofd een einde aan de oorlog te maken;

· de oorlog was een strijd van imperialistische kapitalisten waar de Bolsjewieken niets mee te maken hadden;

· de naderende wereldrevolutie zou toch een einde maken aan de staten die nu (in 1918) bestonden (de vredesbepalingen zouden een kort leven zijn beschoren)



Opdracht 20



1 Maart 1917: voedselrellen en schietpartijen in Petersburg; de stad kwam in handen van de demonstranten.

2 12 maart: aftreden van de keizerlijke regering.

3 15 maart: aftreden van de tsaar; einde van de monarchie.

4 Doema vormt een voorlopige regering.

5 16 april: Lenin arriveert in Petrograd en neemt de leiding van de Bolsjewieken in handen. Hij koerst een onverzoenlijke houding ten opzichte van de Voorlopige Regering.

6 5 mei: Mensjewieken en sociaal-revolutionairen gaan deel uitmaken van de Voorlopige Regering.

7 Juni: Laatste Russische offensief mislukt.

8 Juli: mislukte opstand in Petrograd, Lenin vlucht tijdelijk naar Finland.

9 Oktober: bijeenkomst van een nationale vergadering van alle sovjets.

10 De Bolsjewieken grijpen tijdens de vergadering de macht. De nationale vergadering van de sovjets keurt de machtsovername na chaotische taferelen goed.



De keuze voor de belangrijkste gebeurtenissen is tot op zekere hoogte arbitrair. Aftreden van de tsaar en de machtsovername door de Bolsjewieken vormen de belangrijkste gebeurtenissen, omdat beide een diepe breuk betekenen voor Rusland. Maar je kunt ook betogen dat de komst van Lenin op 16 april doorslaggevend is of het mislukken van het laatste Russische offensief, omdat dat de ruggegraat brak van de Voorlopige Regering.



Opdracht 21



Alexander Kerenski (1881-1970): Russisch socialistisch advocaat en lid van de Doema. Een van de radicale tegenstanders van het regime van de tsaar. In 1917 werd hij voorzitter van de Sovjet van Petrograd en trad begin mei toe tot de voorlopige regering als minister van justitie en binnen een maand werd Kerenski minister van oorlog. Hij was een voorstander van de voortzetting van de oorlog met de Centralen. Als zodanig was hij verantwoordelijk voor het mislukte Russische offensief van juni 1917. Hij werd premier in juli 1917. Meer en meer werd hij in het defensief gedrongen door de Bolsjewieken en november 1917 werd zijn regering omvergeworpen en was hij gedwongen uit het land te vluchten. De rest van zijn leven bracht hij door in ballingschap.



Genraal Lavrenti Kornilov (1870-1918): officier in het tsaristische leger. Gold als een man met liberale sympathieën. Daarom werd hij in maart 1917 commandant van het district Petrograd. In mei nam hij ontslag en keerde terug naar het front, maar onenigheid met de voorlopige regering zorgde voor zijn ontslag in september 1917. Daarop marcheerde Kornilov met loyale troepen naar Petrograd, maar hij slaagde er niet in de stad te bereiken en de regering omver te werpen. Na de 'oktober revolutie' vocht hij tegen de Bolsjewieken. Hij sneuvelde in 1918 in de burgeroorlog.



Leon Trotski (1879-1940): Russisch socialistisch revolutionair. Trotski had een belangrijke rol gespeeld in de revolutiepoging van 1905. De jaren daarna had hij in het buitenland doorgebracht. In mei 1917 keerde hij terug naar Rusland. Hij geldt als de belangrijkste organisator van de 'oktober revolutie'. Daarna werd hij volkscommissaris voor buitenlandse zaken en leidde de vredesonderhandelingen met de Centrale Mogendheden in Brest-Litowsk. Nog voor de ondertekening werd Trotski commissaris voor oorlog. Hij organiseerde het Rode Leger waarmee de Bolsjewieken de burgeroorlog wonnen. Na de dood van Lenin werd Trotski geleidelijk door Stalin uit alle machtsposities verdreven. In 1927 werd hij uit de communistische partij gezet en in 1929 werd hij verbannen. In 1940 liet Stalin hem door een communistische agent in Mexico vermoorden.



Opdracht 22



a Eigen antwoord.

b Eigen antwoord.



4 Versailles



Opdracht 23



a De dokter noemt als oorzaak ondervoeding.

b De ondervoeding is het gevolg van de blokkade van de geallieerden voor de Duitse kust. De blokkade had als doel Duitsland economisch op de knieën te krijgen en schaarste aan goederen (ook voedsel) was dus een bedoeld gevolg. Had men niet het doel gehad de Duitse bevolking te treffen, dan had men immers voedsel kunnen doorlaten.

c Al deze goederen konden worden gebruikt als grondstoffen in de industrie om producten te maken waarmee Duitsland de strijd voort kon zetten. Brandnetels werden gebruikt als vervanging voor katoen en daar kon men kleding voor soldaten, tenten, brancards enz. van maken. Metalen werden verwerkt in wapens en munitie.



Opdracht 24



a De veertien punten van Wilson boden Duitsland kans op een acceptabele vrede. Vrije zeevaart en vrije wereldhandel (2 + 3) zou de Duitse economie een kans bieden op herstel, bewapeningsbeperking (4) gold voor iedereen, het zelfbeschikkingsrecht (10-12) zou wellicht ook op Duitsland toegepast worden en zou voorkomen dat Duitsland al te grote gebieden zou verliezen en de oprichting van een volkenbond (14) leek een goede kans op een meer stabiele ordening van de internationale verhoudingen.

b Punt 5. Hier beperkt Wilson het zelfbeschikkingsrecht door de toevoeging dat ook de belangen van de koloniale machten in acht zullen worden genomen.

Punt 8. Bij de teruggave van Elzas-Lotharingen aan Frankrijk wordt niet gesproken over een referendum, om te vragen of de bevolking dit wel wil.

Als hij zou hebben gestreefd naar dekolonisatie zou dat vooral ten koste van Engeland en Frankrijk zijn gegaan. Dat waren de grootste koloniale mogendheden, maar ook zijn bondgenoten en die wilde hij niet tegen het hoofd stoten. De teruggave van Elzas-Lotharingen was voor Frankrijk een van de hoofddoelen waarom ze de oorlog vochtten. Het was voor Frankrijk ondenkbaar dat dit zou worden verbonden aan de voorwaarde dat een meerderheid van de bevolking van beide provincies zich eerst mocht uitspreken over hun lot.



Opdracht 25



a Duitsland en zijn bondgenoten hadden in juli 1914 weinig gedaan om een oorlog te voorkomen. Oostenrijk-Hongarije wilde Servië hard straffen en Duitsland steunde dat en hoopte dat het Rusland een prestigenederlaag zou kunnen toebrengen. Duitsland had meegedaan in de race om koloniën en had zich in Europa met bondgenoten versterkt. Het speelde een grote rol in de wapenwedloop: het was met Groot-Brittannië in een wapenwedloop op zee verwikkeld en had het sterkste landleger ter wereld. Maar dit alles wil niet zeggen dat Duitsland en zijn bondgenoten de aanstichters waren van de oorlog. De moord was tenslotte niet door de Centrale mogendheden beraamd; ook Rusland en Frankrijk hadden zich niet ingespannen om een oorlog te voorkomen. Meer landen waren betrokken bij de koloniale wedloop, het sluiten van bondgenootschappen en de wapenwedloop.

b Het was niet verstandig van de geallieerden om Duitsland als aanstichter van de oorlog aan te wijzen. Het was voor de Duitsers alleen maar extra reden om het verdrag van Versailles af te wijzen. Dit leidde slechts tot een eindeloze discussie over de vraag wie nu eigenlijk de oorlog was begonnen.



Opdracht 26



a Op de prent wordt president Wilson als een reusachtige figuur afgebeeld die naar Europa komt. Dat het om Wilson gaat is bijvoorbeeld te zien aan het symbool van de VS op zijn tas en de letters W(oodrow) W(ilson). België, Frankrijk en Italië hebben alledrie verschillende territoriale wensen, Groot-Brittannië wil de oppermacht op zee.

b Door het verschil in grootte zo overdreven weer te geven, laat de tekenaar zien dat de VS eigenlijk al de supermacht waren, die ze later zouden worden. De kleine Europese landen hielden hun verschillende wensen achter de hand (en konden daarom Oom Wilson geen handje geven).



Opdracht 27



a Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechoslowakije, Oostenrijk, Hongarije, Joegoslavië.

b Duitsland, Rusland (Sovjet-Unie), Bulgarije, Osmaanse Rijk (Turkije).

c Frankrijk, België, Italië, Roemenië, Griekenland.



Opdracht 28



a Eigen antwoord.

b Eigen antwoord.



Eindopdracht 1



Eigen antwoord, ter beoordeling door de docent(e).



Eindopdracht 2



Eigen antwoord, ter beoordeling door de docent(e).



2 Herstel en crisis, 1918-1939



Verkenning en Oriëntatie



Opdracht 1



a Honger en vreetpartijen, armoede en rijkdom, danspartijen en ellende voor kinderen. Snelle inflatie maakt mensen op het ene moment rijk en dan weer even snel arm, omdat hun geld waardeloos is. Je kunt dus niet plannen voor de toekomst. Armoede en rijkdom, honger en vreetpartijen kunnen elkaar snel afwisselen.

De inflatie zal de verschillen tussen mensen groter maken: slimmeriken hebben het goed en de minder weerbare mensen (zoals kinderen) zullen het moeilijk hebben. De een kan dansen, terwijl kinderen hongeren.

b Oswaldt noemt eerst een heleboel zaken die hij associeert met de jaren van de inflatie. Hij noemt die jaren een nachtmerrie en tot die nachtmerrie rekent hij blijkbaar ook ‘scheiden, vrouwenemancipatie’. Oswaldt is dus geen voorstander van de vrouwenemancipatie.



1 De Verenigde Staten, 1920-1941



Opdracht 2



a Wilson wilde aansluiting bij de Volkenbond. De publieke opinie was daar tegen, omdat de VS zich niet nog eens met de wereld dienden te bemoeien. Immers die wereld was er ondanks de Amerikaanse bemoeienis niet door veranderd.

b De Amerikaanse politiek van isolationisme betekende dat de VS zich niet met Europa moesten bemoeien. Die politiek paste bij de stemming uit vraag a.



Opdracht 3



a De overwinning van idealisten die verslaving en genot wilden bestrijden

b ‘Er zat iets groots, maar ook iets huichelachtigs in’.

c Het optreden van vrouwen tegen de handel in alcohol en tegen de saloons (zie de vrouw met zwaaiende bijl).

d Als de (werkende) man zijn geld in de kroeg aan drank uitgeeft, komen er tekorten in het gezin.



Opdracht 4



In economisch opzicht betekende het massale gebruik van de auto de introductie van de consumptie-economie. In sociaal opzicht nam de mobiliteit, de communicatie en het gevoel van individuele vrijheid toe. Je kon voortaan zelf bepalen wanneer en waarheen je wilde gaan; je was niet afhankelijk van openbaar vervoer. De actieradius werd vergroot.



Opdracht 5



a Voor: streven naar een onafhankelijke, zelfstandige positie: ‘krachtiger en gezonder’, ‘... een onafhankelijke positie verzekert, is dat niet haar goed recht?’.

Tegen: té brutaal, té mannelijk (althans volgens mannen!).

b Enerzijds slaat dit beeld uitsluitend op de groep die welvarend was. Anderzijds roept het beeld ook de uitwassen van de welvaart op: drankmisbruik, drugshandel, weinig weerstand tegen luxe en illusies (de roes van optimisme).



Opdracht 6



Ja, bijvoorbeeld dat de steun aan werklozen een vorm van liefdadigheid was, waar om gebedeld moest worden. Het gaat hier om het uitdelen van voedsel, blijkbaar kregen werklozen geen geld: dat zouden ze misschien over de balk smijten¼



Opdracht 7



Oorzaak op lange termijn: overproductie, geen productie voor de buitenlandse markt, een landbouwcrisis.

Oorzaak op korte termijn: verzadiging van de markt, kopen op afbetaling, daling koopkracht.



Opdracht 8



a Ja, lonen tussen 1929 en 1930 dalen met -19; de prijzen met -9.

b Nee, de prijzen daalden tot 1933 met de lonen.

c Ja, in 1933 nam de werkgelegenheid weer toe.



Opdracht 9



a Bron 11 heeft als onderschrift: 'Roosevelt, de Wankelmoedige'.

De tekenaar vindt het beleid van Roosevelt weinig krachtig;... de afbeelding van de windwijzer duidt op hetzelfde; met de weergave van de Brain Trust in het hoofd van de president lijkt hij te suggereren dat de president weinig eigen opvattingen heeft.

b Uit de woorden van de rechter kan worden opgemaakt dat hij Roosevelt geen groot denker vindt (een tweede klas intellect), dit sluit enerzijds aan bij de tekenaar die de Brain Trust de ideeën laat leveren. Anderzijds wordt Roosevelt wel als een groot man aangeduid. (Over het temperament van de president laat de tekenaar niets zien).



Opdracht 10



De tekenaar ziet Roosevelt als een verspiller van belastinggeld (leak), zonder dat zeker is dat de uitgaven succes hebben (I hope this wil make her work).



Opdracht 11



De werkloosheidscijfers daalden of stegen op het moment dat ook de overheidsuitgaven daalden of stegen.

De verdediger stelt zich op het standpunt, dat voor alles de werkgelegenheid moet toenemen. Later in betere tijden kan dan de staatsschuld worden afgelost.

De tegenstander wijst op de stijging van de belastingen (minder koopkracht), op het feit dat in de toekomst bezuinigd moet worden om de staatsschuld af te lossen, op de onzekere toekomst (komen er wel betere tijden?). Bovendien waren er tegenstanders die de grote invloed van de staat afwezen en die tegen allerlei sociale hervormingen waren.



Opdracht 12



In de crisisjaren werd de arbeid van vrouwen als onacceptabele concurrentie van mannen gezien. De overheid zorgde juist voor belemmering van vrouwenarbeid. Nu, in de krappe arbeidsmarkt van de oorlogsjaren, worden vrouwen juist aangespoord te gaan werken.



Opdracht 13



a Zie nakijkblad.

b Eigen antwoord.



Opdracht 14



a Oplossingen op lange termijn: introductie van de gemengde economie, herstel koopkracht door hogere lonen en stijging van de staatsschuld, vaste landbouwprijzen, hervorming bankwezen, sociale wetgeving, grote openbare werken.

Oplossingen op korte termijn: hulp aan hongerden en daklozen, verlenen van subsidies, beperking van de landbouwproductie, codes of fair competition.

b Eigen antwoord.

c Natuurlijk was het niet alleen het werk van Roosevelt, maar hij heeft er wel duidelijk zijn persoonlijk stempel opgedrukt. Hij was zeer nauw betrokken bij de New Deal, dat tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de kern van zijn beleid vormde. Hij trok persoonlijk zijn medewerkers aan, durfde zelf risico’s te nemen, inspireerde zijn landgenoten (zie het succes van de verkiezingsoverwinning in 1936) en koos zonder aarzelen voor de grote rol van de overheid. De omstandigheid dat de VS vanaf 1941 bij de Wereldoorlog betrokken raakten heeft hem geholpen.



2 Nederland tijdens het interbellum



Opdracht 15



KRO: de St. Janskathedraal (een katholieke kerk) in Den Bosch.

NCRV: de Nederlandse Leeuw, een nationaal symbool.

AVRO: geen duidelijke symbolen, wat past bij de algemene, neutrale, AVRO.

VARA: de industrie, de fabrieken waar arbeiders werken.



Opdracht 16



a Tegen het socialisme (rood).

b Christelijke waarde, sociale rechtvaardigheid (eerlijk brood), de monarchie (Wilhelmina’s krone) en tradities (oude tronen).

c ’t Is tijd om op te rukken; wij weten van geen wijken; staat op! vooruit; winnen doet.



Opdracht 17



a Bezoek aan bioscoop, danszaal, voetbalveld, café; afkeer van roken, snoepen en het lezen van detectiveromans.

b Ook Vorrink kiest voor het algemene beeld: netjes, fatsoenlijk, rein, preuts, zuinig.



Opdracht 18



De liberalen voelden zich ingeklemd en overheerst door katholieken (de non) en socialisten (de rode figuur met rode vlag). Zie ook de tekst: Tegen Roode of Zwarte Overheersching.



Opdracht 19



De staat maakte zich geen zorgen over het aantal werklozen. Dat was geen staatstaak.



Opdracht 20



a Eigen antwoord; let op de legenda en de kop van de grafiek, en op de eenheden die gebruikt worden op de assen.

b Eigen antwoord.

c Eigen antwoord.

d Werkloosheidspercentages van de totale beroepsbevolking; aantal langdurig werklozen; leeftijdscategorieën en bedrijfstakken.



Opdracht 21



· Het gaat bij het Plan om een onverantwoord grote uitgave die cadeau gegeven wordt.

· De cadeautjes (het geld) worden willekeurig rondgestrooid.



Opdracht 22



Een volk in plaats van een zuil; solidariteit van alle bevolkingsgroepen; algemeen (nationaal) belang boven groepsbelang.