Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Beleggen

Profielwerkstuk Economie


Niveau: 5 HAVO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 3442 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Inleiding:



Dit profiel werkstuk gaat over beleggen. Wat is beleggen eigenlijk? Onder beleggen kan men verstaan: het vastleggen van gelden die op korte termijn niet voor besteding beschikbaar hoeven te zijn. Doelstelling van beleggen is het behalen van een zo groot mogelijk financieel voordeel. Dit voordeel is sterk afhankelijk van de mate van risico die de belegger kan en wil lopen. Is er voor spaarders al keuze uit vele vormen, voor de belegger geldt dit in veel grotere mate. Zo kun je beleggen in effecten, deposito’s, spaarrekeningen, onroerend goed, munten, antiek, edelmetalen, postzegels, valuta, termijnzaken, enz. Dit werkstuk houdt het bij beleggen in effecten.

Je kunt zelf beleggen op twee manieren:

1. Je geeft een bank of commissionair (wat dat is wordt later besproken) de opdracht tot het kopen of verkopen van een effect.

2. Je stort geld in een beleggingsfonds.

Je kunt zelf niet rechtstreeks effecten kopen of verkopen.



Inhoudsopgave:



• Inleiding

• Deelvraag 1

• Deelvraag 2

• Deelvraag 3

• Deelvraag 4

• Deelvraag 5

• Slotconclusie

• Logboek Barend

• Logboek Niels

• Bronvermelding



Deelvraag 1



Wat zijn de kenmerken van de AEX en de Optiebeurs?



Kenmerken van de AEX



De Amsterdamse Effectenbeurs kent een lange historie. De geschiedenis begint in de 17e eeuw waarin Nederland een van de kapitaalkrachtigste landen van de wereld was. Amsterdam had zich ontwikkeld tot de belangrijkste Europese handelsstad, waar in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C) werd opgericht. De V.O.C was een voorloper van de huidige naamloze vennootschap. De V.O.C werd gefinancierd door uitgifte van aandelen aan het publiek, wat in die tijd een wereldprimeur was. De aandelen, die ‘actiën’ werden genoemd, stonden op naam en waren verhandelbaar, in tegenstelling tot deelnemingen in andere ondernemingen in die tijd, die niet verhandelbaar waren; deze droegen de naam ‘parten’. Het eerste kapitaal dat de V.O.C door middel van een open inschrijving verkreeg, bedroeg 10 miljoen gulden (4.5 miljoen Euro), wat voor tijd een gigantisch bedrag was. Uniek was ook, dat het in de vorm van aandelen bijeengebrachte kapitaal voor lange tijd aan de V.O.C was toevertrouwd. Voordien was het de gewoonte, dat bijvoorbeeld middelen werden aangetrokken om één reis van een Indiëvaarder te financieren. Na terugkomst van het schip met lading werden het geld met eventuele winst aan de geldgevers terugbetaald. Wanneer het schip verongelukte, wat niet zelden gebeurde, waren de geldgevers hun geld kwijt. De verhandelbare actiën van de V.O.C zijn de eerste effecten geweest, die in Amsterdam zijn verhandeld en hebben daardoor de aanloop gevormd voor het ontstaan van een van de oudste effectenbeurzen ter wereld, de Amsterdamse Effectenbeurs. Van groot belang voor de ontwikkeling van de effectenhandel was de oprichting in 1609 van de Amsterdamse Wisselbank. De taak van deze bank was in eerste instantie om de vele naast elkaar in omloop zijnde muntsoorten aan de circulatie te ontrekken, maar al spoedig ontwikkelde zij zich tot een overheidsinstelling die het vertrouwen van het publiek genoot, waardoor aanzienlijke deposito’s bij haar werden geplaatst. Dankzij het gewekte vertrouwen werd giraal betalingsverkeer mogelijk gemaakt, dat vrij snel een grote omvang had. Al spoedig werden de naast de actiën V.O.C, ook obligaties in de effectenhandel opgenomen. Het betrof hier schuldbrieven uitgegeven door de stedelijke en provinciale overheden. De betrouwbaarheid van de schuldbrieven van de Nederlandse overheidsinstanties heeft tot het ontstaan van de obligatie aan toonder geleid. De obligaties werden vooral gekocht door de kooplieden die de winsten van hun zeer profijtelijke zaken wilden beleggen. Nederlandse beleggers speelden in de 18e en 19e eeuw een grote rol in de financiering van buitenlandse investeringen in de particuliere en overheidssector. Door de uitbreiding van de effectenhandel werd de behoefte aan controle op de uitoefening van de beurshandel steeds groter. De noodzaak van reglementen, die misbruik in de effectenhandel zouden tegengaan, werd steeds sterker ervaren. Dit heeft geleid tot de oprichting in 1876 van de ‘Vereniging voor den Effectenhandel’ waarmee de eerste reguliere effectenbeurs een feit was. De naam werd in 1972 gemoderniseerd tot het ‘Vereniging voor de Effectenhandel’. Bij de oprichting beschikte de beurs nog niet over een eigen lokaliteit. Er werd gehandeld in de Koopmansbeurs en in eigen sociëteit. De handel was openbaar, iedereen had toegang. In 1903 kreeg de effectenbeurs een afgesloten lokaliteit in de grote Koopmansbeurs. In 1914 werd voor het eerst een eigen pand betrokken, het Beursplein 5.

De effectenbeurs met haar functies.

De effectenbeurs is een onderdeel van de openbare kapitaalmarkt, waaronder alle transacties in aandelen, obligaties, warrants enzovoort, vallen. Men spreekt van de openbare markt, ook wel effectenmarkt genoemd, wanneer de transacties door tussenkomst van de beurs plaats vinden. De openbare markt kan worden onderverdeeld in de primaire of emissiemarkt, waarop de nieuwe effecten worden gecreëerd en de secundaire markt, waar reeds bestaande effecten worden verhandeld. Op de effectenmarkt kunnen weer twee deelmarkten worden onderscheiden namelijk de obligatiemarkt en de aandelenmarkt. De functies van de effectenmarkt kunnen als volgt worden samengevat:



De beurs is het centrum waar vraag en aanbod op de kapitaalmarkt elkaar ontmoeten.



De marktpartijen, zoals overheid, ondernemingen en beleggers kunnen via de beurs gemakkelijker hun kapitaalbehoeften respectievelijk kapitaaloverschotten op elkaar afstemmen.



Een kapitaalvrager kan het aanbod van vele kleinere aanbieders opnemen, de beurs fungeert als het ware als een trechter. Zonder beurs zou het contact tussen geldvrager en de vele beleggers op individuele basis vrijwel niet tot stand kunnen komen.



Het risico van één fonds kan worden gespreid over vele beleggers; de belegger kan door zijn beleggingen over een aantal fondsen te spreiden het risico om geld te verliezen verminderen.



Beleggingen in effecten kunnen op elk moment door verkoop op de beurs liquide worden gemaakt.



Door de koersvorming als resultaat van vraag en aanbod weet de belegger altijd direct de waarde van zijn effecten.



Organisatie van de Amsterdamse Effectenbeurs

De Vereniging voor de Effectenhandel heeft als doel het bevorderen van de effectenhandel in de ruimste zin. Daartoe wordt een centrale effectenmarkt onderhouden in het belang van de nationale economie in het algemeen en de Nederlandse kapitaalmarkt in het bijzonder. Het is een organisatie met een zeer grote verantwoordelijkheid jegens overheid, bedrijfsleven en kapitaalverschaffers. Haar algemene doel tracht zij onder meer te bereiken door het vaststellen van reglementen, het uitgeven van de Officiële Prijscourant en andere publicaties, het geven van voorlichting en het stimuleren van en toezicht houden op de efficiency en rentabiliteit van het effectenverkeer. Hiertoe heeft de Vereniging onder meer met de effectenhandel samenhangende interprofessionele diensten in het leven geroepen, zoals centrale instituten voor de clearing (afwikkeling en verrekening van effectentransacties) en het girale effectenverkeer. In de reglementen worden regels gegeven over de wijze, waarop effecten op de beurs moeten worden verhandeld en hoe de beurskoersen worden genoteerd. Er zijn duidelijke richtlijnen waaraan instellingen, die aandelen of obligaties uitgeven, moeten voldoen. Aan het hoofd van de Vereniging staat een bestuur, dat bestaat uit vijftien leden en een voorzitter, die onafhankelijk is en is belast met de dagelijkse leiding van het beursbedrijf. De Amsterdamse effectenbeurs staat onder toezicht van de Minister van Financiën. Dit gebeurde, tot zo’n tien jaar geleden, op grond van de Beurswet 1914, waarin was bepaald, dat voor toelating tot de officiële notering ministeriële goedkeuring vereist was. Overigens was de wetgeving ten aanzien van de effectenhandel summier. Hierin is verandering gekomen door de invoering van de nieuwe Wet Toezicht Effectenverkeer (STE). In deze wet wordt onder meer nauwkeurig omschreven wat onder effecten wordt verstaan en wie als bemiddelaar bij aan- en verkoop van effecten mogen optreden. Dit laatste is vooral van belang om te voorkomen, dat er niet te vertrouwen tussenpersonen op de effectenmarkt optreden.



Lidmaatschap

De leden van de Vereniging voor de Effectenhandel kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

Commissionairs, die geen effectenkredieten mogen verlenen

Banken en commissionairs, die wel effectenkredieten mogen verlenen

Hoeklieden .De hoeklieden fungeren op de beursvloer als intermediair tussen de handelende banken en commissionairs, zij mogen geen zaken doen voor derden doch alleen voor eigen rekening. De leden mogen slechts tot één van deze categorieën behoren. Commissionairs en banken mogen niet als hoekman optreden en omgekeerd mag de hoekman niet als commissionair of bank handelen.



Klachtencommissie Effectenbedrijf

Sinds enige jaren is er een Klachtencommissie Effectenbedrijf, bestaande uit een aantal onafhankelijke juristen en deskundigen. Iedereen die zich door een vermeende onjuiste handelwijze op het gebied van effecten door een lid van de Vereniging voor Effectenhandel benadeeld voelt, kan zich tot deze commissie wenden; de uitspraken van de commissie zijn bindend voor de leden.



Kenmerken van de Optiebeurs



De oorsprong van de optiehandel in zijn huidige vorm ligt in de Verenigde Staten, waar het initiatief werd genomen door de CBOT (Chicago Board of Trade), de grootste goederentermijnbeurs ter wereld. Opgericht werd de CBOE (Chicago Board Options Exchange) en in 1973 nam de handel in opties op aandelen een aanvang. Dit nieuwe product op de beleggingsmarkt werd een groot succes, het Amerikaanse publiek reageerde enthousiast en de handel nam van meet af aan grote vormen aan. Aangelokt door dit succes werd ook door diverse andere effectenbeurzen in Amerika de mogelijkheid tot handelen in opties op aandelen geopend. Het succes van de optiehandel in de VS bracht in Amsterdam de Vereniging voor de Effectenhandel ertoe het initiatief te nemen voor de vestiging van een optiebeurs in Nederland. Daartoe werd opgericht de Vereniging European Options Exchange (Europese Optiebeurs). In april 1978 begon de handel. De verwachtingen ten aanzien van deze nieuwe handel op beleggingsgebied bleken aanvankelijk te hoog gespannen. De Nederlandse beleggers toonden weinig interesse, terwijl ook de buitenlandse beleggers het lieten afweten. Na de moeizame eerste jaren werd onder meer door een intensieve voorlichtingcampagne de situatie geleidelijk beter en momenteel is het optiegebeuren niet meer uit onze beleggingswereld weg te denken. Het aantal producten is ook aanzienlijk uitgebreid. Naast de opties in aandelen worden momenteel opties op obligaties, valuta, goud en aandelenindexcijfers verhandeld.



Optiebeurs

De Optiebeurs – officieel geheten: Vereniging European Options Exchange – is opgericht naar Nederlands recht en staat eveneens onder toezicht van de eerder genoemde Stichting Toezicht Effectenverkeer. De taken van de optiebeurs zijn:

Het mogelijk maken van de handel in opties door het verlenen van faciliteiten aan de handelaren.

Het vaststellen van regels voor de handel en het houden van toezicht op de naleving daarvan.

Het verzamelen en verstrekken van informatie betreffende de optiehandel (koersinformatie, voorlichting aan publiek).

De afwikkeling van de op de Optiebeurs tot stand gekomen transacties.



Een belangrijk orgaan van de Optiebeurs is de Clearing Corporation. Haar taken zijn al eerder beschreven (hoofdstuk 1, opties).



Lidmaatschap

De Optiebeurs kent de volgende categorieën leden:



Public Order Member (POM). Dit zijn banken en commissionairs, die orders van het publiek mogen aannemen en ervoor zorgdragen dat deze orders op de beurs door een Floor Broker worden uitgevoerd.



Floor Broker (FB). Deze mag voor andere leden, meestal POM’s, en voor eigen rekening transacties op de boersvloer uitvoeren.



Market Maker (MM). De Market Maker is een handelaar in opties, die uitsluitend voor eigen rekening mag handelen. Hij is verplicht doorlopend bied- en laatprijzen (koop- en verkoopprijzen) af te geven voor de opties. Zijn positie valt enigszins te vergelijken met die van de hoekman op de effectenbeurs.

Clearing Member (CM). Zodra een order is uitgevoerd door een Floor Broker of een Market Maker worden de gegevens van de transactie doorgegeven aan de Clearing Member bij wie zij zijn aangesloten. Deze verzorgt dan de administratieve afwikkeling met de Clearing van de beurs.



Public Order Correspondent Member (POCM). Deze fungeert ten opzichte van het publiek gelijk aan de POM. Het verschil is dat de POCM de orders niet rechtsreeks aan de FB mag doorgeven, maar dit moet doen via de POM waarmee hij samenwerkt.

Off Floor Trader (OFT). Deze mag uitsluitend via eigen rekening handelen en mag dus geen orders van het publiek accepteren. Hij heeft zelf geen toegang tot de beursvloer maar moet zijn order door een FB laten uitvoeren.

Het is Market Makers niet toegestaan tevens tot meer dan één van de categorieën te behoren. Voor andere leden zijn bepaalde combinaties van lidmaatschap wel mogelijk. Zo is een aantal banken zowel POM als FB en CM, zij mogen echter geen MM zijn.



Klachtencommissie Optiebeurs

Evenals bij de effectenbeurs het geval is kunnen beleggers, die menen door een onjuiste handeling van een lid van de Optiebeurs benadeeld te zijn, zich wenden tot een onafhankelijke commissie, de Klachtencommissie Optiebeurs. Uitspraken die deze commissie doet zijn bindend voor leden van de Optiebeurs.



Profielwerkstuk Beleggen

Niels van den Oever & Barend Biesheuvel

Economie



Deelvraag 2



Wat is een beleggingsfonds?



Een beleggingsfonds beheert een groot pakket beleggingen, bijvoorbeeld aandelen. Als je deel neemt in een beleggingsfonds beleg je dus direct in een groot aantal verschillende bedrijven.

De beheerders van een beleggingsfonds houden dagelijks het economische en financiële nieuws voor je bij. Zij kopen en verkopen aandelen en beleggen je dividenden( die je gekregen hebt door dit beleggingsfonds) opnieuw. Zij weten precies welke economische en financiële ontwikkelingen invloed hebben op jouw beleggingsfonds, en zij volgen kritisch de bedrijven waarin belegd wordt. Kortom je hebt er geen omkijken naar. Je hoeft je dus alleen met beleggen bezig te houden als je daar zelf zin in hebt. Nodig is dit dus niet, want alles wordt voor je geregeld en bijgehouden. Doordat heel veel beleggers deelnemen, bedraagt het totale vermogen van een beleggingsfonds vele miljoenen guldens. Hierdoor kan het fonds in een groot aantal verschillende bedrijven beleggen. Gaat het met een van die bedrijven minder goed, dan kan dit rechtgetrokken worden door de goede resultaten van de andere beleggingen. Je beleggingen zijn daardoor minder gevoelig voor koersschommelingen.

Bijna alle grotere beleggingsmaatschappijen, zoal ABN AMRO, OHRA, AMEV en Spaarbeleg adviseren je alleen te beleggen met geld dat je minimaal de komende drie jaar niet nodig denkt te hebben. Bij een korte looptijd is de waarde van je beleggingen te gevoelig voor koersschommelingen. Elke soort van beleggen brengt risico’s met zich mee. Beleggen geeft je de kans op een hoger maar ook een lager dan gemiddeld rendement. In Het fonds koopt en verkoopt aandelen in het groot. Dit zorgt voor lage kosten. Je hoeft alleen rekening te houden met de ‘aan’ en ‘verkoop’ kosten. Die worden berekend als je aandelen in het fonds koopt of verkoopt. Vaak hebben beleggingsmaatschappijen acties, dit kan bijvoorbeeld zijn dat je de komende tijd op een beleggingsfonds geen aankoopkosten hoeft te betalen. Ja kan dus gratis instappen. Als je over beleggingen praat met duizenden kan dat toch een heel groot bedrag besparen. Door deze acties proberen de beleggingsmaatschappijen de twijfelaars over de streep te t Er zijn inmiddels veel verschillende soorten beleggingsfondsen. Er zijn verschillende in het soort beleggingscategorie (aandelen, obligatiefondsen, geldmarktfondsen, mixfondsen) en bijvoorbeeld in sector, regio of land. Ook combinaties zijn mogelijk.



Aandelenfondsen



Aandelenfondsen beleggen in bedrijven die met dat geld produceren, innoveren en concurreren.



Er is een brede keuze aan aandelenfondsen. Op verschillende manieren onderscheiden de fondsen zich van elkaar. Zo beleggen de fondsen onder ander op de volgende manieren.



- wereldwijd

- in een geografische regio

- in een specifiek land

- in gerenommeerde bedrijven

- in kleine snel groeiende bedrijven (midkaps)

- in specifieke sectoren (bijv. Informatie Technologie of financials)

- in opkomende markten (emerging markets)rekken. het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.



Profielwerkstuk Beleggen

Niels van den Oever & Barend Biesheuvel

Economie



Deelvraag 3



Wat zijn effecten en obligaties?



Effecten zijn waardepapieren en zouden enigszins met bankbiljetten kunnen worden vergeleken. Er is echter een verschil. Bankbiljetten hebben een vaste waarde die blijkt uit de tekst van het biljet en kunnen daardoor als een door iedereen geaccepteerd betaalmiddel worden gebruikt. Effecten daarentegen hebben geen vaste waarde, zij ontlenen hun waarde aan rechten (recht op een bepaalde rente, recht op een aandeel in de winst, enz.) die eraan zijn verbonden. De waarde van een effect wordt bepaald door de prijs, die men bereid is voor het verkrijgen van die rechten te betalen. Omdat hier sprake is van een subjectieve beoordeling van een toekomstverwachting zal deze prijs (koers) niet constant zijn en steeds fluctueren. In dit hoofdstuk wordt besproken hoe effecten ontstaan en wordt iets verteld over de vier soorten effecten die voor de particuliere belegger van belang zijn. Tot slot volgt er nog een stukje over het Centrum voor Fondsenadministratie.



Het ontstaan van effecten

De overheid en het bedrijfsleven hebben regelmatig nieuw kapitaal nodig om hun uitgaven en investeringen te kunnen financieren. Voor een belangrijk deel wordt in die behoefte voorzien door de uitgifte van effecten (emissie). De beleggers kunnen door in te schrijven op een emissie tegen betaling van een vastgestelde prijs (emissiekoers) de effecten verwerven. Verreweg de meeste effecten worden na de emissie toegelaten tot verhandeling op de effectenbeurs, zodat de belegger de uit de emissie verkregen effecten elke beursdag kan verkopen. De overheid is de grootste geldvrager op de Nederlandse kapitaalmarkt. In 1991 werd ruim F 40 miljard (18 miljard euro) via obligaties geleend en, gezien het financieringstekort van de Staat, moet worden verwacht dat de kapitaalbehoefte in de komende jaren nog zeer groot zal blijven. Er zijn vele soorten effecten, waarvan de kenmerken onderling sterk uiteenlopen.



Van belang voor de particuliere belegger zijn:

Obligaties

Aandelen

Warrants

Opties.



Obligaties

Wanneer de overheid of een bedrijf overgaat tot het lenen van gelden door middel van een openbare emissie, dan zullen de beleggers die hieraan deelnemen uiteraard een bewijsstuk willen hebben, waaruit blijkt dat zij geld aan de uitgevende instantie hebben geleend. De emitterende instelling geeft daarom schuldbekentenissen af: obligaties. De obligaties kunnen in diversen grootten (coupures) worden uitgegeven. De tekst van de obligatie dient onder meer in te houden:

naam en vestigingsplaats van de uitgevende instelling (debitrice)

het bedrag van de obligatie (nominale waarde)

het rentepercentage en de datum van betaling ervan (meestal eens per jaar)

de datum waarop de obligatie zal worden afgelost (aflossingsvoorwaarden).



Een obligatie bestaat uit twee delen:

De mantel, dat is de feitelijke schuldbekentenis

het couponblad, dit bestaat uit een aantal kleine bewijsjes (coupons). Op elke coupon staat de datum en het bedrag van de periodieke (meestal jaarlijkse) rentebetaling vermeld, tegen inlevering van de coupon kan de belegger vanaf die datum de rente incasseren.



Er bestaan talrijke soorten obligaties en vele varianten op de aflossingsschema’s. Obligaties zijn uitermate geschikt als beleggingsmedium voor de belegger, die jaarlijks een vaste rente wil ontvangen en het door hem geïnvesteerde bedrag bij de aflossing terug wil zien. Hij loopt daarbij de volgende algemene risico’s:



Inflatierisico. Door inflatie kan de koopkrachtwaarde van de jaarlijkse rente en de uiteindelijke aflossing lager zijn dan op het moment van investering.



Renterisico. Bij stijging van de rentestand na de investering zal de obligatie bij verkoop op de beurs minder opbrengen dan is geïnvesteerd.



Ondernemingsrisico. Wanneer het met de uitgevende instelling financieel mis gaat, loopt de belegger kans zijn geïnvesteerde bedrag geheel of gedeeltelijk kwijt te raken.



Valutarisico. Dit is van toepassing op obligaties in een andere dan de eigen valuta. De opbrengst in euro’s van rente en aflossing is afhankelijk van de op het moment van betaling geldende wisselkoers.



Aandelen

Een effect van geheel andere aard dan de obligatie is het aandeel. De eigenaar van een aandeel (aandeelhouder) is samen met eventuele aandeelhouders mede-eigenaar van een vennootschap (NV of BV). Het aandeel is het bewijs van deelneming in het kapitaal van die vennootschap. Wanneer een vennootschap nieuwe gelden wil aantrekken voor financiering van zijn activiteiten dan moet een keuze worden gemaakt uit twee mogelijkheden:



Lenen, dit kan bijvoorbeeld door een krediet bij de bank op te nemen of door een emissie van obligaties. De op deze wijze aangetrokken gelden worden balanstechnisch ‘Vreemd vermogen’ genoemd. Er ontstaat een schuld, die weer moet worden afgelost. Over de schuld moet rente worden betaald.



Uitgifte van nieuwe aandelen (emissie). Het uitstaande aandelenkapitaal wordt dus vergroot met de nieuw uit te geven aandelen. De opbrengst van deze aandelenemissie wordt balanstechnisch ‘Eigen vermogen’ genoemd. Aflossing vindt niet plaats, de aangetrokken middelen blijven permanent tot het vermogen van de vennootschap behoren.



Welke keuze de vennootschap zal maken hangt af van een groot aantal factoren, zoals:

de balanspositie van de onderneming

de bestemming van de aan te trekken middelen

de rentestand op de kapitaalmarkt

de stemming op de aandelenmarkt



Een kenmerkend verschil met obligaties is dat aandelen in tegenstelling tot obligaties nimmer worden afgelost. Er zijn echter meer essentiële verschilpunten. Op de obligaties wordt jaarlijks een vast percentage aan rente vergoed. De aandeelhouder daarentegen deelt in de lusten en lasten van de vennootschap, waarvan hij mede-eigenaar is. Dit betekent dat hij, bij een goede gang van zaken bij de onderneming, een hogere winstuitkering zal ontvangen. Gaat het minder goed of slecht met het bedrijf, dan zal de winstuitkering lager zijn of zelfs uitblijven. Winstuitkeringen op aandelen worden dividend genoemd. Het wordt uitbetaald na afloop van het boekjaar, nadat de jaarcijfers van de vennootschap door de algemene vergadering van de aandeelhouders zijn goedgekeurd. Vele vennootschappen willen hun aandeelhouders niet zo lang op hun winstuitkering laten wachten en keren in de loop van het boekjaar reeds een deel van het te verwachten dividend uit, dit wordt het interim-dividend genoemd. Na beëindiging van het boekjaar wordt het totale dividend over het boekjaar vastgesteld en vervolgens, onder aftrek van het interim-dividend, betaalbaar gesteld, dit is het slotdividend.

De aandeelhouder heeft dus recht op winstuitkering. Hij heeft voorts het recht om aanwezig te zijn op ten minste één maal per jaar te houden algemene vergadering van aandeelhouders. Hij kan daar het woord voeren en heeft stemrecht. De juridische constructie van de vennootschap bepaalt over welke zaken de aandeelhouder mag stemmen. De Nederlandse vennootschapswetgeving kent namelijk twee soorten NV’s:

De gewone vennootschap

De structuurvennootschap.



Bij de gewone vennootschap heeft de algemene vergadering van aandeelhouders het recht van benoeming van directie en commissarissen alsmede van vaststelling van de jaarstukken en het dividend. Bij de structuurvennootschap zijn de rechten van de aandeelhouders aanzienlijk beperkter. De algemene vergadering van aandeelhouders kan alleen de jaarstukken goedkeuren of weigeren goed te keuren. In het laatste geval zullen de commissarissen nieuwe jaarstukken moeten opstellen en kan er voorshands geen dividend worden uitgekeerd. Aandeelhouders hebben in dit geval dus geen invloed op benoemingen van directie en commissarissen en op de vaststelling van de jaarstukken en het dividend.

Evenals bij obligaties zal de aandeelhouder over een bewijs willen beschikken, waaruit blijkt, dat hij mede-eigenaar van de betreffende vennootschap is. Dit papier wordt het ‘bewijs van aandeel’ of kortweg ‘aandeel’ genoemd. Ook het aandeel bestaat uit twee gedeelten: de mantel en het dividendblad. De mantel is het feitelijke bewijs van eigendom. De belangrijkste punten in de tekst van de mantel zijn:

De naam en plaats van vestiging van de uitgevende vennootschap.

Het aantal aandelen, dat het aandeelbewijs vertegenwoordigt. Wanneer bij grote vennootschappen voor elk uitstaand aandeel een aandeelbewijs zou moeten worden verstrekt, zou dit betekenen, dat vele tientallen miljoenen stuks moeten worden aangemaakt. Om praktische redenen bestaan er daarom aandeelbewijzen, die bijvoorbeeld recht geven op 10, 100, 1000 aandelen.

De nominale waarde per aandeel. Onder nominale waarde wordt verstaan het bedrag waarvoor het aandeel op de balans van de vennootschap onder het hoofd ‘Aandelenkapitaal’ is opgevoerd.



Jaren geleden was de nominale waarde belangrijk omdat de beurskoers van aandelen werd uitgedrukt in procenten van die nominale waarde. Dit systeem is echter sinds jaren verlaten, de koers wordt nu uitgedrukt in euro’s per aandeel. Er is geen enkele relatie tussen de koerswaarde en de nominale waarde. Evenals bij het couponblad bestaat het dividendblad uit een aantal kleine bewijsjes, in dit geval dividendbewijzen genoemd. Op de dividendbewijzen staat geen datum maar een volgnummer. Wanneer een dividend wordt uitgekeerd, maakt de vennootschap bekend welk nummer voor betaalbaarstelling wordt aangewezen. Tegen inlevering van het betreffende dividendbewijs kan de aandeelhouder dan het dividend incasseren. Bovenaan het dividendblad zit meestal een strook, talon genaamd. Wanneer alle dividendbewijzen zijn gebruikt, kan tegen inlevering van deze talon een nieuw dividendblad worden verkregen.

De risico’s bij het beleggen in aandelen worden in een apart hoofdstuk, hoofdstuk 3, besproken. Dit omdat de risico’s bij het beleggen in aandelen groter zijn dan die bij het beleggen in obligaties. Beleggen in aandelen kent ook meer risico’s dan beleggen in obligaties.



Warrants

Een geheel aparte plaats in de effectenwereld wordt ingenomen door de warrant, die als volgt kan worden gedefinieerd: een warrant is een waardepapier, dat een recht (geen plicht) vertegenwoordigt om gedurende een vastgestelde tijd (de looptijd) een bepaald aantal aandelen of obligaties van de uitgevende instelling te kopen, tegen een bij de uitgifte van de warrant vastgestelde prijs (de uitoefenprijs). De warrant is noch aandeel noch obligatie, maar vormt alleen een opstapje om – wanneer de houder dat wenst – gedurende de looptijd op het door hem gekozen tijdstip de aandelen of obligaties te kopen. Hij zal dit uiteraard alleen doen als dit voor hem voordelig is, dus wanneer de uitoefenprijs lager is dan de beurskoers van de te kopen aandelen of obligaties. De warrants hebben een eigen notering op de beurs De uitgifte van warrants vindt veelal plaats in combinatie met een aandelen- of obligatie-emissie. Beleggers, die inschrijven op een dergelijke emissie verkrijgen, naast de stukken waarop wordt ingeschreven, tevens één of meer warrants. Er zijn diverse mogelijkheden om warrants uit te geven:



Bij een aandelenemissie wordt per nieuw aandeel een warrant verstrekt, die in een bepaalde periode recht geeft op één of meer nieuwe aandelen tegen een vooraf vastgestelde koers.



Bij een obligatie-emissie wordt per nieuwe obligatie een warrant verstrekt, die gedurende de looptijd recht geeft op één of meer nieuwe aandelen tegen een vooraf vastgestelde prijs. Het kan ook voorkomen dat de warrant recht geeft op verkrijging van nieuwe obligaties.



Er worden warrants gratis uitgedeeld aan de aandeelhouders.

Het koppelen van de uitgifte van warrants aan een emissie van obligatie of aandelen wordt door de uitgevende instelling veelal gedaan om hierdoor de kans op slagen van de emissie te vergroten.

Bij warrants is geen sprake van directe, maar van afgeleide risico’s, namelijk die van de stukken waarop de warrants recht geven. Warrants die recht geven op obligaties brengen de risico’s van obligaties met zich mee en warrants die recht geven op aandelen brengen de risico’s van aandelen met zich mee. Een interessant aspect van warrants wordt gevormd door het zogenaamde ‘hefboomeffect’, wat dat betekent blijkt uit het volgende voorbeeld: de aandelen van de NV Notenboom hebben een koers van 80 euro. Er staan warrants uit die recht geven op 1 aandeel tegen een koers van 80 euro. De beurskoers is gelijk aan de uitoefenprijs en er is dus geen intrinsieke waarde (= verschil beurskoers en uitoefenprijs). De warrants worden op de boers verhandeld voor 10 euro, de koers bestaat dus alleen uit premie (= prijs die een koper ervoor over heeft om gedurende de resterende looptijd de warrant te bezitten). Stel dat de beurskoers van de aandelen stijgt tot 120 euro, dit betekent ten opzichte van de koers van 80 euro een stijging van 40 euro, of 50%. Bij een ongewijzigde premie van 10 euro betekent dit een beurskoers van 50 euro voor de warrant. Ten opzichte van de uitgangskoers van 10 euro betekent dit een stijging van 40 euro, oftewel 400% tegen slechts 50% bij de aandelen. Dit wordt het hefboomeffect genoemd. Bij een koersdaling werkt dit effect evenzeer maar dan in negatieve zin.

Op warrants wordt geen rente of dividend betaald, het is dus een belegging zonder rendement (= opbrengst rente van een obligatie of dividend van een aandeel). Ook voor de warrants worden door de uitgevende instelling stukken uitgegeven. Deze zijn vrij eenvoudig uitgevoerd, het coupon of dividendblad ontbreekt namelijk. In de tekst zijn onder meer opgenomen:

naam en plaats van vestiging van de uitgevende instelling

het aantal aandelen of obligaties waarop de warrant recht geeft

de uitoefenprijs

de looptijd van het recht tot uitoefening.



Warrants geven recht op door de uitgevende instelling te emitteren nieuwe aandelen of obligaties. Tegenwoordig is dit niet helemaal meer zo. Er zijn namelijk ook warrants op de markt gebracht, die zijn uitgegeven door partijen die bijvoorbeeld een groot pakket aandelen in een onderneming bezitten. Ook deze warrants geven het recht om gedurende een bepaalde looptijd tegen een vooraf vastgestelde koers de aandelen te kopen. De uitoefenprijs is uiteraard hoger dan de beurskoers ten tijde van de uitgifte van de warrants. Dit soort warrants vergroot het aandelen kapitaal niet.



Deelvraag 4



Hoe komt een koers van een aandeel of obligatie tot stand?



De kunst van het beleggen is het voorzien van een koersdaling of een koersstijging waardoor je weet wanneer je je aandelen of obligaties moet kopen of verkopen, daardoor dus winst kunt maken. Hoe je deze koersdalingen of koersstijgingen kunt voorspellen wordt in dit hoofdstuk aan de hand van factoren die bijdragen aan koersschommelingen besproken.



Vertrouwen, vraag en aanbod

De koerswaarde van een aandeel en obligatie wordt bepaald door vraag en aanbod. Is er veel vraag naar een bepaald aandeel stijgt de koers van dit aandeel. Is er veel aanbod van een aandeel dan daalt de koerswaarde van dit aandeel.

Of er veel vraag is naar een aandeel van een bedrijf hangt af van het vertrouwen dat beleggers in dat bedrijf hebben. Hebben ze veel vertrouwen in een bedrijf willen ze veel aandelen van dat bedrijf kopen. Hebben beleggers weinig vertrouwen in een bedrijf zullen ze de aandelen van dat bedrijf niet kopen of, wanneer ze aandelen van dat bedrijf in hun bezit hebben, verkopen. De mate van vertrouwen hangt af van:

Aard van een bedrijf

Hoeveelheid dividend dat een bedrijf uitkeert

Het verleden van een bedrijf of sector

De toekomstverwachtingen van een bedrijf of sector

Algemene economische situatie van een land

Geruchten

Terroristische aanslagen.



De aard van een bedrijf

De aard van een bedrijf bepaalt de mate van koersschommelingen. Een bedrijf uit de kapitaalgoederen sector is veel gevoeliger voor koersschommelingen dat een bedrijf uit de levensmiddelen sector (zie ook H4: Conjunctuurrisico).



Dividend

Keert een bedrijf veel dividend uit betekent dit dat het bedrijf veel winst heeft gemaakt. Dit geeft vertrouwen voor de toekomst, waardoor de koerswaarde van het aandeel kan gaan stijgen. Omgekeerd is het natuurlijk ook zo dat wanneer een bedrijf geen of nauwelijks dividend uitkeert, de koerswaarde van het aandeel kan gaan dalen. Echter in sommige gevallen keren de ondernemingen bewust geen dividend uit omdat ze de behaalde winst willen gebruiken voor de financiering van investeringen in de toekomst. Dit kan ook vertrouwen opwekken bij beleggers waardoor het aandeel kan gaan stijgen.



Verleden

Een bedrijf dat al geruime tijd goede resultaten behaalt geniet logischerwijs meer vertrouwen dan een bedrijf dat een aantal jaren slecht draait en veel verlies lijdt. De vraag naar aandelen van het winstgevende bedrijf zal daardoor hoger zijn dan de vraag naar aandelen van het verlieslijdende bedrijf, waardoor de koers van het aandeel van het winstgevende bedrijf een grotere kans op stijgen heeft dan de aandelen van het verlieslijdende bedrijf.

Het vertrouwen hangt ook af van de prestaties in het verleden van de economische sector, waarin een bedrijf zich bevindt.

De behaalde resultaten van een bedrijf in een jaar worden gepubliceerd in het jaarverslag.



Toekomst

Toekomstverwachtingen spelen een belangrijke rol bij de mate van vertrouwen die beleggers hebben in een bedrijf of sector. Komt een bedrijf bijvoorbeeld met hoge winstverwachtingen neemt hierdoor het vertouwen in dat bedrijf toe. Met dit vertouwen kan ook de vraag naar aandelen van dit bedrijf toenemen en kan daardoor de koerswaarde van dat aandeel stijgen. Komt een bedrijf daarentegen met een winstwaarschuwing, d.w.z. dat een bedrijf eerdere gemaakte voorspellingen over de winst corrigeert – naar beneden wel te verstaan- zal het vertouwen in dat bedrijf afnemen, evenals de vraag, waardoor de koerswaarde van dat aandeel kan gaan dalen.

Het vertouwen dat beleggers hebben in een economische sector hangt af van de toekomstverwachting van een bepaalde sector. Deze positieve of negatieve vooruitzichten komen voort uit voorspellingen gedaan door beleggers, overheden, bedrijven, organisaties, enz.



Algemene economische situatie

Ook de algemene economische situatie in een land draagt bij in de mate van vertrouwen die beleggers hebben. In een land waar het economisch slecht gaat, en de vooruitzichten ook niet al te best zijn, zullen de bedrijven waarschijnlijk niet goed draaien. Hierdoor hebben beleggers weinig vertrouwen in de toekomst van die bedrijven. De aandelen van die bedrijven zullen niet erg gewild zijn bij de beleggers waardoor de koerswaarde van de aandelen kan dalen.

Gaat het daarentegen een land economisch voor de wind, zal dit vertrouwen bij de beleggers opwekken waardoor aandelen, van de in dat land gevestigde bedrijven, populair zullen zijn. Hierdoor kan de waarde van de aandelen van die bedrijven stijgen.



Terroristische aanslagen

Wat voor impact een terroristische aanslag op de economie kan hebben we natuurlijk allemaal kunnen zien na 11 september 2001. Door die aanslag daalden vele aandelen in een rap tempo.



Geruchten

Bij sommige fondsen kan de kans op een fusie, of andere geruchten een rol spelen (b.v. succesvolle olieboring bij een oliemaatschappij) bij koersstijgingen of dalingen.



Deelvraag 5



Is het verstandig om op dit moment in te stappen met beleggen?



Wij zijn van mening dat het op dit moment niet verstandig is om in te stappen met het beleggen. We zitten namelijk op dit moment in een economische crisis. Wij gaan verder verklaren wat een aantal risico’s van beleggen zijn:



Bij beleggen gaat het in wezen om twee kanten van dezelfde medaille: het risico op verlies en de kans op rendement. Een belegger zal een zeker evenwicht moeten vinden tussen de risico’s die hij aanvaardbaar acht, zonder daarbij teveel afbreuk te hoeven doen aan de kansen op het behalen van een aantrekkelijk rendement. En andersom natuurlijk. Het inschatten van risico’s en kansen is een zaak van individuen . Persoonlijke karaktertrekken en emotionele gevoelsovertuigingen, zoals angst en hebzucht, spelen daarbij een belangrijke rol. Zij bepalen voor een niet onbelangrijk deel het gedrag van mensen en zeker dat van beleggers. Over de lange termijn zal de waarde van aandelen bepaald worden door fundamentele beleggingcriteria, kortom door zaken als groeivooruitzichten, reële verwachtingen ten aanzien van dividenduitkeringen, enzovoort. Op de korte termijn kan angst en hebzucht de waarde, dat wil zeggen de koers of de prijs van aandelen ver boven of beneden hun reële waarde doen uitstijgen respectievelijk doen dalen. Angst en hebzucht kunnen ook een financiële ramp betekenen voor beleggers. Hebzucht kan beleggers ertoe brengen uiterst risicovolle beleggingen te doen die uiteindelijk tot afname van het vermogen kan leiden.

Bij het beleggen in aandelen zijn verschillende risico’s te onderscheiden. Dit hoofdstuk behandelt het ondernemingsrisico, conjunctuurrisico, valutarisico en het algemeen beursrisico.



Ondernemingsrisico

Een aandeel is een bewijs van deelname in het kapitaal van een vennootschap met recht op winstdeling, indien er genoeg winst gemaakt wordt. Is er niet genoeg of helemaal geen winst, dan ontvangt de aandeelhouder in principe geen dividend. De koers van dat aandeel zal in dat laatste geval, afhankelijk van de verdere vooruitzichten van de vennootschap, dalen. Is de winst daarentegen toegenomen en zijn er goede vooruitzichten, dan zal de koers stijgen. De gang van zaken in het betreffende bedrijf en in de betreffende bedrijfstak in het algemeen, zijn dan ook risico’s voor de belegger in aandelen waarmee hij rekening moet houden. Het is ook mogelijk dat de betreffende bedrijfstak een vrij gunstige ontwikkeling vertoont, maar dat dit niet in de resultaten van het bedrijf waarvan men aandelen bezit, tot uitdrukking komt. Een slecht management zou daar de oorzaak van kunnen zijn. Dat slechte management kan bijvoorbeeld te grote voorraden, een verouderd productieproces, een verkeerd product of te grote schulden betreffen. Deze risico’s, die het bedrijf zelf betreffen, worden het ondernemingsrisico genoemd.



Conjunctuurrisico

Een ander belangrijk risico is het conjunctuurrisico. Hiermee wordt bedoeld, de mate waarin een bedrijfstak en ook een specifiek bedrijf reageert op de golfbewegingen in de economie. Aandelen van bepaalde bedrijven zijn sterk conjunctuurgevoelig en andere weer niet zo sterk. De kapitaalgoederenindustrie (machinefabrieken, hoogovens) is bijvoorbeeld zeer sterk conjunctuurgevoelig. Zodra de conjunctuur de eerste verschijnselen vertoont van een naar beneden gaande lijn, zal de kapitaalgoederenindustrie dat als eerste merken in haar afzet. De bedrijven die uit willen breiden hebben dan de neiging de aanschaf van nieuwe machines voorlopig even uit te stellen. Andersom, als de conjunctuurlijn zich weer naar boven beweegt, dan zal de kapitaalgoederenindustrie de laatste zijn die weer volop orders krijgt. De bedrijven moeten eerst meer zekerheid hebben dat de opgaande lijn blijvend is voordat zij weer gaan uitbreiden. Levensmiddelen zijn daarentegen veel minder conjunctuurgevoelig. Weliswaar zal het assortiment in de neergaande lijn van dure naar minder dure waren kunnen verschuiven, maar levensmiddelen moeten we allemaal blijven kopen om in leven te blijven. Luxe artikelen zijn weer conjunctuurgevoeliger dan levensmiddelen. Zo zijn er verschillende gradaties in de mate van conjunctuurgevoeligheid aan te brengen.



Valutarisico

Het valutarisico is een risico waarmee vooral de aandeelhouders van de grote internationaal georiënteerde bedrijven en van de veel exporterende bedrijven rekening mee moeten houden. Als bijvoorbeeld een veel naar Amerika exporterend bedrijf bij een daling van de dollar zijn prijzen gelijk houdt, zal dat bedrijf minder winst maken. Als dat bedrijf bijvoorbeeld een product in Amerika verkoopt voor $ 1000,- en de dollarkoers is F 2,50 (1,14 euro) dan zal dat bedrijf hiervoor F 2.500,- (1136 euro) ontvangen. Daalt de dollar naar F 2,- (0,91 euro) dan zal dat bedrijf nog maar F 2.000,- (909 euro) ontvangen. Het bedrijf zou haar prijs dan kunnen verhogen naar $ 1250,- zodat de opbrengst gelijk blijft. Maar door zo’n prijsverhoging verliest het wellicht zijn concurrentiepositie aan Amerikaanse bedrijven, die datzelfde product nog steeds voor $ 1000,- verkopen. Ook in een dergelijke situatie komt de winst onder druk te staan.



Algemeen beursrisico

Beursrisico loopt een aandelenbezitter altijd. De koersschommelingen op de beurs houden vooral verband met de gang van zaken in het betreffende bedrijf en de bedrijfstak. Daarnaast spelen ook economische, politieke en emotionele factoren een rol van betekenis. Deze factoren hebben invloed op alle aandelenkoersen. Soms zijn ze zo belangrijk, vooral in negatieve zin, dat ze een enorme koersdaling voor alle aandelen veroorzaken. In 1929 deed zich al zo’n vrij plotselinge enorme koersdaling voor met wereldwijde gevolgen, beter bekend al de beurskrach van 1929. Op 19 oktober 1987 – de maandag die later ‘black Monday’ werd genoemd – werden de effectenbeurzen in de hele wereld door een financiële aardbeving getroffen. In één dag gingen de aandelenkoersen met 22,6% naar beneden. Achteraf worden dan heel aannemelijke verklaringen gevonden, zoals de te hoge aandelenkoersen, de rentestand, de Amerikaanse betalingbalans en de positie van de dollar. Desondanks kwam de tuimeling van de koersen als een grote verrassing. Het beursrisico komt maar zelden tot uitdrukking in een dergelijk debacle. Meestal is het beursrisico beperkter van omvang. Als de koersen op de beurs nauwelijks reageren op bepaalde gunstige berichten omdat veel mensen en ook een deel van de beroepshandel op vakantie zijn, hebben we eveneens te maken met dit algemeen beursrisico. De geleidelijke afbrokkeling van koersen bij weinig handel behoort eveneens tot dit risico, al is het risico dan veel beperkter.



Slotconclusie



Achteraf, na al die weken en dagen van hard zwoegen aan ons profielwerkstuk, zijn we er achter gekomen dat er nog al wat risico’s aan het beleggen zijn verbonden, zoals we onder andere bij deelvraag 5 hebben uitgelegd, daar hebben we alle problemen die we konden vinden beschreven. Dat gaf ons ook het antwoord op de hoofdvraag. Eerst dacht ik (Niels) altijd dat het beleggen niet zo moeilijk was en dat je er makkelijk geld mee kon verdienen. Je gaat naar de bank, zegt welk fonds je wilt, en een paar weken later heb je winst gemaakt met je fonds. Maar zo zit het dus niet in elkaar. Zelf heb ik ook een paar fondsen gekocht van de ING Bank. Dat is een zeer betrouwbaar fonds maar toch kan je niet altijd er op vertrouwen. Vandaar het citaat: “In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”. Van het maken van dit werkstuk hebben we zelf wel zeer veel geleerd en zijn we achteraf toch blij dat we het afhebben. In het begin zaten we een beetje vast en kwamen we er niet echt meer uit. Vandaar dat we een poging deden om het over Schiphol te houden. Gelukkig werd dat afgekeurd achteraf, want toen we weer verder gingen met dit profielwerkstuk ging het allemaal veel makkelijker. We hebben er nogal wat tijd aan moeten besteden op het eind, maar zijn toch blij dat we het toch nog net op tijd af hebben gekregen. Ook al hebben we er geen 40 SLU per persoon aan gezeten, ik denk wel dat dit een profielwerkstuk is dat naar behoren is. Ik denk zelf dat het ook een beetje onmogelijk is om er 40 uur per persoon aan te werken, het is nu al zeer uitgebreid, kan je nagaan als we er nog langer over hadden gedaan.



Logboek Niels



• Hoofdvraag geformuleerd Tijd: 1 uur

• Deelvragen geformuleerd Tijd: 1,5 uur

• Bronnen gezocht voor deelvragen Tijd: 4 uur

• Informatie geselecteerd voor deelvragen Tijd: 3 uur

• Stappenplan bijgehouden Tijd: 1 uur

• Deelvraag 1 beantwoord Tijd: 4,5 uur

• Deelvraag 3 beantwoord Tijd: 2 uur

• Deelvraag 5 beantwoord Tijd: 5 uur

• Hoofdvraag informatie gezocht en uitgewerkt Tijd: 3 uur

• Werkstuk aangemaakt en samen met barend

gemaakt Tijd: 7 uur

• Afspraken met begeleider Tijd: 1 uur

• Lay-out werkstuk Tijd: 2 uur



Logboek Barend



• Hoofdvraag geformuleerd Tijd: 1 uur

• Deelvragen geformuleerd Tijd: 1,5 uur

• Bronnen gezocht voor deelvragen Tijd: 3,5 uur

• Informatie geselecteerd voor deelvragen Tijd: 3,5 uur

• Stappenplan bijgehouden Tijd: 1 uur

• Deelvraag 2 beantwoord Tijd: 2 uur

• Deelvraag 4 beantwoord Tijd: 5 uur

• Deelvraag 5 beantwoord Tijd: 4 uur

• Hoofdvraag informatie gezocht en uitgewerkt Tijd: 4 uur

• Werkstuk aangemaakt en samen met Niels

gemaakt Tijd: 7 uur

• Afspraken met begeleider Tijd: 1 uur

• Lay-out werkstuk Tijd: 2 uur



Bronvermelding:



• www.iex.nl

• www.euronext.com

• www.rabobank.nl

• www.robeco.nl

• www.aandelenpagina.nl

• http://www.iex.nl/special/default.asp?SpecialID=17&colid=7594

• http://www.tijd.be/beleggen/wegwijs_in_beleggen/aandelen/artikel.asp?Id=545881

• http://www.eurobench.com/cursus/03-1.asp

• http://www.eurobench.com/cursus/02-2.asp

• http://www.behr.nl/Beurs/oneliners.html