Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Hersentumor

Werkstuk Biologie


Niveau: 3 HAVO VWO

Taal:

Opmerking: Ik had hier een heel goed cijfer voor. Ik had een 9. K hoop dat je hier wat aan hebt.


Bekeken: 7915 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen








Kanker en ontstaan van kanker

Kanker is een verzamelnaam voor verschillende ziekten. Al deze verschillende soorten kanker hebben één gemeenschappelijk kenmerk: ongeremde deling van de lichaamscellen. Als je aan kanker denkt, dan denk je misschien wel het eerste aan longkanker, borstkanker, prostaatkanker of darmkanker. Dat is niet zo gek, want deze 4 soorten kanker komen ook het meeste voor in Nederland. Er bestaan ongeveer 250 verschillende soorten kanker. Sommige zijn heel zeldzaam en komen in Nederland maar een paar keer per jaar voor. Kanker is de tweede doodsoorzaak in Nederland(de eerste is hart- en vaatziekten). In het begin is niet te merken dat iemand kanker heeft. Vaak merk je het pas na 10 tot 20 jaar. Daarom zijn de meeste kankerpatiënten ouder dan 65 jaar. Ongeveer 2 op de 3 mensen die kanker hebben zijn ouder dan 65 jaar. Maar, kanker komt ook voor bij baby’s en bij kinderen. De overlevingskans bij ouderen is gemiddeld 55%. De overlevingskans bij kinderen is gemiddeld 70%.

Ons lichaam is opgebouwd uit miljarden bouwstenen: de cellen. Cellen verouderen snel en moeten worden vervangen. Dat gebeurt doordat cellen zich splitsen. Een cel kan delen in twee cellen en die twee in vier etc. Er komen dus nieuwe cellen en er sterven ook steeds cellen. Gewoonlijk regelt het lichaam de celdeling goed. Elke celkern bevat informatie die de cel een signaal geeft wanneer zij moet gaan delen en wanneer zij daar weer mee moet stoppen. Bij kanker is ergens in je lichaam de celdeling op hol geslagen. Er is een plekje in het lichaam waar de cellen maar door blijven delen. De cellen daar zijn veranderd. Zij reageren niet meer op de stopsignalen. Die cellen worden kankercellen. De verandering van een gezonde eicel in een kankercel gebeurt stap voor stap. Voordat er uiteindelijk een kankercel ontstaat, zijn vaal vele jaren verstreken. Een cel kan in de loop van de tijd erfelijk materiaal veranderen, met als gevolg dat deling, groei en ontwikkeling van zo een cel kan ontregeld raken. Dit leidt daarom tot overmatige celdeling, waardoor een gezwel of tumor ontstaat.

Een tumor kan goedaardig of kwaadaardig zijn. Alleen bij kwaadaardige tumoren (maligne) spreken we van kanker. Goedaardige gezwellen (benigne) zijn meestal goed afgegrensd: ze groeien niet door het lichaam. Wél kan zo een gezwel tegen omliggende weefsels of organen drukken. Dit kan zo hinderlijk zijn, dat het gezwel verwijderd moet worden.

Bij kwaadaardige tumoren zijn de regelmechanismen in de cellen zo beschadigd, dat het lichaam de celdeling niet meer onder controle krijgt en de tumor doorgroeit. Een kwaadaardige tumor drukt niet alleen omliggende weefsels of organen opzij, maar kan er ook in binnen groeien. Cellen van zo een tumor kunnen bovendien losraken en zich naar andere plaatsen in het lichaam verspreiden. Daar kunnen ze nieuwe tumoren vormen. Dit zijn uitzaaiingen(metastasen).

















De hersenen



De hersenen zijn het centrum van waaruit het functioneren van ons lichaam wordt geregeld. Vanuit de hersenen worden bewegingen aangestuurd waardoor wij onder meer kunnen lopen en schrijven. De hersenen stellen ons eveneens in staat om signalen uit onze omgeving waar te nemen zodat wij kunnen zien, horen, ruiken en warmte en kou voelen. Dankzij het feit dat wij hersenen hebben, kunnen wij denken en spreken. Maar ook onze emoties hebben te maken met het functioneren van de hersenen.

De hersenen vormen samen met het ruggenmerg het centrale zenuwstelsel. Daarnaast kennen we het perifere(= buiten het centrale deel gelegen) zenuwstelsel. Dit omvat al het andere zenuwweefsel in het lichaam.

De hersenen worden beschermd door de schedel, die uit bot bestaat. Binnen de hersenen onderscheidt men de grote hersenen, de tussenhersenen, de kleine hersenen en de hersenstam(zie illustratie 5). De hersenen zijn omgeven door drie hersenvliezen. Om de hersenen bevindt zich vocht(liquor), ook in de hersenen zijn er enkele ruimtes gevuld met liquor. Om goed te kunnen functioneren, worden de hersenen rijk voorzien van bloed. De grote hersenen zijn in twee helften verdeeld. De rechterhelft van de hersenen bestuurt de linkerkant van het lichaam; de linkerhelft de rechterkant van het lichaam. Bij de meeste mensen is in de linkerhelft het gebied gelegen van waaruit het taalbegrip en de spraak worden geregeld. De tussenhersenen zijn een soort schakelstation tussen de grote hersenen en andere delen van het zenuwstelsel. Ook bevinden zich in de tussenhersenen gebieden die belangrijk zijn voor de regeling van de hormoonhuishouding in het lichaam. De kleine hersenen zorgen voor de precieze sturing en voor de coördinatie van onze houding en bewegingen. De hersenstam regelt de levensfuncties, ook wel vitale functies genoemd. De hersenstam bevat de gebieden die bewustzijn, ademhaling, bloeddruk en lichaamstemperatuur regelen. Ook zijn er in de hersenstam centra die zorgen voor automatische reacties(reflexen), bijvoorbeeld het verkleinen van de pupillen als er licht in onze ogen valt en hoesten of braken bij prikkeling in de keel.



Globaal kunnen we in de hersenen twee soorten cellen onderscheiden: de steuncellen en de zenuwcellen. De zenuwcellen staan door talloze verbindingen met elkaar in contact en vormen zo een ingewikkeld netwerk van prikkelgeleiding. Overal in het lichaam bevinden zich uitlopers van zenuwcellen. Deze uitlopers brengen signalen(prikkels) van en naar de hersenen en het ruggenmerg over. In de hersenen vormen zenuwcellen groepen. Deze hebben hun eigen plaats(kerngebied of centrum), met elk een speciale taak. In illustratie 6 is een aantal centra aangegeven. De verschillende centra staan met elkaar in verbinding. Hierdoor zijn allerlei ingewikkelde processen mogelijk, zoals lopen en tegelijk denken en een gesprek voeren. Het aantal zenuwcellen bij de mens wordt geschat op 1012= 1.000.000.000.000(duizend miljard) die niet alle worden gebruikt. Als wij er daarvan een aantal missen, hoeft dit niet te leiden tot gevolgen voor het dagelijks functioneren.

Een belangrijke eigenschap van hersencellen is dat zij met elkaar samenwerken. Hersendelen op hun beurt werken ook weer met elkaar samen. Hoe ingewikkelder een hersenfunctie, hoe meer samenwerking nodig is. Wij hebben geen speciaal centrum voor ingewikkelde functies zoals denken, geheugen, emotie, aandacht en concentratie. Diverse hersendelen maken in samenwerking deze functies mogelijk.



De hersentumor

Beschrijving van hersentumor



Binnen de schedel kunnen verschillende soorten tumoren ontstaan. Wat belangrijk is waar de tumor ontstaat en van waaruit deze groeit. Meestal gaat het om een tumor die vanuit de hersencellen ontstaat: de primaire hersentumor. Deze tumor ontstaat in de hersenen zelf en wordt ook wel een intracerebrale tumor genoemd. (intra= binnen, cerebraal= hersenen). Tumoren zijn normaal gesproken goed- of kwaadaardig. Bij hersentumoren ligt dit wat ingewikkelder. Het verschil tussen goed- en kwaadaardig is bij deze tumoren niet zo duidelijk te zien als bij andere tumoren. Daarom zegt men dat een hersentumor een bepaalde mate van kwaadaardigheid heeft. Niet erg kwaadaardig heet ‘laaggradig’, wel kwaadaardig heet ‘hooggradig’. Hersentumoren zaaien overigens bijna nooit uit naar andere plaatsen in het lichaam, ook niet als ze wel kwaadaardig zijn. De meest voorkomende primaire hersentumor is een glioom. Een ander verschil met ‘gewone’ tumoren is dat een hersentumor vaak niet scherp begrensd is: aan de randen van het glioom zijn de tumorcellen gemengd met gezonde hersencellen. De tumorcellen groeien daar dus tussen de gezonde cellen in. Daarom is het moeilijk een hersentumor helemaal te verwijderen. Omdat er tumorcellen achterblijven, kan de tumor na de behandeling weer aangroeien.

Hersentumoren komen niet zo vaak voor: per jaar krijgen circa 990 mensen in Nederland te maken met deze vorm van kanker. Bij mensen onder de twintig jaar zijn hersentumoren heel zeldzaam. De ernstigere vormen komen vooral voor bij mensen boven de veertig jaar. Een hersentumor is evenals alle andere soorten kanker niet besmettelijk.



Het glioom is een primaire hersentumor. Deze ontstaat in de steuncellen(=glia) van de hersenen. De mate van kwaadaardigheid van een glioom wordt uitgedrukt in gradaties van de ziekte. De meest gebruikelijke indeling is die in laaggradige en hooggradige tumoren. Een laaggradig glioom groeit langzaam. Daarom wordt deze wel ‘betrekkelijk goedaardig’ genoemd. Maar in tegenstelling tot een goedaardige tumor ergens anders in het lichaam is een laaggradig glioom niet scherp begrensd. Het tumorweefsel dringt zich tussen gezond hersenweefsel en is hierdoor vrijwel nooit in zijn geheel operatief te verwijderen. Na verloop van tijd kan de tumor weer aangroeien. Dan wordt gesproken van een recidieftumor. Soms is die dan in de loop van de jaren veranderd in een hooggradige tumor. Een hooggradig tumor is ook niet scherp begrensd en dringt zich ook tussen gezond hersenweefsel. Het verschil met een laaggradige tumor is dat een hooggradig glioom zich veel kwaadaardiger gedraagt: de groei is snel en ongeremder. Totale verwijdering is niet mogelijk en altijd ontstaat een nieuwe aangroei. In tegenstelling tot de meeste kwaadaardige tumoren die ergens anders in het lichaam voorkomen, zaait een glioom bijna nooit uit naar andere organen.

De belangrijkste soorten gliomen zijn: astrocytomen ( de meest voorkomende), oligodendrogliomen en de vrij zeldzame ependymomen. Over de oorzaken van het ontstaan van een glioom is nog niets met zekerheid bekend. Wel is, net als bij andere soorten kanker, in de glioomcellen het mechanisme ontregeld dat schade herstelt.











Klachten



De klachten die optreden als gevolg van een hersentumor zijn sterk afhankelijk van het gebied in de hersenen waar de tumor is ontstaan. De diverse klachten zijn in drie groepen te verdelen, namelijk:

- uitvalsverschijnselen;

- epilepsie;

- algemene klachten als gevolg van druktoename binnen de schedel.



Als een tumor het omringende hersenweefsel beschadigt of er op drukt, kan dit weefsel minder goed functioneren. Het gevolg is, dat er uitvalsverschijnselen optreden waardoor iemand iets niet meer kan. Zo kan een tumor in de buurt van zenuwcellen die de bewegingen sturen, verlammingsverschijnselen veroorzaken. Soms zijn deze zo klein dat zij niet meteen als verlammingsverschijnselen worden ervaren. Iemand merkt bijvoorbeeld alleen dat hij moeite heeft om zijn vork goed te gebruiken of om de knoopjes van zijn overhemd dicht te doen. Bij de meeste mensen liggen de centra voor taal en spraak in de linker grote hersenhelft. Een tumor kan in deze hersenhelft kan dan als eerste klachten taalproblemen geven. Iemand merkt dat hij niet op bepaalde woorden kan komen, dat hij bepaalde woorden verkeerd uitspreekt of dat hij anderen niet meer goed begrijpt. Een tumor meer achterin de hersenen kan problemen veroorzaken met zien (wazig zien, dubbelzien) of horen (verminderd gehoor). Een hersentumor kan ook allerlei andere klachten veroorzaken, bijvoorbeeld problemen met aandacht, concentratie en geheugen. Gedragsveranderingen komen vooral voor bij patiënten met een tumor die in het voorste deel van de hersenen ligt. Veel patiënten reageren dan minder spontaan en vooral trager, tonen minder emoties en worden steeds passiever. Anderen zijn juist druk, snel, geïrriteerd, chaotisch en rusteloos. Bij weer andere patiënten zijn gedrag en emoties wisselend, zonder dat ze hier grip op hebben. Soms weet iemand dit van zichzelf, soms niet. Het spreekt voor zich dat partners en andere mensen uit de directe omgeving daar veel moeite mee kunnen hebben.



Een ander verschijnsel dat bij een hersentumor kan optreden, zijn epileptische aanvallen. Deze aanvallen ontstaan door beschadiging of irritatie van het hersenweefsel, waardoor een soort kortsluiting ontstaat. Een epileptische aanval bij iemand die dat nooit eerder had, is vaak de eerste uiting van een hersentumor. Er kunnen zich verschillende soorten epileptische aanvallen voordoen. Soms is zo een aanval beperkt tot schokjes in een hand of tot een kortdurende ‘afwezigheid’. Maar de aanval kan ook bestaan uit plotseling vallen en bewusteloos raken, onmiddellijk gevolgd door achtereenvolgens strekken en heftig schokken van armen en benen. Vaak laat iemand dan de urine lopen. Door het ongeremd aanspannen van de kaakspieren kan de patiënt hard op zijn tong bijten, de zogenoemde tongbeet, waardoor deze korte tijd bloedt. De tongbeet is niet gevaarlijk. Proberen die te voorkomen is daarom niet nodig.

Iemand kan last hebben van een of meer soorten epilepsie. Als een epileptische aanval vaker voorkomt, zal de specialist medicijnen voorschrijven, zogenoemde anti-epilectica. Deze medicijnen onderdrukken de aanvallen. Welk middel iemand krijgt en in welke hoeveelheid is per persoon verschillend. Er wordt altijd gestreefd naar een zo laag mogelijk dosis. Als er ondanks de medicijnen aanvallen blijven ontstaan of na enige tijd opnieuw optreden, betekent dat niet altijd dat de tumor groeit. Ook als de ziekte in een stabiele fase is, kunnen aanvallen ontstaan.

Bijvoorbeeld omdat de medicijnen onvoldoende helpen. Ondanks (combinaties van) medicijnen lukt het bij een op de drie patiënten niet om alle aanvallen te onderdrukken. Hiernaast zijn er nog andere factoren die een aanval kunnen uitlokken, bijvoorbeeld spanning, (overmatig) alcoholgebruik, onvoldoende nachtrust en ziekten met koorts, zoals griep. Voor de patiënt en de mensen die erbij zijn, is een epileptische aanval altijd een angstig gebeuren. Over het algemeen gaat een epileptische aanval van zelf over. Houdt de aanval langer dan vijf minuten aan of volgt op een aanval meteen een volgende, dan moet onmiddellijk een arts worden gewaarschuwd.

Zwangerschap en anti-epilectica - Vrouwen die een kinderwens hebben en anti-epilectica gebruiken doen er goed aan hun voorgenomen zwangerschap met hun arts te bespreken. Bepaalde anti-epilectica kunnen namelijk het risico op aangeboren afwijkingen vergroten.

Autorijden en een hersentumor – Voor autorijden zijn er voor patiënten met een hersentumor speciale regels, zeker als iemand ten gevolge van de hersentumor epilepsie heeft. Het beste kun je dan een (gespecialiseerd) verpleegkundige of het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) raadplegen.



Een derde groep van klachten van een hersentumor is het gevolg van druktoename binnen de schedel. De schedel is als een bijna geheel gesloten doos. Daarin bevinden zich de hersenen en een bepaalde hoeveelheid hersenvocht en bloed. Wanneer een tumor extra ruimte inneemt, neemt de druk binnen de schedel toe. Daarnaast kan zich in het hersenweefsel rondom de tumor vocht gaan ophopen. Dit vocht noemt men oedeem. Zo een vochtophoping verhoogt eveneens de druk binnen de schedel. De druk binnen de schedel kan ook snel toenemen doordat een tumor de doorstroming van hersenvocht blokkeert.

Bij druktoename binnen de schedel kan een aantal klachten optreden. Bijvoorbeeld aanhoudende hoofdpijn. Soms gaat de hoofdpijn gepaard met misselijkheid en braken, vaak vroeg in de ochtend. Als de druk toeneemt, kan sufheid optreden. In uitzonderingsgevallen kunt u wazig of dubbelzien doordat er druk op de oogzenuwen ontstaat. Als de hersendruk langzaam toeneemt, kunnen allerlei problemen ontstaan. Vaak zijn dat problemen met denken, geheugen en concentratie.





































Onderzoek



Bij klachten die kunnen wijzen op een aandoening van de hersenen, bijvoorbeeld een hersentumor, geeft de huisarts een verwijzing naar een specialist op dit gebied, een neuroloog. Deze onderzoekt of het lichaam nog goed door de hersenen bestuurd wordt en volgt dus bij het eerste onderzoek het zogenoemde ‘neurologisch onderzoek’. Wanneer de arts vermoedt dat de klachten verband kunnen houden met een hersentumor, wordt tegenwoordig altijd een MRI of een CT-scan(zie illustraties 7&8) van de hersenen gemaakt. Soms wordt ook een EEG gemaakt.

Neurologisch onderzoek:

Tijdens dit lichamelijk onderzoek wordt gecontroleerd of de hersenen het lichaam nog goed besturen en of er nog andere problemen zijn met functies die in de hersenen worden geregeld. Het gaat dan om vragen als: hoe loopt u, heeft u voldoende kracht in uw armen en benen, heeft u problemen met zien, heeft u problemen met praten, kunt u uw evenwicht goed bewaren, heeft u problemen met uw geheugen, concentratie of denken? Het neurologisch onderzoek kan in sommige gevallen aanwijzingen geven over de mogelijke aanwezigheid en de plaats van een hersentumor.

CT-scan(computertomografie):

Een computertomograaf is een apparaat waarmee organen en/of weefsels zeer gedetailleerd in beeld kunnen worden gebracht. Bij het maken van een CT-scan wordt gelijktijdig gebruikgemaakt van röntgenstraling en een computer. Het apparaat heeft een ronde opening waar de patiënt, liggend op een beweegbare tafel, doorheen wordt geschoven. Terwijl de tafel verschuift, wordt een serie foto’s gemaakt waarop telkens een ander ‘plakje’ van de hersenen staat afgebeeld. Deze ‘dwarsdoorsneden’ geven een duidelijk beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van een mogelijke tumor. Voor het maken van duidelijke foto’s kan een contrastvloeistof nodig zijn. Meestal wordt deze vloeistof tijdens het onderzoek in een bloedvat van de arm gespoten. Contrastvloeistof kan een warm en weeϊg gevoel veroorzaken. Sommige mensen worden er wat misselijk van. Om ervoor te zorgen dat een patiënt hier zo min mogelijk last van heeft, wordt aanbevolen enkele uren voor het onderzoek niet te eten en te drinken.

MRI (Magnetic Resonance Imaging):

Bij deze onderzoeksmethode wordt gebruikgemaakt van een magneetveld in combinatie met radiogolven en een computer. De techniek maakt ‘dwars- of lengtedoorsneden’ van het lichaam zichtbaar, waardoor een eventuele tumor in beeld komt. Tijdens dit onderzoek ligt de patiënt in een soort koker. Sommige mensen ervaren het onderzoek daardoor als benauwend. Bovendien maakt een

MRI-apparaat nogal wat lawaai. Hierdoor krijgt de patiënt oordopjes in. Via de intercom blijft altijd contact bestaan tussen de patiënt en de laborant, die tijdens het onderzoek in een andere ruimte is.

EEG(Elektro-Encephalogram):

Het EEG is een weergave van elektrische hersenactiviteit. Vooral de activiteit in de grote hersenen kan zo in kaart worden gebracht. Bij een gestoorde functie, kan het EEG afwijkend zijn. Voor dit onderzoek worden er 21 metalen plaatjes (elektroden) op de hoofdhuid van de patiënt geplakt. Deze elektroden moeten via de hoofdhuid de spanning die ontstaat door de geleiding van zenuwprikkels tussen de hersendelen. Zo kan een beeld worden verkregen van het functioneren van de hersenen. De activiteit van de hersenen is in de vorm van golfpatronen zichtbaar.



Nader onderzoek



Op grond van de klachten en van de hiervoor genoemde onderzoeken kunnen de artsen tot de conclusie komen dat er sprake is van een hersentumor. Om te kunnen vaststellen welke behandeling nodig is, moet de arts weten om welk type hersentumor het precies gaat. Hiervoor moet een stukje tumorweefsel worden verwijderd. Dit heet een biopsie. Deze ingreep wordt gedaan door een neurochirurg: een chirurg die gespecialiseerd is in operaties van het zenuwstelsel. Een andere specialist, een patholoog, bekijkt het weefsel daarna onder de microscoop. Aan de hand van afwijkingen in de cellen kan deze arts de precieze aard van de aandoeningen bepalen. Bij patiënten met een hersentumor kan de arts het weefsel op twee manieren wegnemen, namelijk door een stereotactischebiopsie of door een craniotomie. Welke ingreep plaatsvindt, is onder meer afhankelijk van de plaats en de uitgebreidheid van de tumor. Voor een stereotactische biopsie wordt een kleine opening in de schedel gemaakt. Bij een craniotomie is de opening groter. Voor beide ingrepen moet de patiënt in het ziekenhuis worden opgenomen.

Stereotactische biopsie:

Bij een stereotactische biopsie neemt de neurochirurg een stukje tumorweefsel weg voor microscopisch onderzoek. Voordat de ingreep plaatsvindt, scheert men een stukje hoofdhuid kaal. De ingreep gebeurt onder plaatselijke verdoving of onder narcose. Een stereotactische biopsie wil zeggen dat het tumorweefsel wordt verwijderd nadat met een speciaal(driedimensionaal) meetinstrument precies de plaats is berekend. De patiënt krijgt een soort frame om het hoofd geklemd. Met dit frame om, worden met een CT-scan röntgenfoto’s gemaakt. Omdat het frame en de tumor samen op de foto’s worden afgebeeld, kan de arts precies berekenen waar de naald voor de biopsie moet worden ingebracht. Vervolgens wordt een gaatje in de schedel gemaakt. Via dit gaatje neemt de arts met een holle naald wat tumorweefsel weg. Meestal kan de patiënt de volgende dag weer naar huis. In de regel is de uitslag binnen een week bekend.

Craniatomie:

Onder craniotomie verstaat men het openen van de schedel. De ingreep vindt meestal onder narcose plaats. Als het duidelijke voordelen heeft dat de patiënt wakker is, bijvoorbeeld wanneer de tumor in of dichtbij het spraakgebied ligt, gebeurt deze onder plaatselijke verdoving. Tijdens de operatie kan dan nagegaan worden of het spraakcentrum van de patiënt blijft functioneren. Voor de operatie wordt (een gedeelte van) de hoofdhuid kaalgeschoren. Bij een craniotomie maakt de neurochirurg als het ware een luikje in de schedel. Via deze opening wordt de operatie verder uitgevoerd. Soms neemt de specialist alleen een stukje tumorweefsel weg voor microscopisch onderzoek. In de meeste gevallen verwijdert de neurochirurg zo veel mogelijk tumorweefsel. De ingreep is dan niet alleen bedoeld om weefsel te verwijderen voor onderzoek, maar is tevens een behandeling. Na beëindiging van de operatie wordt het luikje weer in de schedel teruggeplaatst. Wanneer er na operatie geen moeilijkheden optreden, kan de patiënt vaak binnen een of twee weken weer naar huis. Bij complicaties(moeilijkheden) of traag herstel kan een langere ziekenhuisopname nodig zijn.











Behandeling



De meest toegepaste behandelingen bij een hersentumor zijn:

- Operatie(chirurgie)

- Bestraling(radiotherapie)

Soms vindt ook een chemotherapie plaats; dit is een behandeling met medicijnen die de celdeling remmen(cytostatica)

Bij een hersentumor is de behandeling gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten. Dit heet een palliatieve behandeling.

Als uit het weefselonderzoek bekend is dat er sprake is van een glioom of van een andere hersentumor, bekijken de betrokken artsen welke (verdere) behandeling zinvol is. Het advies van de artsen is gebaseerd op het type tumor en de plaats waar de tumor zich bevindt. Daarnaast spelen de leeftijd en gezondheidstoestand een rol. Een operatie is niet altijd mogelijk als de tumor erg diep in de hersenen ligt, of in een deel van de hersenen, dat voor het functioneren erg belangrijk is.

Bij een laaggradig glioom kunnen artsen tot de conclusie komen dat de patiënt voorlopig beter kan afwachten hoe een en ander verloopt. Een laaggradig glioom groeit vaak zeer langzaam. Dat kan beteken dat de tumor zich soms jarenlang nauwelijks uitbreidt. Omdat uitzaaiingen van een hersentumor vrijwel niet voorkomen, is het voor een aantal patiënten verantwoord om af te wachten. De patiënt blijft dan wel onder controle. Met regelmaat is een MRI of CT-scan nodig om te bepalen of de tumor groter is geworden. Op een gegeven moment kan alsnog een behandeling nodig zijn.

Operatie:

Bij een craniotomie verwijdert de neurochirurg met gebruik van een operatiemicroscoop en andere speciale apparatuur zo veel mogelijk tumorweefsel. In de praktijk blijkt totale verwijdering van de tumor bijna nooit mogelijk. De grens tussen tumorweefsel en gezond weefsel is namelijk zelden precies vast te stellen, omdat de tumorcellen zich tussen de gezonde cellen bevinden. De neurochirurg kan geen grote hoeveelheid gezond hersenweefsel wegnemen om meer zekerheid te hebben dat al het tumorweefsel verwijderd is. Dit zou namelijk te veel schade aan het functioneren van de patiënt toebrengen. Na de operatie kan bestraling nodig zijn om nog zo veel mogelijk achtergebleven tumorcellen te vernietigen. Bestraling is een plaatselijke behandeling met als doel kankercellen geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel. Bestraling kan op twee manieren worden gegeven: uitwendig en inwendig.

Patiënten met een hersentumor krijgen meestal uitwendige bestraling. Hierbij wordt de straling toegediend met behulp van een bestralingstoestel. Het te behandelen gebied wordt van buitenaf – door de huid heen – bestraald. De radiotherapeut (bestralingsarts) berekent nauwkeurig hoeveel straling een patiënt nodig heeft. Daarbij houdt de radiotherapeut onder meer rekening met het type tumor, de plaats van de tumor en de algehele conditie van de patiënt. Om gezond hersenweefsel zo veel mogelijk kans te geven na de bestraling te herstellen, wordt de totale dosis meestal over een groot aantal bestralingen verdeeld. Na een aantal bestralingen wordt het bestralingsgebied soms verkleind. Dit gebeurt om beschadiging van gezond hersenweefsel te beperken. De periode waarin de bestraling plaatsvindt, varieert meestal van 3 tot 6 weken. In die tijd gaat de patiënt 4 à 5 keer p.w. naar de bestralingafdeling van het ziekenhuis. Er is geen opname in het ziekenhuis nodig.

Stereotactische radiotherapie:

Voor de behandeling van een kleine tumor die door de chirurg moeilijk kan worden bereikt, of voor de behandeling van een tumordeel dat tijdens de operatie niet verwijderd kon worden, gebruikt men de laatste jaren stereotactische radiotherapie. Met speciale richtapparatuur kan een hoge dosis straling op een klein gebied in de schedel worden gericht. Het omringende gezonde hersenweefsel blijft hierdoor buiten het bestralingsgebied. Voor deze behandeling moet een tumor klein en scherp begrensd zijn. Bij een glioom is dat zelden het geval, waardoor deze behandeling bij gliomen van beperkte waarde is.



Bestraling beschadigt niet alleen kankercellen, maar ook gezonde cellen. daardoor kan een patiënt met aantal bijwerkingen te maken krijgen. De patiënt kan dan last krijgen van vermoeidheid en verminderde eetlust. De meeste klachten die tijdens de behandelperiode ontstaan, verdwijnen over het algemeen enkele wekenna afloop van de behandeling. Sommige mensen merken echter nog lang na hun behandeling dat zij eerder vermoeid zijn dan vóór hun ziekte. Als de patiënt aan het begin van de bestralingsserie zijn/haar haar nog heeft, krijgt hij/zij na twee tot drie weken haaruitval. De haaruitval gebeurt meestal waar de bestraling plaatsvond. Meestal is de haaruitval tijdelijk, soms echter blijvend. De meeste zorgverzekeraars vergoeden de kosten van een pruik tot een bepaald maximumbedrag. Afhankelijk van het bestralingsgebied kan de patiënt ook problemen krijgen met zien en/of horen. Meestal gaan deze klachten na de bestralingskuur weer over. Op langere termijnen kunnen als gevolg van de bestraling geheugenstoornissen en concentratiestoornissen ontstaan. Deze zijn vaak blijvend.

Inwendige bestraling:

Een andere vorm van gerichte bestralingsbehandeling is de inwendige bestraling, ook wel brachytherapie genoemd. Hierbij wordt via openingen in de schedel radioactief materiaal in de tumor gebracht. Deze manier van bestralen gebeurt slechts zelden.

Chemotherapie:

Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen invloed op celdeling. De medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus, als tablet of per injectie. Ook kan chemotherapie in tabletvorm worden gecombineerd met bestraling. Chemotherapie wordt bij patiënten met een hersentumor slechts beperkt toegepast. Bij bepaalde typen gliomen kan het worden toegepast als de tumor na de eerste behandeling weer is gaan groeien (recidiefgroei).

























Behandeling van bijkomende klachten



Na een operatie en/of een bestraling kan een patiënt bepaalde klachten hebben waarvoor medicijnen worden gegeven. De meest voorkomende klachten zijn:

Oedeemvorming:

Zoals al eerder vermeld is kan er vocht rond een tumor ophopen. Er is dan sprake van oedeemvorming. Operatie en bestraling zorgen ervoor dat oedeemvorming vermeerdert, waardoor er een toename van druk binnen de schedel ontstaat. Daarom krijgen vrijwel alle patiënten medicijnen om die oedeemvorming tegen te gaan. Dit zijn zogenoemde corticosteroϊden of bijnierschorshormonen. Deze medicijnen geven bij langer gebruik bijwerkingen, onder meer botontkalking, verhoging van de bloeddruk, veranderingen van de suikerstofwisseling en spierzwakte, vooral van de benen. Bij langdurig gebruik kan er ook een verandering van het uiterlijk optreden. Veel patiënten krijgen een opgeblazen gezicht. Verder ervaren veel patiënten die corticosteroϊden gebruiken, een toename van de eetlust. Vaak gaan zij vooral ‘tussendoortjes’ als chocolade, zoete etenswaren en snacks eten. Het is belangrijk om hier aandacht voor te hebben en te proberen om bij hongergevoel ‘gezonde’ tussendoortjes te nemen, zoals crackers en fruit.

Diabetes door corticosteroϊden:

Door langdurig gebruik van corticosteroϊden kan de suikerspiegel in het bloed van de patiënt ontregeld raken, waardoor diabetes mellitus kan ontstaan. Na het stoppen van de medicatie verdwijnt de diabetes over het algemeen weer.

Epilepsie:

Een aantal patiënten hebben al epilepsie of krijgen tijdens hun ziekte meer aanvallen. Dit betekent niet altijd dat de tumor weer opnieuw groeit. Veranderingen in het hersenweefsel door bijvoorbeeld een operatie kunnen aanleiding geven tot epileptische activiteit in de hersenen, waardoor epileptische aanvallen optreden. Sommige artsen schrijven patiënten na een operatie uit voorzorg medicijnen tegen epilepsie voor. Andere artsen schrijven deze medicijnen alleen voor aan patiënten die epileptische aanvallen hebben.









































Verloop van de ziekte



Alle patiënten met een hersentumor blijven hun verdere leven onder controle van de specialist, ongeacht of er een behandeling is gegeven of gekozen voor een afwachtend beleid.

Van tijd tot tijd wordt bij een controle ook een MRI of CT-scan en soms een EEG gemaakt. Als er signalen zijn dat de tumor opnieuw groeit, kan de specialist weer medicijnen voorschrijven tegen oedeemvorming in de hersenen. In sommige gevallen is een tweede operatie mogelijk. Een tweede bestraling op hetzelfde gebied is meestal niet zinvol: de risico’s staan niet in verhouding tot het mogelijke effect.



Voor patiënten met een hersentumor is de levensverwachting zeer uiteenlopend. Dit heeft vooral te maken met de mate van kwaadaardigheid, met iemands leeftijd en algehele conditie en met de behandelmogelijkheden.



Patiënten met een laaggradig glioom kunnen soms vele jaren leven zonder terugkeer van de ziekte. Bij tweederde van de patiënten met een hersentumor gaat het echter om een hooggradig glioom. Voor hen is de levensverwachting doorgaans beperkt. De behandeling is gericht op het vertragen van de groei van de tumor en het verminderen van de klachten. Ongunstige factoren voor de vooruitzichten zijn onder meer de graad van kwaadaardigheid en een hogere leeftijd.

In hoeverre de patiënt na de behandeling hun bezigheden weer kunnen verrichten zoals vóór hun ziekte, is niet te voorspellen. Ook als het ‘goed’ gaat, merken sommigen dat zij toch niet meer zo intens bezig kunnen zijn als voorheen. Zij zijn wat eerder aan de grens van hun kunnen.

Sommige patiënten moeten voortaan afzien van bepaalde activiteiten omdat ze die niet meer goed kunnen uitvoeren of zich te onzeker voelen. Dit is bijvoorbeeld het geval met autorijden. Patiënten bij wie de ziekte niet goed kan worden behandeld of bij wie de tumor weer aangroeit, krijgen met verschillende verschijnselen en problemen te maken. Welke dat zijn, is afhankelijk van de plaats van de tumor.



Een verminderde hersenfunctie kan stoornissen veroorzaken op bijvoorbeeld emotioneel gebied, geheugen en snelheid van denken. Hierdoor kunnen spanningen ontstaan binnen de relatie, het gezin of met andere mensen in de omgeving. Het is belangrijk dat iedereen die dicht bij de patiënt staat, zo volledig mogelijk is ingelicht over de veranderingen die een hersentumor teweeg kan brengen.



Vermoeidheid:

Vermoeidheid kan ontstaan door kanker en/of de behandeling van kanker. Steeds meer patiënten geven aan hiervan last te hebben. Er zijn mensen die na enige tijd nog last krijgen van (extreme) vermoeidheid. De vermoeidheid kan nog lang aanhouden. Wanner de ziekte vergevorderd is kan de vermoeidheid ook te maken hebben met het voortschrijdende ziekteproces.















Onderzoek naar nieuwe behandelingen



Voortdurend trachten artsen met nieuwe behandelingen betere resultaten te bereiken. Daarvoor is onderzoek nodig, ook bij patiënten met een hersentumor. Een verbeterde behandeling vernietigt meer kankercellen en/of heeft minder bijwerkingen of andere nadelige gevolgen. De patiënt krijgt dan ook misschien te maken met een ‘wetenschappelijk onderzoek’, ‘vergelijkend onderzoek’, ‘experimentele behandeling’, ‘studie’ of het engelse woord ‘trial’. Met al deze termen bedoelt men een mogelijk nieuwe behandeling waarvan nog moet worden bewezen of deze betere resultaten oplevert dan de op dat moment meest gebruikelijke behandeling(de standaardbehandeling).

Een onderzoek naar een nieuwe behandeling duurt jaren. Het gebeurt op een wetenschappelijk verantwoorde manier, heel zorgvuldig en stap voor stap. In de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen(WMO) staat onder welke voorwaarden wetenschappelijk onderzoek bij mensen mag plaatsvinden.

Elk onderzoek wordt in het ziekenhuis beoordeeld door een medisch-ethische commissie. Deze gaat na of het betreffende onderzoek aan de voorwaarden volgens de WMO voldoet. Het gaat er dan bijvoorbeeld om, of de belangen van de deelnemende patiënten voldoende zijn beschermd. De commissie bestaat uit artsen en zorgverleners.

Onderzoek naar nieuwe medicijnen begint in kweekbakjes in het laboratorium en bij dieren. Daarna test men het nieuwe middel bij patiënten. Eerst wordt onderzocht hoe het medicijn zich in het menselijk lichaam gedraagt en hoe patiënten het verdragen(fase I onderzoek). Vervolgens gaat men bij een andere groep patiënten na of het nieuwe middel of een nieuwe combinatie van middelen tumorcellen vernietigt(fase II onderzoek) en bij welke percentage van de patiënten dat gebeurt.

De meeste patiënten krijgen te maken met fase II onderzoek. Fit houdt in dat men de standaardbehandeling vergelijkt met de mogelijk nieuwe behandeling. Een grote groep patiënten krijgt de standaardbehandeling, een andere groep krijgt de mogelijk nieuwe behandeling. Door loting, randomisatie genoemd, wordt bepaald wie in welke groep terechtkomt.

De beschreven werkwijze in fasen geldt vooral voor onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen. Bij onderzoek naar nieuwe manieren van opereren en/of bestralen is de werkwijze vaak wat anders. Dan past men de nieuwe techniek eerst bij een kleine groep patiënten toe. Men bestudeert de technische kant van de behandeling en gevolgen van de patiënt.

Deelname aan een onderzoek naar een nieuwe behandeling is geheel vrijwillig. De patiënt bepaalt zelf of hij/zij wel/niet meedoet en pas nadat hij/zij uitvoerige informatie heeft gekregen. Als de patiënt besluit mee te doen maakt hij/zij dat kenbaar door schriftelijk hem/haar instemming te geven. De instemming heet ‘informed consent’. Dat betekent dat de patiënt zijn/haar besluit om mee te doen genomen heeft op basis van voldoende en begrijpelijke informatie.

















Voeding



Goede voeding voor mensen met kanker verschilt niet wezenlijk van de adviezen die voor gezonde mensen gelden: voldoende energie(calorieën), vocht en voedingsstoffen zoals vitamines en mineralen. Voor het doorstaan van een behandeling is een zo optimaal mogelijke voedingstoestand en een stabiel lichaamsgewicht bevorderlijk. Soms ontstaan door een behandeling problemen met eten, omdat bijwerkingen zoals slechte eetlust en misselijkheid het eten moeilijk maken. Meestal zijn deze bijwerkingen tijdelijk. Verder kan de hersentumor de oorzaak zijn van problemen. Zo kan de tumor een voortdurende eetlust veroorzaken.

Over het algemeen treedt bij patiënten met een hersentumor ongewenst gewichtsverlies niet vaak op. Gebeurt dat wel, dan kan dat betekenen dat ziekte en/of de behandeling meer energie vraagt. Maar het kan ook zijn dat de patiënt ongemerkt minder is gaan eten. Bij een hersentumor kan verlies van reuk en/of smaak hiervan de oorzaak zijn.

Ongewenste gewichtstoename komt bij patiënten met een hersentumor regelmatig voor. Soms door de plaats van de tumor, maar vaker door de medicijnen. Hierbij gaat het om bepaalde medicijnen tegen epilepsie en corticosteroϊden tegen hersenoedeem. Vaak ontstaat er dan een voorkeur voor zoete voedingswaren en snacks, ook als de patiënt deze voorkeur eerst niet had.

Er zijn mensen met kanker die als aanvulling op de behandeling van het ziekenhuis speciale voeding, een dieet of voedingssuplementen willen gebruiken. Wetenschappelijk onderzoek heeft tot nu toe niet aannemelijk gemaakt dat een bepaald eetpatroon of dieet een eenmaal ontstaan kankerproces gunstig kan beïnvloeden.



















































Een moeilijke periode



Leven met kanker is niet vanzelfsprekend. Dat geldt voor de periode dat er onderzoeken plaatsvinden, het moment dat iemand te horen krijgt dat hij/zij kanker heeft en de periode dat hij/zij wordt behandeld. Ook de partner, kinderen, familieleden en vrienden krijgen veel te verwerken. Vaak voelen zij zich machteloos. Er bestaat geen pasklaar antwoord op de vraag hoe iemand het beste met kanker kan leven. Iedereen is anders en iedere situatie is anders. Iedereen verwerkt het hebben van kanker op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo.

Kanker maakt vaak veel emoties los en is zo ingrijpend, dat het moeilijk kan zijn de werkelijkheid onder ogen te zien. Voor sommigen lijkt het daarom net of het over iemand anders gaat. Anderen beseffen vanaf het begin volledig wat er aan de hand is. De stemmingen van mensen met kanker kan heel wisselend zijn. Het ene moment is hij/zij misschien erg verdrietig, het volgende moment vol hoop. Kankerpatiënten hebben vaak het gevoel dat alles hun overkomt en dat ze zelf nergens meer invloed op hebben. De onzekerheden die kanker met zich meebrengt, zijn niet te voorkomen. Er spelen vragen als: slaat de behandeling aan, van welke bijwerkingen zal ik last krijgen en hoe moet het straks verder. Zij kunnen wel meer grip op hun situaties proberen te krijgen door goede informatie te zoeken, een dagboek bij te houden of er met anderen te praten: met mensen uit hun omgeving, hun (huis)arts of (wijk)verpleegkundige. Er zijn ook mensen doe alles liever over zich heen laten komen en hun problemen en gevoelens voor zich houden. Bijvoorbeeld omdat zij een ander er niet mee willen belasten of gewend zijn alles eerst zelf uit te zoeken.

Een aantal mensen komt niet zelf uit de moeilijkheden. Naast de steun van partner, kinderen en bekenden en de zorg van artsen en verpleegkundigen, hebben zij meer nodig om de situatie het hoofd te kunnen bieden. Sommigen zouden graag extra ondersteuning willen hebben van een deskundige om stil te staan bij wat hen allemaal is overkomen. Zowel in als buiten het ziekenhuis kunnen zorgverleners, zoals sociaalverpleegkundigen, maatschappelijk werkers, psychologen of geestelijk verzorgers, extra begeleiding bieden. De huisarts kan adviseren over ondersteuning en begeleiding buiten het ziekenhuis. KWF kankerbestrijding hecht veel waarde aan een goede begeleiding van kankerpatiënten en naasten. Samen met bijvoorbeeld zorgverleners in ziekenhuizen en vrijwilligers bij patiëntenverenigingen worden speciale begeleidingsprogramma’s ontwikkeld. In sommige plaatsen in Nederland zijn speciale organisaties als Inloophuizen gevestigd of gespecialeerde therapeuten werkzaam.

Een aantal patiënten stelt contact met medepatiënten op prijs. Het uitwisselen van ervaringen en het delen van gevoelens met iemand in een vergelijkbare situatie kunnen helpen de moeilijke periode door te komen. Lotgenoten hebben vaak aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. Daarnaast kan het krijgen van praktische informatie belangrijke steun geven. Maar anderen vinden contact met medepatiënten te confronterend of hebben er geen behoefte aan. Sommige mensen kennen zelf andere patiënten uit hun kennissen- of vriendenkring of ontmoeten hen op een andere manier, bijvoorbeeld op de polikliniek van het ziekenhuis. Maar contact met lotgenoten kan ook tot stand komen via een patiëntenorganisatie. Zo een contact kan bestaan uit telefonisch contact, een persoonlijk gesprek of deelname aan groepsbijeenkomsten.







Samenvatting



Kanker is een verzamelnaam voor verschillende met één kenmerkende eigenschap. Bij alle soorten kanker is er een ongeremde deling van de lichaamscellen. Cellen verouderen snel en moeten worden vervangen. Dus elke dag sterven er veel cellen, maar er komen ook miljoenen cellen bij. Gewoonlijk regelt het lichaam de celdeling goed. Bij kanker is ergens in je lichaam de celdeling op hol geslagen. De cellen reageren niet meer op de stopsignalen van de celkern. Doordat die cellen steeds maar weer door blijven delen veranderen de cellen uiteindelijk in kankercellen. Daardoor ontstaat er een gezwel of een tumor. Een tumor kan goed- of kwaadaardig zijn. Alleen bij kwaadaardige tumoren spreken we van kanker. Bij hersenkanker ligt dit wat anders, de mate van kwaadaardigheid wordt anders bepaald. Niet erg kwaadaardig heet laaggradig en wel kwaadaardig heet hooggradig. Een tumor die vanuit de hersencellen is ontstaan heet primaire hersentumor. Het meest voorkomende soort primaire hersentumor is een glioom. In tegenstelling tot een goedaardige tumor is een laaggradig glioom niet scherp begrensd. Het tumorweefsel dringt zich tot gezond hersenweefsel en is hierdoor vrijwel nooit in zijn geheel operatief te verwijderen. Na verloop van tijd kan de tumor weer aangroeien. Dan wordt gesproken van een recidieftumor. Het verschil met een laaggradig glioom is dat een hooggradig glioom zich veel kwaadaardiger gedraagt: de groei is snel en ongeremder. De klachten die optreden als gevolg van een hersentumor zijn sterk afhankelijk van het gebied in de hersenen waar de tumor is ontstaan. De klachten zijn in drie groepen te verdelen; uitvalsverschijnselen, epilepsie, druktoename binnen de schedel.

Bij klachten die kunnen wijzen op een aandoening van de hersenen geeft de huisarts een verwijzing naar een specialist op dit gebied, een neuroloog. Deze onderzoekt of het lichaam nog goed door de hersenen bestuurd wordt en volgt bij het eerste onderzoek het neurologisch onderzoek. Wanneer het kan zijn dat de klachten verband kunnen houden met een hersentumor wordt er een MRI, CT-scan of een EEG gemaakt.

Alle patiënten met een hersentumor blijven hun verdere leven onder controle van de specialist, al is er een behandeling gegeven of is de patiënt aan het afwachten. Van tijd tot tijd wordt bij een controle ook een MRI of CT-scan en soms een EEG gemaakt. Als er signalen zijn dat de tumor opnieuw groeit, kan de specialist weer medicijnen voorschrijven tegen oedeemvorming in de hersenen. Voor patiënten met een hersentumor is de levensverwachting zeer uiteenlopend. Dit heeft vooral te maken met de mate van kwaadaardigheid, met iemands leeftijd en algehele conditie en met de behandelmogelijkheden. Patiënten met een laaggradig glioom kunnen soms vele jaren leven zonder terugkeer van de ziekte. Bij tweederde van de patiënten gat het niettemin om een hooggradig glioom. Voor hen is de levensverwachting beperkt. De behandeling is dan bedoeld op het vertragen van de groei van de tumor en het verminderen van de klachten. Een verminderde hersenfunctie kan stoornissen veroorzaken op bijvoorbeeld emotioneel gebied, geheugen en snelheid van denken. Steeds willen artsen met nieuwe behandelingen betere resultaten bereiken. Daarvoor is onderzoek nodig, ook bij patiënten met een hersentumor. Een verbeterde behandeling verwijderd meer kankercellen en/of heeft minder bijwerkingen of andere nadelige gevolgen. De patiënt mag zelf beslissen of hij/zij een nieuwe behandeling of de standaardbehandeling wil. Goede voeding voor mensen met kanker verschilt niet wezenlijk van de adviezen die voor gezonde mensen gelden: voldoende energie(calorieën), vocht en voedingsstoffen zoals vitamines en mineralen. Ongewenste gewichtstoename komt bij patiënten met een hersentumor regelmatig voor. Soms door de plaats van de tumor, maar vaker door de medicijnen.

Leven met kanker is heel erg moeilijk. Als iemand hoort dat hij/zij kanker heeft kan hij/zij niet meteen bedenken hoe het verder moet. Daarom vind ik dat mensen met kanker veel steun moeten zoeken bij familie, kennissen, vrienden en bij mensen die op dit gebied gespecialiseerd zijn. Een therapeut is volgens mij beter want die weet dan hoe het verder gaat en weet dat een kankerpatiënt heel erg emotioneel kan zijn. Vaak voelen familieleden en vrienden zich machteloos, daarom kunnen zij het ook niet verwerken en kunnen de kankerpatiënt niet echt troosten. Iedereen verwerkt het hebben van kanker op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Veel steun zoeken is daarom heel erg belangrijk.

















Bronvermelding



Ik kon niet veel informatie vinden op het Internet, daarom ben ik naar het ziekenhuis gegaan en heb daar een folder over hersentumor en kopie’s van een encyclopedie over hersentumor gekregen. Ik heb ook gebruik gemaakt van Internetsites.



Alles waar ik gebruik van heb gemaakt:



- Folder hersentumor.

- De encyclopedie 2ZW van het ziekenhuis. Editie 2003.

- Internetsites voor alle tekst:

• www.wikipedia.nl

• www.kwfkankerbestrijding.nl



- Internetsites voor grafieken, plaatjes

• www.kwfkankerbestrijding.nl

• www.hap.be

• www.doveopenmri.com

Ik heb ook een aantal plaatjes van de folder.