Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Duits Grammatica

Samenvatting Duits


Niveau: 3 VWO

Taal:

Opmerking: Een samenvatting van wat Duitse Grammatica. Hopelijk hebben jullie er iets aan.


Bekeken: 15925 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen





Inhoudsopgave:

I. Lidwoorden
II. Persoonlijk Voornaamwoorden
III. Keuzevoorzetsels
IV. Voorzetsels
V. Gebiedende wijs
VI. Bezittelijk voornaamwoord
VII. Bijvoeglijk Naamwoord






I. Lidwoorden

Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N der das die die
2 G des+(e)s des+(e)s der der
3 D dem dem der den+n
4 A den das die die


Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N ein ein eine keine
2 G eines+(e)s eines+(e)s einer keiner
3 D einem einem einer keinen+n
4 A einen ein eine keine


Voorbeelden:

1. De vrouw schenkt het kind een boek. - Die Frau schenkt dem Kind ein Buch.
2. De reis duurde 14 dagen. - Die Reise dauerte 14 Tage.

1. In deze zin is de vrouw het ow; dus 1ste naamval Nominativ. Het is vrouwelijk dus die Frau. Het kind is diegene aan wie het gegeven wordt, dus meewerkend voorwerp. Oftewel 3de naamval Dativ. Het kind is onzijdig dus dem Kind. Een boek is het lijdend voorwerp, oftewel 4de naamval Akkusativ onzijdig. Dus is het ein Buch.
2. De reis is vrouwelijk 1ste naamval Nominativ. Dus is het die Reise.

Voorbeeldoefeningen:

1. Kaufst du d.. Computer (m)? D.. Computer ist sehr gut.
2. D.. Ärztin untersuchte d.. Kinder.
3. Wer wird d.. Neue Fußballtrainer?

Antwoorden:

1. den Der
2. Die die
3. der

Let op: Er zijn ook woorden die hetzelfde worden vervoegd al het lidwoord(de zogenaamde der-Gruppe):
dies- - deze/dit
jen- - die daarginds
jed- - ieder, elk
welch- - welk
solch- - zulk
manch- - menig, sommige
all- - alle






II. Persoonlijk Voornaamwoorden


1ste naamval 3de naamval 4de naamval
ich mir mich
du dir dich
es ihm es
er ihm ihn
sie ihr sie
wir uns uns
ihr euch euch
Sie Ihnen Sie
sie ihnen sie







III. Keuzevoorzetsels

Met de weg wijzen:
Ich gehe in (+4) die Straße.
Ich komme in (+4)

Ich bin an (+3) der Ampel.
“ “ in (+3) der Straße.
“ “ auf (+3) der Linkerseite.


Wo? of Wann? --> +3
Wohin? --> +4


an einem Freitag Op een vrijdag
vor einem Jahr Een jaar geleden
in einem Jahr Over een jaar

An dem Freitag
**
am Freitag

Het is am Freitag omdat:
Wann? --> +3
Freitag is onzijdig.
Dus an dem Freitag.

De keuzevoorzetsels zijn:

an Aan/op (Freitag)
auf Op ( de kast)
hinter achter
neben naast
in In/naar
über Over/boven
unter onder
vor voor
zwischen tussen


Met Wann? (= dus met 3de naamval)












IV. Voorzetsels


+4:

durch door
für voor
ohne zonder
um om
bis tot
gegen tegen
entlang langs (evenwijdig aan)
*wider anti (tegen)


+3:

mit met
nach naar/na
nebst benevens
bei bij
seit sinds
samt tezamen met
von van/door
zu te/naar
zuwider In strijd met
außer behalve
aus uit
gemäß volgens/overeenkomstig
entgegen tegemoet
gegenüber tegenover
ab vanaf










V. Gebiedende wijs

Ev (stam (+e)) Mach doch!
Nimm! Setz dich!
Mv (ihr-vorm) Macht doch! Nehmt!
Setzt euch!
U (Sie vorm) Machen Sie doch!
Nehmen Sie!
Setzen Sie sich!










VI. Bezittelijk Voornaamwoord


mein- mijn
dein- jouw
sein- zijn
ihr- haar
sein- zijn
unser- onze
euer- jullie
ihr- hun
Ihr- uw



Het - betekent + uitgang:

Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N mein mein meine meine
2 G meines meines meiner meiner
3 D meinem meinem meiner meinen
4 A meinen mein meine meine


Dus hetzelfde als ein.












VII. Bijvoeglijk naamwoord

Je kunt het bijvoeglijk naamwoord onderscheiden in drie groepen:
1. Der, die, das Groep;
2. Ein Groep;
3. Geen soort van lidwoord.

Hieronder staan de rijtjes van hoe het bijvoeglijk naamwoord eruit komt te zien in de drie groepen. Als voorbeeld is klein- gebruikt:
Der, die, das Groep:
Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N kleine kleine kleine kleinen
2 G kleinen kleinen kleinen kleinen
3 D kleinen kleinen kleinen kleinen
4 A kleinen kleine kleine kleinen


Ein Groep:
Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N kleiner kleines kleine kleinen
2 G kleinen kleinen kleinen kleinen
3 D kleinen kleinen kleinen kleinen
4 A kleinen kleines kleine kleinen


Geen soort van lidwoord:
Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Meervoud
1 N kleiner kleines kleine kleine
2 G kleinen kleinen kleiner kleiner
3 D kleinem kleinem kleiner kleinen
4 A kleinen kleines kleine kleine


Betekent: Deze verschillen als enige uit deze tabel, de rest is kleinen.

Tot de groepen behoren:

1. Der, die, das Groep:
-der, die, das
-woorden uit de der-Gruppe(zie §1)
2. Ein Groep:
-ein, kein
-alle bezittelijk voornaamwoorden(zie §6)
3. Geen soort van lidwoord:
-hierbij staat geen vorm uit de der, die, das Groep ofwel uit de ein Groep.

Dus als er een van de vormen uit de eerste (der die das) of de tweede groep (ein) voor staat, moet je kijken bij de des betreffende groep. Staat er geen enkele vorm in van deze twee groepen; dan moet je kijken bij de laatste tabel.