Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

blok 5+6

Samenvatting Nederlands


Niveau: 4 HAVO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 9129 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Nederlands. Blok 5+6

Blok 5;
· Hoofdgedachte: een uitspraak (mening) van de schrijver over het onderwerp.
· Betogende teksten (betogen): brengen de mening van de schrijver (of spreker) nadrukkelijk naar voren met argumenten en een conclusie. Een betoog is subjectief.
Inleiding Vraagstelling of stelling
Middenstuk - argumenten- tegenargumenten- tegenwerping
Slot Conclusie of samenvatting
· structuurmodellen: basismodellen.
· Voordelen-en-nadelenstructuur: Wordt;
- in de inleiding een verschijnsel beschreven met duidelijke voor- en nadelen
- in het middenstuk worden eerst alle voordelen en daarna alle nadelen behandeld
- in het slot vind je een conclusie of samenvatting.
· Vroeger-en-nu-structuur: het gaat altijd om ontwikkelingen. In die ontwikkeling worden twee perioden duidelijk tegenover elkaar gezet: het verleden tegenover het heden. Verder kan deze structuur worden uitgewerkt als; een uiteenzetting, beschouwing of betoog.
- in de inleiding wordt verteld om welk verschijnsel het gaat.
- in het middenstuk wordt beschreven wat er in de loop van de tijd is veranderd,
maar wel zo dat twee perioden scherp tegenover elkaar staan.
- het slot bevat een (samenvatting), conclusie of aanbeveling.
· Vroeger-nu-toekomststructuur: het gaat altijd om ontwikkelingen. Het accent valt meer op de geleidelijkheid van de geleidelijkheid van die ontwikkelingen dan op de scherpe tegenstellingen zoals bij de vroeger-en-nu-structuur. Verder kan deze structuur worden uitgewerkt als; uiteenzetting, beschouwing of betoog.
- in de inleiding wordt beschreven om welk verschijnsel het gaat.
- in het middenstuk wordt beschreven welke ontwikkelingen er tot nu toe zijn
geweest en welke ontwikkelingen nog worden verwacht.
- slot bevat samenvatting of aanbeveling.
· Probleem-en-oplossingstructuur: is meestal een betoog.
- in de inleiding wordt het probleem beschreven.
- in het middenstuk worden een of meer oplossingen gepresenteerd.
- in het slot wordt aangegeven op welke manier het probleem het beste opgelost kan worden.
--- alleen mogelijke oplossingen; uiteenzetting/beschouwing
--- beste oplossing; betoog
· Verschijnsen-en-verklaringstructuur:
- in de inleiding wordt een bepaald verschijnsel besproken.
- in het middenstuk worden mogelijke verklaringen opgesomd.
- in het slot staat een samenvatting of aanbeveling.
--- alleen verklaringen; uiteeenzetting /beschouwing
--- duidelijk één verklaring/oplossingen; betoog
· Bewering-en-argumentenstructuur:
- in de inleiding wordt een bewering gedaan.
- in het middenstuk komen allerlei argumenten voor de bewering.
- in het slot staan een conclusie die terugverwijst naar de bewering.
--- tekst met een bewering-en-argumentenstructuur is altijd een betoog.
· Verschijnsel-en-besprekingstructuur:
- in de inleiding wordt een verschijnsel genoemd.
- in het middenstuk worden verschillende aspecten van dit verschijnsel onderscheden en
beschreven.
- in het slot staat een samenvatting.
--- een tekst met een verschijnsel-en-besprekingstructuur is altijd een uiteenzetting/beschouwing.
· Mening: je kunt er het werkwoord ‘vinden’ bij gebruiken. Je kunt mening aanduiden met; standpunten, stellingen, beweringen en opvattingen.
Bladzijde 119 nog bestuderen.
· Standpunt: ook een mening, maar iets nadrukkelijker. Ook kun je ‘vinden erbij gebruiken’.
· Argumenten: gebruik je om je mening mee te onderbouwen of aannemelijker te maken. Er worden vaak meerdere argumenten gebruikt in één stelling.
· Redenering: een keten van meningen en argumenten.
· Objectieve argumenten: controleerbare feiten. (Argumenten op basis van feiten),(bewijs).
· Subjectieve argumenten: argumenten op basis van geloof, argumenten op basis van intuïtie.
· Redenering: kan op twee manieren worden opgebouwd:
1. ‘Want’-type: tussen de delen van de redenering kun je het signaalwoord ‘want’ plaatsen.
2. ‘Dus’-type: tussen de delen van de redenering kun je het signaalwoord ‘dus’ plaatsen.
·
++++++++++++++++++ Signaalwoord Volgorde
Eerste hoofdtype Want Stelling → argumenten
Tweede hoofdtype Dus Argumenten → stelling
Mengvorm Want → dus Stelling → argumenten → conclusie (stelling)
· Nevengeschikte argumenten: wanneer de gebruikte argumenten gelijkwaardig zijn → hoofdargument
· Ondergeschikte argumenten: wanneer het ene argument een ondersteuning is bij een eerder genoemd argument → subargument
·
Verbonden door
Nevengeschikte argumenten Hoofdargumenten Opsommend verband, tegenstellend verband
Ondergeschikte argumenten Subargumenten Alle andere mogelijke verbanden
· Reden: als de mens zelf een keus heeft gemaakt, misschien wel zonder dat hij dat goed in de gaten had.
· Oorzaak: als de mens zelf er niets aan kan doen.
· Redenering: de mening of stelling en de onderbouwing aan de hand van argumenten tezamen.
algemene bewering (mening) → concreet voorbeeld (waarneming) → conclusie
· Zwakke argumenten: inhoudelijke niet sterke argumenten.
· Argumenten:
1. als argument kan een voorbeeld gebruikt worden
2. als argument kunnen feiten gebruikt worden
3. Empirisch argument: een voorval die je zelf hebt beleefd. Een ervaringsfeit.
4. Beroep op autoriteit (gezagsargument): als argument kan een autoriteit worden opgevoerd. Een autoriteit is iemand van wie iedereen aanneemt dat hij veel verstand van de desbetreffende zaak heeft. Zo iemand spreekt met gezag.
5. Vergelijking: als argument kan een vergelijking dienen.
6. Moreel argument: het argument wordt dan ontleend aan een persoonlijke overtuiging, aan idealen, aan een religie of een andere levensbeschouwing.
7. Emotioneel argument: argumenten op basis van intuïtie: je voelt dat nu eenmaal zo.
·
Redenering op basis van feiten Feiten
Redenering op basis van geloof Morele argumenten
Redenering op basis van intuïtie Emotionele argumenten
Redenering op basis van gezag Autoriteit of gezagsargument
Redenering op basis van vergelijking Voorbeeld of empirisch argument
Redenering op basis van (voorspelde) gevolgen Voorbeeld, empirisch argument, feiten
Redenering op basis van (voorspeld nut) Voorbeeld, empirisch argument, feiten.
· Drogreden/foutief argument: wanneer een gebruiker expres een argument gebruikt dat niet juist is, om de lezer of luisteraar te manipuleren. Dus elke foute redenering en elk gebruik van een fout argument is een drogreden;
1. het-op-de-man-spelen: iemand heeft geen goede zakelijke argumenten meer en richt zich daarom tot de ander met persoonlijke kritiek om toch zijn zin te kunnen doordrijven. Door die persoonlijke kritiek moet de ander minder geloofwaardig worden.
2. meelopersmotief: iemand heeft geen zakelijk argument. Met een beroep op een algemene mening of een algemeen verschijnsel probeert hij zijn zin toch door te zetten.
3. generalisering: vanuit één voorbeeld of één gebeurtenis wordt een overhaaste conclusie getrokken die voor iedereen of alles geldt. (veel racistische uitspraken gaan terug op generaliseringen)
4. dreigement: de schrijver of spreker gebruikt zijn ‘macht’(of die van een ander) om zijn zin door te kunnen zetten.
5. Ontduiking van bewijslast: de schrijver of spreker weet geen echte bewijzen te noemen, daarom probeert hij de zaak te overbluffen.
6. cirkelredenering: de auteur draait in een kringetje rond. Het argument dat hij gebruikt, is al onderdeel van de stelling/bewering.
7. Vertekenen van het standpunt: komt vooral voor in discussies, de tegenstander neemt een deel van de bewering van de ander of overdrijft een bewering van de ander.
8. Onjuiste oorzaak-gevolg-relatie: kom je vaak tegen in discussies.
9. Beroep op verkeerde autoriteit: mensen werpen zich op als ‘ervaringsdeskundige’.
10. Valse vergelijking: zaken die vergeleken worden moeten gelijkwaardig zijn, wanneer dit niet is, is het een valse vergelijking.
·
Tegenstellend verband Doch, echter, integendeel, daar staat tegenover, enerzijds, anderzijds, maar, daarentegen
Opsommend verband Dan, bovendien, en, eerst, daarna, ook, niet alleen, maar ook, verder, nog, daarnaast, zowel, als, ten eerste, ten tweede
Oorzakelijk verband Doordat, ten gevolge van, daardoor, zodat, waardoor
Redengevend verband Daarom, immers, omdat, want, namelijk
Uitleggend verband Dat wil zeggen, zo, met andere woorden, bijvoorbeeld, ter illustratie
Concluderend verband Dus, concluderend
Samenvattend verband Kortom, samenvattend, om kort te gaan
Voorwaardelijk verband Op voorwaarde dat, als, mits, wanneer, indien, tenzij, in het geval dat
Vergelijkend verband Net als, vergeleken met, zoals, hetzelfde, een zelfde geval, evenals
Toelichtend verband Ter toelichting kan dienen
Argumenterend verband Daarvoor kunnen de volgende argumenten worden genoemd
Verklarend verband Een verklaring daarvoor is
· In een schrijf of spreekplan vermeld je:
1. de belangrijkste gegevens van de opdracht
2. de bronnen die je hebt gebruikt.
3. per alinea kort wat je gaat behandelen.
· Zakelijke brieven kunnen hun tekstdoel onderscheiden in:
1. informele brieven. Informatie en toelichting of advies geven of vragen.
2. uiteenzettende brieven. Uitleggen of verklaren.
3. betogende brieven. Lezer van gelijk proberen te overtuigen.
4. beschouwende brieven. Verschijnsel van verschillende kanten belichten.
5. activerende brieven. Lezer proberen te overtuigen en oproepen tot handelen.
· Er zijn drie bijzondere zakelijke brieven:
1. de circulaire: een zakelijke brief die is gericht aan meer personen. Informerend maar ook activerend.
2. de sollicitatiebrief: een zakelijke brief waarin je je aanbiedt voor een bepaalde functie. Activerend.
3. de ingezonden brief: een persoonlijk getint artikel dat is opgenomen in een vaste rubriek van een krant of tijdschrift. Informerend, maar vaak ook betogend of activerend.
· §3.11.2 + §3.11.3 doorlezen.
· Discussie: een doelgericht gesprek, dat aan bepaalde regels is gebonden. We onderscheiden twee hoofdtypen:
1. meningvormend: discussie waarin je je mening geeft, verheldert en eventueel bijstelt op basis van eigen nieuwe gedachten en meningen van anderen.
2. probleemoplossend: een discussie die leidt tot een oplossing, een concreet besluit of een actieplan.
· Discussieonderwerpen:
1. open discussieonderwerp.
2. controversieel onderwerp. D.w.z. een onderwerp waarover de meningen flink uiteenlopen.
3. actueel onderwerp dat aansluit bij interesses van de deelnemers.
4. je moet genoeg informatie over het onderwerp kunnen vinden.
· Forumdiscussie: enkele leerlingen praten, op een goed zichtbare plaats voor de klas, onder leiding van een voorzitter over een bepaald onderwerp. Er zijn vier fasen:
1. de voorzitter introduceert het onderwerp en het op te lossen probleem.
2. iedereen laat om de beurt zijn standpunt horen.
3. de eigenlijke discussie begint.
4. voorzitter kijkt of er een gemeenschappelijk standpunt te formuleren is.
· Taakverdeling discussie:
- voorzitter: verantwoordelijk voor goed verloop van de discussie. Hij introduceert het onderwerp en de probleemstelling. Ook zorgt hij ervoor dat iedereen aan de beurt komt. Hij vat ook de resultaten samen en sluit af.
· Debat: staan de standpunten van tevoren vast. Er is sprake van concurrentie: degene met de beste argumenten wint. Je moet toehoorders overtuigen. De debatstelling is open, controversieel en actueel.
-Debatleider: vermeld de stelling en verteld wie voor of tegen is.
-Tijdwaarnemer: controleert of beide partijen zich aan de voorgeschreven tijd houden.
-Beoordelaars: letten op individuele deelnemers en vullen hun beoordelingsschema in waarop ze hun oordeel baseren.
-Verslaggevers: maken aantekeningen van het debat als geheel, die ze uitwerken tot een verslag.
· §8.4.3 lezen.
· Foutieve samentrekking: wanneer twee niet-gelijkwaardige delen zijn samengetrokken.
· Geen symmetrie: wanneer in een opsomming de delen geen gelijke structuur hebben.
· Tangconstructie: wanneer tussen woorden die bij elkaar horen, te veel andere woorden zijn gezet.
· Tussengeschoven bijwoordelijke bijzin van voorwaarde: noemt de voorwaarde waaraan datgene wat in de rompzin staat, moet voldoen. Deze zijn begint met het voegwoord als, dat vaak beter achteraan kan worden gezet. Zeker als de bijzin te lang is. je doet dus eerst de hoofdmededeling en zet daar de (bijzin van) voorwaarde achter.
· Foutieve inversie: inversie is wanneer in een zin het onderwerp achter de persoonsvorm staat. (de zin begint met een bepaling) wanneer de zin dan wordt vervolgd met en of maar houdt men soms onterecht deze volgorde aan.
· Niet bedoelde dubbelzinnigheid: formuleringen die op twee manieren kunnen worden gelezen. Ook al blijkt meestal uit de rest van de tekst welke betekenis bedoeld is.
· Storend figuurlijk taalgebruik: te snel achter elkaar gebruiken van uitdrukkingen kan storend zijn voor het leesplezier.
· Verkeerd gebruik van de lijdende vorm: het onderwerp ondergaat de handeling die in het gezegde wordt genoemd. Deze zinnen zijn minder direct dan zinnen in de bedrijvende vorm. (bedrijvende vorm: het onderwerp verricht de handeling die in het gezegde wordt genoemd)
· Overdrijving: hierdoor overtuig je de lezer niet.

Blok 6.
· Interview: neem je af als je voor je onderwerp over weinig gegevens beschikt of informatie uit de eerste hand wilt hebben. Er zijn twee soorten intervieuws:
1. feitelijke informatie: je vraagt om gegevens, feiten.
2. mening: als je een betoog gaat schrijven ben je benieuwd naar iemands mening.
· § 1.4.1 lezen
· blad doorlezen met §10.15 en § 10.16
· leestekens: hebben twee functies:
-verduidelijken het verband tussen de delen van een zin.
-voorkomen verkeerd lezen.
· Komma: na de punt het meest gebruikte leesteken. Ook het lastigste want het heeft veel functies.
- tussen de delen van een opsomming. Je kunt de komma vervangen door en.
- achter en/of voor een aangesproken persoon en tussenwerpsels.
(aangesproken persoon is degene voor wie de zin/mededeling bedoelt is)
(tussenwerpsel is een uitroep van meestal één woord die buiten het zinsverband staat.
- voor en achter bijstellingen.
(bijstelling is een zinsdeel dat dezelfde zaak of persoon nog eens noemt, maar dan met andere woorden)
- voor een aantal voegwoorden die deelzinnen met elkaar verbinden.
(maar, want, doordat, opdat, zodat, hoewel, terwijl, mits, tenzij, (als, wanneer, omdat, nadat, totdat, voordat, toen))
- tussen twee werkwoorden uit verschillende gezegdes.
- na een beperkende of uitbreidende bijvoeglijke bijzin.
(bijvoeglijke bijzin bevat een onderwerp en een gezegde, sluit aan bij een ‘antecedent’(een zinsdeel dat een
persoon of zaak noemt) en begint dikwijls met een betrekkelijk voornaamwoord of voornaamwoordelijk
bijwoord (die, dat, waarmee, waarover)
- voor en na tussengeschoven woorden.
- om verkeerd lezen te voorkomen.
· puntkomma:
1. tussen twee zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samenhangen. In de tweede zin staat een woord dat het bijzondere verband tussen de zinnen aangeeft.
2. in langere opsommingen is een puntkomma soms duidelijker dan een komma.
· Dubbel punt:
1. bij een directe reden.
2. voor een opsomming, uitwerking of verklaring.
· Aanhalingstekens:
1. bij een directe reden. (niet bij gedachten en wensen)
- volledige zin: punt komt na de aanhalingstekens.
- aanhaling die is onderbroken wordt door een tussengeschoven deelzin. Laatste aanhalingsteken staat achter de punt.
2. wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn.
3. titels van boeken, films, programma’s enz.
4. bij ironie, bijzonder gebruik of een zelfnoemende functie. (zelfnoemfunctie: wanneer we een uitspraak doen over een woord. Niet om de betekenis van het woord, maar om het woord zelf)