Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

antwoorden hoofdstuk 1

Uitwerkingen Scheikunde


Niveau: 3 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 9514 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Hoofdstuk 1: Waar gaat chemie over?





Hoofdstuk 1, paragraaf 1



1.1

soort voorbeeld 1 voorbeeld 2

Voedingsmiddelen brood vlees

Water mineraal water leidingwater

Geneesmiddelen een doosje aspirine antibiotica

Energie elektriciteit warmte

Cosmetica een stuk zeep lipstick

Bouwmaterialen een zak cement hout

Kleding een spijkerbroek een blouse



1.2 Genotmiddelen: snoep, thee

audiovisuele middelen: radio, televisie.



1.3 Elektriciteit heb je nodig om televisie te kijken, met de computer te werken, naar muziek te luisteren, licht te hebben, een mixer te gebruiken, enzovoorts.



1.4. Zeep voorziet in de behoefte om je schoon en te voelen en gezond te blijven.



1.5 Voedingsmiddelen, water, kleding.

Zonder voedingsmiddelen en water blijf je niet in leven.

Zonder kleding ben je onbeschermd tegen onaangename weersomstandigheden.



1.6 Cosmetica, energie.

Cosmetica om je goed verzorgd te voelen.

Energie om op de computer te kunnen werken, naar muziek te luisteren, enzovoorts.



1.7 Bouwmaterialen.



1.8 Bouwondernemingen. Zij gebruiken bouwmaterialen om gebouwen mee te bouwen.



1.9 Leer.



1.10 Een voetbal moet kunnen stuiteren en veilig zijn in het gebruik. Een houten voetbal voldoet niet aan deze eisen.



1.11 Leer is gemaakt van dierenhuiden.



1.12 Grondstoffen zijn onbewerkt, ze komen rechtstreeks uit de natuur. Materialen zijn wel bewerkt.



1.13 Water koken, water overgieten, een theezakje in het warme water hangen, de thee laten trekken.



1.14 Een waterkoker en een theepot



1.15 Warmte.



1.16 Warmte, licht, geluid, elektriciteit, beweging.



1.17 Een spijkerbroek moet goed passen, je moet er geen last van hebben bij het bewegen, je goed staan, mooi van kleur zijn, niet te lang of te kort zijn.



1.18 De kwantiteit van voedsel is voldoende wanneer je geen honger of trek meer hebt, lekker vol zit, niet zo vol dat je er last van hebt.



1.19 De kwaliteit van een product geeft aan in hoeverre het product aan de eisen van de gebruiker (consument) voldoet.



1.20 De kwantiteit van een product staat voor de hoeveelheid ervan.



1.21 Chemische onderzoekers maken chemische kennis.



1.22 Kennis is niet zichtbaar aanwezig in een porduct, vorm en kleur wel. Mensen staan er niet bij stil dat er kennis in producten zit.



1.23 Andere kunststoffen zoals polyamide, polyetheen, polypropeen. Nieuwe geneesmiddelen zoals aspirine, paracetamol. Synthetische zepen in wasmiddelen. Supersterke kunstvezels die staal moeten vervangen.



1.24 Wanneer je WC-eend en Glorix bij elkaar doet ontstaat er chloor. Dit is een gevaarlijk gas (het werd in WO-I als oorlogsgas gebruikt).



1.25 Kappers gebruiken in hun werk stoffen (bijvoorbeeld bij het permanenten en verven van haar) waarvan ze moeten weten hoe ze ermee om moeten gaan. Dit niet alleen om het beste effect te krijgen, maar ook om er veilig mee te werken.

Doktoren en apothekers moeten weten wat voor stoffen er in medicijnen zitten en wat voor uitwerking ze hebben op het menselijk lichaam.

Diëtisten moeten weten wat voor effect stoffen (voedingsmiddelen, mineralen) op het menselijk lichaam hebben, ook wanneer dit ziek is. Een goede voeding heeft bijvoorbeeld invloed op de snelheid waarmee iemand van een operatie geneest.



Hoofdstuk 1, paragraaf 2



2.1 In de eerste proef trad er een chemische reactie op. Uit suiker werd karamel gemaakt. Suiker en karamel zijn verschillende stoffen. In de tweede proef trad geen chemische reactie op. Uit zout en water werd zout water gemaakt. Zout en water blijven bestaan in zout water. Uit het zoute water is weer zout (en water) terug te winnen.



2.2 Het bruin worden van aardappelen. Tijdens het bakken treedt er een kleurverandering op (blank à bruin). Dat is dus een chemische reactie.



2.3 Bij het oplossen van suiker in water treedt geen chemische reactie op. Bij verwarming van de oplossing komt de suiker onveranderd te voorschijn.



2.4 Bij het zuur worden van melk treedt er een verandering van smaak op (neutraal à zuur). Dat is dus een chemische reactie.



2.5 Bij het bakken van een ei treedt er een faseverandering (vloeibaar à vast) en een kleurverandering op. Bij het bakken van een ei treedt dus een chemische reactie op.



2.6 Met beginstoffen bedoelt men grondstoffen en materialen die men een chemische reactie laat ondergaan.



2.7 Kookpunt, oplosbaarheid in water, dichtheid.



2.8 Gewicht is geen stofeigenschap. Alle stoffen hebben gewicht. Daarom helpt het gewicht niet bij het herkennen van een stof.



2.9 Stofeigenschappen helpen een stof te herkennen. Met behulp van stofeigenschappen kunnen we stoffen van elkaar onderscheiden. Ze zijn kenmerkend voor een stof.



2.10 Sommige stofeigenschappen zijn afhankelijk van de temperatuur. De smaak van warme melk is anders dan de smaak van koude melk. De dichtheid van water is ook afhankelijk van de temperatuur. Zo blijft ijs op water drijven.



2.11 Met waarnemen wordt bedoeld: zien, ruiken, horen, proeven, en voelen. Waarnemen gebeurt met onze zintuigen. Om veiligheidsredenen beperken we ons tot zien, horen en (onvermijdelijk) ruiken.



2.12 Nee. Wanneer bevroren water op dezelfde temperatuur gebracht wordt die het eerst had, dan is het weer water. Er zijn geen andere stoffen ontstaan. Het bevriezen van water is geen chemische reactie.



2.13 Rijp fruit smaakt anders en heeft ook vaak een andere kleur dan onrijp fruit. Bij het rijpen van fruit treedt dus een verandering van stofeigenschappen op. Dus de stoffen in rijpwordend fruit veranderen. Dus is er bij het rijp worden van fruit sprake van een chemische reactie.



2.14 Papier is papier gebleven. Er is geen verandering van stofeigenschappen opgetreden. Het scheuren van papier is geen chemische reactie. (De hoeveelheid van een stof of de vorm van een stof is geen stofeigenschap).





2.15 beginstoffen bewerking (reactie)producten gereedschap

afval





2.16 Beginstoffen à reactieproducten.



2.17 Koolstofdioxide + water à suiker



2.18 Ja. Yoghurt is minder vloeibaar en smaakt anders dan melk. Er is een verandering van stofeigenschappen opgetreden. Dus yoghurt bevat andere stoffen dan melk.



2.19 Bij het maken van kaas uit melk treedt een chemische reactie op. Kaas heeft heel andere eigenschappen dan melk. Van melk is er teveel, van kaas blijkbaar te weinig. Dus de hoeveelheid van beide producten wordt in overeenstemming gebracht met de maatschappelijke behoefte. (Van oudsher is kaas maken uit melk een manier om "melk" houdbaar te maken).

Bij het maken van ijzer uit ijzererts treedt een chemische reactie op. IJzererts is roodbruin van kleur en glimt niet, ijzer is zilverkleurig en glimt wel. Dus ijzererts heeft heel andere eigenschappen dan ijzer. Er is heel veel ijzererts op aarde, maar ijzer is er niet genoeg.



Hoofdstuk 1, paragraaf 3



3.1 ------



3.2 ------



3.3 Veilige volgorde: e, c, d, a, b, f (e en c mogen ook omgewisseld worden).



3.4 ------



3.5 - Gasregelaar op tafel dicht doen.

- Gasregelaar aan de brander dicht doen.

- Luchtregelaar dicht doen.



3.6 Beide gasregelaars en de luchtregelaar moeten dicht zijn.



3.7 Gele vlam: warmte, licht.

Ruisende vlam: warmte, geluid, licht.



3.8 - Gasregelaar: klein beetje open.

- Luchtregelaar: dicht.



3.9 - Gasregelaar: ver open.

- Luchtregelaar: iets open.



3.10 Wanneer de luchtregelaar open is, vat het uitstromende gas geen vlam.



3.11 - Geel: iedereen ziet waar de vlam is en kan dus uit de buurt blijven (veiligheid).

- Klein: er wordt weinig gas verbruikt (zuinigheid).



3.12 Waar het gaasje roodgloeiend wordt geeft het heetste deel van de vlam aan.



3.13 De driepoot is goed van hoogte omdat de bodem van het indampschaaltje op die plek in contact komt met de vlam waar deze het heetst is.



3.14 De kleurloze en geluidloze vlam.



3.15 Gele vlam: het duurt het langst voordat het water kookt;

er komt zwarte aanslag (roet) op de reageerbuis, dat je er weer af moet wassen.

Kleurloze vlam: het water kookt redelijk snel;

er komt geen zwarte aanslag op de reageerbuis;

het hete water spat niet uit de reageerbuis.

Ruisende vlam: het water kookt het snelst;

er komt geen zwarte aanslag op de reageerbuis;

de kans is groot dat het gaat spetteren, dit is onveilig en geeft verlies aan stof.

Conclusie: de kleurloze en geluidloze vlam is het meest geschikt om kleine hoeveelheden stof te verwarmen.



3.16 De ruisende vlam met de blauwe kern. Deze vlam geeft de meeste warmte en dus de snelste verwarming. Bij deze hoeveelheid is de kans op spetteren klein.



3.17 Bij het maken van karamel en zout werkte je met kleine hoeveelheden stof.



3.18 Bij deze proeven maak je steeds gebruik van warmte.



3.19 Gele vlam, kleurloze en geluidloze vlam, ruisende vlam met blauwe kern.



3.20 Gele vlam: het duurde lang voor het water ging koken..

Kleurloze vlam: het duurde minder lang voor het water ging koken.

Blauwe vlam: het duurde het minst lang voor het water ging koken.





3.21 Gele vlam (minst hete vlam): luchtregelaar dicht.

Kleurloze vlam (hete vlam): luchtregelaar beetje open.

Ruisende vlam (heetste vlam): luchtregelaar het verst open.



3.22

kleur gele vlam kleurloze vlam blauwe vlam

gasregelaar open open open

luchtregelaar dicht half open open

temperatuur heet heter heetst

gebruik pauzevlam om kleine hoeveelheden stof te verwarmen om grote hoeveelheden stof te verwarmen





Hoofdstuk 1, paragraaf 4



4.1 Tekening 3 en 4.



4.2 Tekening 4.

Je kunt zien dat je met een reageerbuis te maken hebt;

je kunt zien dat je er wat in kunt gieten, want de tekening geeft aan dat de reageerbuis van boven open is en aan de onderkant dicht

(dit is allemaal niet zichtbaar in tekening 3).



4.3 ----



4.4 Reageerbuis, bekerglas, erlenmeyer, indampschaaltje.



4.5 Reageerbuis met vloeistof: reageerbuisknijper, brander.



4.6 Bekerglas halfvol vloeistof: driepoot, gaasje, brander.



4.7 De maatcilinder, want deze heeft de meest nauwkeurige maatverdeling.



4.8 Vloeistof uit een voorraadfles in een bekerglas gieten;

vloeistof uit het bekerglas in een maatcilinder gieten tot bijna de gewenste hoeveelheid;

vloeistof in een druppelpipet opzuigen;

maatcilinder met behulp van de druppelpipet aanvullen.



4.9 Voor het afmeten van 2,0 mL: een maatcilinder van 10,0 mL, dit komt het dichtst bij 2,0 mL.

Voor het afmeten van 50,0 mL: een maatcilinder van 100,0 mL, dit komt het dichtst bij 50,0 mL (2 x 25,0 mL kan ook, maar heeft niet de voorkeur, want bij twee keer meten heb je twee keer een onnauwkeurigheid).



4.10 Chemici willen waarnemen wat er gebeurt bij hun experimenten. Om te kunnen zien wat er gebeurt, moet hun gereedschap doorzichtig zijn.



4.11 Chemici doen proeven, dit wil zeggen zij kijken wat er gebeurt. Dit is nodig voordat een productie in het groot wordt opgezet. Bij gebruik van kleine hoeveelheden blijven de gevolgen beperkt. Er wordt weinig materiaal gebruikt. Een klein ongeluk brengt minder schade met zich mee dan een groot ongeluk.



4.12 Zet een bekerglas op een weegschaal. Zet de stand op 0,0 gram.

Schep zout in het bekerglas totdat de weegschaal 1,0 gram aangeeft.

Meet met een maatcilinder 100 mL water af.

Giet het water bij het zout in het bekerglas.

Roer totdat het zout is opgelost. (Er zijn ook andere mogelijkheden)





Hoofdstuk 1, paragraaf 5



5.1 Een reageerbuisknijper of tang gebruiken wanneer je een reageerbuis met vloeistof erin verwarmt;;

een veiligheidsbril opzetten als je iets verwarmt;

ervoor zorgen dat niemand geraakt kan worden door wegspattende stoffen;

de brander volgens de veilige volgorde aansteken.



5.2 ------



5.3 Wanneer je een vloeistof verwarmt die gemakkelijk in brand vliegt, is open vuur gevaarlijk. Dus dan verwarm je zoals in figuur 1.3 is weergegeven.



5.4 Om proeven in te doen waarbij giftige gassen ontstaan. (De gassen worden weggezogen).



5.5 Er zijn twee douches, een branddeken en een blusser in het lokaal. Het lokaal heeft twee of meer deuren. De tafelbladen zijn van een bijna onaantastbaar materiaal.



5.6 ------



5.6 Wasbenzine: het pictogram dat aangeeft dat dit een licht ontvlambare stof.

Spiritus: het pictogram dat aangeeft dat spiritus licht ontvlambaar.

Glorix: het pictogram dat aangeeft dat dit product irriterend (schadelijk) is.

WC-eend: het pictogram dat aangeeft dat deze stof irriteert.