Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Thema 4 Stevigheid en beweging

Samenvatting Biologie


Niveau: 1 VMBO HAVO VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 18835 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Uittreksel Biologie voor jou
Thema 4 – Stevigheid en beweging

Basisstof 1 – Het skelet van de mens

Alle gewervelden (dus ook de mens) hebben een inwendig skelet/geraamte. Dit skelet bestaat uit vele beenderen/botten. De beenderen in de hoofd voormen samen de schedel. De schedel wordt gedragen door de wervelkolom (halswervels, borstwervels, lendenwervels, heiligbeen, staartbeen)
De overige beenderen van de romp vormen samen de schoudergordel (sleutelbeenderen, schouderbladen), de borstkas (borstbeen, ribben) en de bekkengordel (heupbeenderen).

Armen en benen worden ook wel ledematen genoemd. Arm: opperarmbeen, spaakbeen, ellepijp, handwortelbeentjes, middenhandsbeentjes, vingerkootjes. Been: dijbeen, knieschijf, scheenbeen, kuitbeen, voetwortelbeentjes met hielbeen, middenvoetsbeentjes, teenkootjes.

Moeilijk te herkennen zijn de ellepijp en het spaakbeen. De ellepijp zit bij je pols aan de kant van je pink, het spaakbeen zit aan de kant van je duim.

De functies van het skelet
Het skelet heeft 4 functies: Het skelet geeft je lichaam vorm. Het skelet geeft stevigheid aan je lichaam. Het skelet zorgt ook voor bescherming van je tere organen (zoals je hersenen). Ten slotte maakt het skelet beweging mogelijk.

Basisstof 2 – Het skelet van de zoogdieren

Zoolgangers (zoals de beer en de mens) lopen op de hele voetzool, dit heeft voordelen als de bodem zacht of drassig is. Zoolgangers zakken dan niet gauw weg in de zachte ondergrond.
Teengangers (zoals de kat) lopen op hun tenen, hierdoor kunnen ze hard rennen.
Hoefgangers (zoals het paard) lopen op de toppen van hun tenen, daarom worden ze ook wel topgangers genoemd. Bij deze dieren zijn de toppen van hun tenen bedekt door hoeven. Dit heeft voordelen bij het lopen op een harde ondergrond maar op een zachte of drassige bodem zakken ze snel weg.

Basisstof 3 – Waaruit bestaan beenderen?

Bij de mens bestaan de beenderen van het skelet vooral uit beenweefsel. Beenweefsel bestaat uit lijmstof en kalkzouten. Kalkzouten heven stevigheid aan een beenweefsel. Kalkzouten lossen op in verdund zoutzuur.
Lijmstof zorgt ervoor dat beenweefsel een beetje buigzaam blijft. Lijmstof verbrandt in een vlam.
Een baby kan makkelijk een teen in de mond steken dit komt doordat de beenderen van de baby erg buigzaam zijn. Bij een baby bastaan de beenderen namelijk voornamelijk uit kraakbeenweefsel. Kraakbeenweefsel is stevig maar toch buigzaam.
Bij volwassen komt kraakbeenweefsel alleen voor op de plaatsen in het lichaam die stevig maar toch ook soepel moeten zijn. Zoals in de oorschelpen en in de neus. Ook in de meeste gewrichten zit kraakbeenweefsel.
Bij kinderen bevat het beenweefsel veel lijmstof. Bij het ouder worden gaat het beenweefsel steeds minder lijmstof en steeds minder kalkzouten bevatten. Hierdoor worden de beenderen minder buigzaam en breken ze sneller.


Basisstof 4 – Beenverbindingen

Beenderen kunnen op verschillende manieren met elkaar zijn verbonden. De beenderen kunnen vergroeid zijn. Als beenderen zijn vergroeid vormen ze één geheel waartussen geen beweging mogelijk is (heiligbeen).
Schedelbeenderen zijn noor een naad met elkaar verbonden. Bij deze beenverbinding is geen beweging mogelijk tussen de beenderen.
Beenderen kunnen ook door kraakbeen met elkaar verbonden zijn. Doordat kraakbeen buigzaam is, is er bij deze beenverbinding een beetje beweging mogelijk(wervels).
Ten slotte kunnen benen ook door gewrichten met elkaar verbonden zijn. Vooral in je armen en benen zitten veel gewrichten. Bij gewrichten is veel beweging mogelijk (vingerkootjes).

De bouw van een gewricht (maak oefening 8, blz 125)
Een gewricht wordt meestal gevormd door twee botten. Het ene bot heeft een gewrichtskogel; het andere bot een gewrichtskom. De gewrichtskogel kan in de gewrichtskom bewegen. Beide is het bedekt met een kraakbeenlaagje. Dit zorgt voor soepelheid en het werkt tegen slijtage.
De twee botten van het gewricht zitten met het gewrichtskapsel aan elkaar vast. De binnenkant van het gewrichtskapsel geeft gewrichtssmeer af. Dit zorgt voor het soepele bewegen van de botten. Het gewrichtskapsel zorgt er ook voor dat de botten op hun plaats blijven zitten. Bij sommigen gewrichten bevinden zich stevige kapselbanden om het gewrichtskapsel. Deze kapselbanden helpen mee de botten op hun plaats te houden.

Basisstof 5 – Drie typen gewrichten (maak oefening 9, blz 127)

Er zijn drie typen gewrichten: kogelgewrichten, scharniergewrichten en rolgewrichten.
Bij een kogelgewricht draait de gewrichtskogel van het ene bot in de gewrichtskom van het andere bot. Hierbij is beweging mogelijk in verschillende richtingen, ook een draaiende beweging is mogelijk (schoudergewricht).
Bij een scharniergewricht beweegt het ene bot als een scharnier ten opzichte van het andere bot. Hierbij kun je alleen een heen-en terugbeweging maken (ellebooggewricht).
Bij een rolgewricht draait het ene bot in de lengteas om het andere bot. Het gewricht tusen spaakbeen en ellepijp is zo’n rolgewricht. Door de draaiende beweging kun je je arm naar beneden of naar boven houden.

Basisstof 6 - Spieren

Spieren zorgen ervoor dat je kunt bewegen.
Spierstelsel  Al je spieren samen
Aanhechtingsplaats  De plaats waar de spier met pezen aan de beenderen vast zit
Antagonisten  Spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft. (armbuigspier/biceps en armstrekspier/triceps)

Een spier kan zich samentrekken, een pees niet. De spier wordt korter als een spier zich samentrekt. De botten waar de spier aan vast zit, worden dan naar elkaar toe getrokken. Zo komt een beweging tot stand.





Basisstof 7 – Houding en beweging

Veel mensen hebben een verkeerde lichaamshouding. Hierdoor kun je later erge (rug)pijn krijgen. Een goede lichaamshouding kan je dus later veel pijn besparen.
Belangrijk voor een goede lichaamshouding is dat je door je knieen gaat bij het tillen en niet je bovenlichaam buigt.
Lichaamsbeweging is goed voor je gezondheid. Van regelmatig sporten krijg je een goede conditie. Door je spieren te trainen, kun je betere prestaties leveren. Ongetrainde spieren raken eerder geblesseerd dan getrainde spieren. Sporten kan je ook ontspanning geven.

Basisstof 8 – Blessures (lees ook nog goed blz 130 t/m 133 door!)

Bij sporten kan ook weleens wat verkeerd gaan. Je kunt blessures of spierpijn oplopen.

De oorzaak van een spierscheuring is een te sterke inspanning of een plotselinge beweging. Een spierscheuring geneest meestal door rust.

De oorzaak van een botbreuk is meestal een val of een ruw spel. De twee bothelften moeten in de goede stand staan om weer vast te kunnen groeien. Soms moeten de bothelften worden gezet.

Bij een voetbalknie is in het kniegewricht een meniscus(een stukje kraakbeen) gescheurd. Meestal zijn ook het gewrichtskapsel en de kapsel banden (de kniebanden of de kruisbanden) beschadigd. Dit komt meestal door een draaibeweging van het lichaam terwijl het onderbeen blijft staan. Vaak moet een gescheurde meniscus operatief worden verwijderd.

Een kneuzing is een beschadiging zonder dat er iets is gescheurd of gebroken. Dit komt meestal door een stoot, stomp of trap. Een gekneusde plek zwelt op, onder andere door een inwendige bloeding. IJswater op de gekneusde plek gaat de zwelling tegen en vermindert de pijn. Een kneuzing geneest meestal door rust.

Een verzwikking is een kneuzing van een gewricht. Als je je voet verzwikt, rekken het gewrichtskapsel en de kapselbanden bij je enkel te ver uit. Bij een ernstige verzwikking kunnen je enkelbanden scheuren.

Bij een ontwrichting schiet de gewrichtskogel uit de gewrichtskom. Als je verkeerd op je arm valt kan je arm uit de kom schieten. Een arts moet de gewrichtskogel weer op zijn plaats brengen in de gewrichtskom.

Bij ontstekingen van de aanhechtingsplaats vam spieren is de oorzaak overbelasting van de spieren. Bij een tennisarm is de aanhechtingsplaats van een elleboogspier ontstoken, bij een achillespeesontsteking is de aanhechtingsplaats van een kuitspier ontstoken. Deze beide ontstekingen genezen meestal door rust.

Aantekening extra basisstoffen:
Je moet in een afbeelding van de schedel de beenderen kunnen noemen. Ook moet je kunnen beschrijven wat frontanellen zijn. Je moet in afbeeldingen van beenweefsel en kraakbeen de delen kunnen benoemen met kun kenmerken. Bekijk de samenvatting doelstelling 13 en 14 goed en maak de diagnostische toets.