Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Politieke besluitvorming

Samenvatting Maatschappijleer


Niveau: 4 VWO

Taal:

Opmerking: Ik hoop dat mensen er wat aan hebben. Ben der lang mee bezig geweest en het is best goeie samenvatting al zeg ik het zelf. Alles staat erin wat je moet weten voor een toets, ik heb gewoon de samenvatting geleerd en niet uit het boek! Succes XXX


Bekeken: 2958 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




§1.1 Je kunt spreken van een staat wanneer:
1. er een vast grondgebied is
2. er bevolking op het gebied woont
3. er een vorm van gezag wordt uitgeoefend

Om er voor te zorgen dat mensen zich aan de regels houden is er een vorm van gezag nodig. Het hoogste gezag wordt vaak aangeduid met het begrip soevereiniteit (overheid).
We spreken van een rechtsstaat als de verhouding tussen de burgers en de overheid in de wet is vastgelegd.

§1.2
In een rechtsstaat genieten de burgers rechtsbescherming: het gedrag van burgers is beperkt door wettelijke regels, maar ook de overheid mag niet alles doen wat zij wil.
Er zijn twee soorten grondrechten:
1. Klassieke grondrechten, zoals discriminatieverbod: de regering van een land moet er voor zorgen dat de klassieke grondrechten worden toegepast
2. Sociale grondrechten, zoals werkgelegenheid en sociale zekerheid: in deze rechten moet de overheid naar vermogen voorzien

§1.3
Nederland is een representatieve democratie: de bevolking bemoeid zich niet dagelijks met het bestuur maar zij kiezen de vertegenwoordigers die in hun naam besturen.
In Nederland was er eerst censuskiesrecht. IN 1917 kwam er actief kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor vrouwen. Vanaf 1919 mochten ook vrouwen stemmen.

Er zijn in Nederland drie bestuurslagen: het Rijk, de provincie en de gemeente.
Om een partij op te richten moet je voldoen aan de volgende eisen:
1. Officieel laten registreren bij de Kiesraad (waarborgsom betalen 450€)
2. In elke kieskring een kandidatenlijst inleveren
3. In elk kiesdistrict de steunbetuiging van min. 30 mensen hebben.
4. €11.250 betalen als de partij 75% van de stemmen haalt die nodig zijn voor een zetel krijgen ze dit bedrag terug.

Het kiesstelsel is gebaseerd op een evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. Bij de berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler: hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om 1 zetel te krijgen.
Voor en nadelen van een evenredige vertegenwoordiging:
1. Voordeel: - Iedere stem telt even zwaar
2. Nadeel: -Er kunnen veel kleine partijen een plaats krijgen in de vertegenwoordiging, debatteren kan daardoor onoverzichtelijk worden.
Sommige landen hebben daarom een kiesdrempel: een partij moet een bepaald aantal stemmen halen om mee te delen in de zetels.
In een districtenstelsel (V.S) wordt het land verdeeld in een aantal gebieden. De kandidaat die in een bepaald gebied een meerderheid haalt wordt afgevaardigd naar het landelijk bestuur.
1. Voordeel: kiezers kennen de kandidaten beter
2. Nadeel: Kan gebeuren dat een partij met de meeste stemmen, de minste zetels krijgt.

Partijen die meedoen aan de verkiezingen stellen een verkiezingsprogramma op. De lijsttrekker is de persoon die als eerste op de kandidatenlijst staat.
Zwevende kiezers zijn mensen die niet elke keer op de zelfde partij stemmen. Je stemt niet op een partij maar op een persoon. Veel mensen stemmen niet meer op de lijsttrekker maar bewust op een ander persoon, de zogenaamde voorkeursstem.
§2.1
Politieke macht is het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.
In Nederland is de macht in drie delen gescheiden (Trias Politica)
1. Wetgevende macht: stelt wetten vast ( ministers, koningin en de 1e en 2e kamer)
2. Uitvoerende macht: zorgt ervoor dat ingevoerde wetten ook worden uitgevoerd. (ministers)
3. Rechterlijke macht: beoordeelt of wetten worden nageleefd (rechters)

§2.2
Landelijk niveau wordt de volksvertegenwoordiging gevormd door de Staten-Generaal (1e en 2e kamer ook wel parlement).

Tweede kamer telt 150 leden. Taken: medewetgever en controleert de regering.
Rechten van de tweede kamer:
1. Verwerpen of aannemen van wetsvoorstellen
2. Recht van amendement (mag wetsvoorstel wijzigen)
3. Recht van initiatief (wetsvoorstel maken)
4. Budgetrecht (aannemen, afwijzen of wijzigen van budgetvoorstellen)
5. Vragenrecht (kamer mag vragen stellen aan de regering, die moet binnen 3 weken antwoorden)
6. recht van interpellatie (de mensen van de regering kunnen worden uitgenodigd in de 2e kamer om uitleg te geven over een regeringsbeleid
7. recht van motie (mogelijkheid een schriftelijke uitspraak te doen over het beleid van een minister, als een motie van afkeuring wordt aangenomen kan dat leiden tot het aftreden van de minister)
8. recht van enquête (mogelijkheid om een onderzoek in te stellen als zij naar mening niet genoeg informatie krijgen)

Eerste kamer (Senaat) telt 75 leden. Taken: wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en waarden. Senaat doet de ‘laatste controle’.
Rechten van de eerste kamer:
1. aannemen of verwerpen van een wetsvoorstel
2. recht van motie
3. recht van enquête
De eerste kamer ligt in primaat bij de tweede kamer, dat houd in dat de afweging van de 2e kamer zwaarder weegt dan die van de 1e kamer.

§2.3
Regering bestaat uit het staatshoofd en de ministers. Iedere ministers is verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein bijv. Buitenlandse zaken. Beleidsvoornemens worden besproken in de gezamenlijke vergadering van de ministers, ministerraad. Minister-president is de voorzitter van de ministerraad.
Voor onderdelen van het takenpakket van een minister kunnen staatssecretarissen worden aangesteld.

Alle ministers en staatssecretarissen samen vormen het kabinet. Het hele kabinet is verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging. Alleen het staatshoofd is onschendbaar. Een minister (en een eventuele staatssecretaris) heeft een eigen ministerie waar veel ambtenaren werken. Ambtenaren bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen. Een minister zonder ministerie wordt ook wel minister zonder portefeuille genoemd.
Het staatshoofd wordt in Nederland erfelijk bepaald. Nederland is een constitutionele monarchie met een democratisch parlementair stelsel. (Nederland heeft een monarchie, maar de positie van het koningshuis is in de grondwet vastgelegd).
De belangrijkste taken van de koningin zijn:
1. plaatsen van handtekeningen onder wetten
2. voorlezen van de troonrede
3. benoemen van ministers en (in)formateurs
4. voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid

§2.4
De regering moet worden gesteund door een meerderheid in de Tweede Kamer om te zorgen dat wetten worden aangenomen. In ons land wordt er altijd een coalitie gevormd.
Vormen van een coalitie:
1. 2e kamer komt bij een om te vergaderen over mogelijke combinaties van partijen die een nieuw kabinet kunnen vormen (gebeurd niet altijd)
2. daarna adviesronde: vice-president van de Raad van State (belangrijk adviescollege van regering), voorzitters van 1e en 2e kamer en de leiders van de grootste partijen op bezoek gaan bij de koningin. Zij adviseren haar wie het beste kan onderzoeken welke partijen samen het kabinet kunnen vormen (informateur: zoekt uit welke partijen gezamenlijk een beleid zouden kunnen voeren en op voldoende steun van de 2e kamer kunnen rekenen.
• Partijen die samen willen regeren moeten overeenstemming bereiken over de hoofdlijnen van het te voeren beleid
• De partijen die de regering in het parlement steunen moeten het regeerakkoord ondertekenen. Dat betekend dat de partijen beloven dat zij niet dwars zullen liggen bij beleidsvoornemens waar zij het eigenlijk niet mee eens zijn, maar die in het regeerakkoord zijn opgenomen.
• De precieze plannen komen ieder jaar in de Troonrede (hoofdlijnen van het te voeren beleid) en in de miljoenennota(wordt exact aangegeven welke voornemens er zijn op welk beleidsterrein en hoeveel geld eraan wordt besteed). Miljoenennota wordt bijgesteld in onder andere de Voorjaarsnota.

3. Formateur gaat daadwerkelijk het kabinet vormen. De grootste regeringspartij levert meestal de premier.

Als het kabinet aftreedt, zijn er 2 mogelijkheden:
1. er wordt een (in)formateur benoemd die de mogelijkheden voor een nieuw kabinet onderzoekt
2. er worden verkiezingen uitgeschreven om een nieuwe 2e kamer te kiezen
Welke keuze er wordt gemaakt hangt af van de oorzaak van de crisis.

§2.5
Naast de landelijke overheid heeft Nederland ook nog de provinciale en de gemeentelijke overheid. De gedachte achter het delegeren van de bevoegdheden aan lagere overheden is dat zowel de provincie als de gemeente:
• beter op de hoogte zijn en dus ook beter kunnen beoordelen wat er nodig is
• dichter bij de burgers staan en de burgers het bestuur dus ook makkelijker kunnen aanspreken

De taken van de provincie zijn vooral op de terreinen van ruimtelijke ordening en milieu.
De provincie maakt streekplannen: hierin staat precies aangegeven welke activiteiten in een gebied passen, hierbij moeten ze rekening houden met het rijksbeleid.
De gekozen vertegenwoordigers vormen de Provinciale Staten. Die Provinciale Staten kiezen uit hun midden een dagelijks bestuur: de Gedeputeerde Staten. De voorzitter van beide is de Commissaris van de koningin (hij wordt benoemd).

De Gemeente is verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van het openbare leven. De Gemeente maakt bestemmingsplannen.
Veel beleidstaken zijn de afgelopen jaren naar de Gemeente gedecentraliseerd omdat het gemeentebestuur beter in staat is om de juiste maatregelen te treffen. Het bestuur van de gemeente wordt gevormd door de gemeenteraad. De leden worden rechtstreeks gekozen.
Het dagelijkse bestuur van de gemeente is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders. Wethouders worden door coalitiepartners geselecteerd.

In 2002 is Nederland van een monistisch systeem naar een dualistisch systeem overgestapt. Met die overstap zijn de bevoegdheden van de wethouders en de raad gescheiden. Op landelijk terrein was dit al zo: leden van de regering staan als het ware buiten het parlement.

De burgemeester wordt voor 6 jaar benoemd. Dit is vergelijkbaar met de procedure voor de benoeming van de Commissaris van de Koningin.

§3.1
Soms kunnen besluiten ook worden genomen zonder zich over het besluit uit te spreken. Dit is het geval bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en Koninklijke besluiten.
AMvB’s hebben vaak betrekking op wetten die snel gewijzigd moeten (kunnen) worden.

§3.2
Politiek is niet alleen een zaak van politici maar ook van de burgers en andere. Ministers, wethouders etc. voeren hun taak niet alleen uit maar met behulp van ambtenaren. Een ambtenaar is iemand die bij de overheid in dienst is. Ambtenaren die wethouders of ministers bijstaan houden zich vooral bezig met: beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering.
(Beleid is de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren) Ambtenaren zitten vaak langer dan vier jaar op hun post en hebben dus veel kennis. Ambtenaren worden ook wel de vierde macht genoemd omdat ze veel macht hebben.

Het ambtenarenapparaat wordt ook wel bureaucratie genoemd: een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagsstructuur.
Naast de ambtenaren zijn er ook nog de adviesorganen:
• Raad van State: hoogste raadgevende regeringscollege, geeft advies over wetsvoorstellen en AMvB’s.
• De Sociaal-economische raad (SER) adviseert de regering op sociaal en economisch gebied
• De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR)geeft advies over ontwikkelingen die op lange termijn de samenleving kunnen beïnvloeden bijv. werkgelegenheid, minderhedenbeleid en ruimtelijke ontwikkelingspolitiek
• Onderwijsraad zorgt er voornamelijk voor dat de bijzondere scholen niet worden benadeeld bij een wetsvoorstel over het onderwijs.
• Planbureaus zijn wetenschappelijke instellingen die op basis van feiten en studies proberen aan te geven wat de gevolgen zullen zijn van de beleidsvoornemens. (Centraal Planbureau en Sociaal en Cultureel Planbureau).

Pressiegroepen proberen de politiek onder druk te zetten door te lobbyen (door persoonlijk contact te maken met politici steun proberen te krijgen voor je standpunten en belangen). Ook wel de vijfde macht genoemd. Soorten pressiegroepen:
1. Belangengroepen: komen op voor de belangen van een bepaalde groep uit de samenleving (Consumentenbond)
2. Actiegroepen: zetten zich korte tijd in voor 1 duidelijke kwestie
3. Actieorganisaties: langere tijd inzetten voor 1 duidelijke kwestie (Greenpeace voor het milieu)

Massamedia speelt een grote rol de politieke functies zijn:
1. informatieve functie
2. spreekbuisfunctie: er komen verschillende mensen aan het woord in een krant
3. onderzoekende/agendafunctie: de media signaleren in het algemeen welke problemen er zijn, soms dragen ze daarmee situaties aan waarmee politici zich nog amper bezig houden.
4. Commentaarfunctie: media geeft zijn mening over een bepaalde kwestie
5. Controlerende functie: media controleert of bedrijven zich aan hun afspraken houden, zo niet dan wordt daarover geschreven

§3.3
Politieke actoren: iedereen die bij een kwestie betrokken is, is een actor die een bijdrage levert aan de besluitvorming. De politieke besluitvorming vindt in 4 fasen plaats:
1. invoer: samenleving brengt wensen en eisen naar voren
2. omzetting: als er genoeg aandacht is voor een kwestie komt ze vanzelf op de politiek agenda, politici worden gedwongen een standpunt in te nemen, er wordt een wet gemaakt
3. uitvoer: ambtenaren zorgen ervoor dat de wet wordt uitgevoerd.
4. terugkoppeling: er wordt een feedback gegeven over de maatregelen en wetten. Als een maatregel niet het gewenste effect heeft kan deze worden gewijzigd.

§3.4
Barrièremodel (gebaseerd op de gedachte dat er barrières overwonnen moeten worden voor er eindelijk een wet is):
1. er leven wensen en behoeften in de samenleving
2. Interesseren van politieke partijen voor de eisen
3. formuleren van de besluiten die de problematiek (deels) zullen oplossen
4. laatste barrière kan ontstaan bij het uitvoeren van de regels en wetten als blijkt dat deze niet aan de drie voorwaarden voldoet, de wet zal dan waarschijnlijk massaal worden overtreden.

§3.5 (3 leren)
De omgevingsfactoren bepalen voor een groot deel het verloop van de besluitvorming. De belangrijkste omgevingsfactoren (factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen, maar wel een rol spelen in de besluitvorming) zijn:
1. Demografische factoren: samenstelling van de bevolking
2. Ecologische factoren: wisselwerking tussen milieu en mens
3. Culturele factoren: worden bepaald door de geschiedenis van een land en de daaraan gekoppelde gebruiken en gewoonten
4. Economische factoren: bepaald de economische mogelijkheden voor een land.
5. Technologische factoren die de technologische ontwikkeling van een land beïnvloeden.
6. Sociale factoren: wijze waarop een samenleving in sociaal opzicht georganiseerd is.
7. Internationale factoren: invloed die de buitenlandse wetgeving, regels en initiatieven op een land hebben.

§4.1
De overheid zorgt voor de collectieve belangen van ons land: zaken die iedereen aangaan zoals de gezondheidszorg, verdedigen van de landgrenzen en aanleg/onderhoud van wegen.
Een kenmerk bij het behartigen van de collectieve belangen is dat de burgers vrijwillig een bepaalde mate van dwang aanvaarden.
Er zijn ook particuliere organisaties die collectieve belangen behartigen zoals het huisvuil dat door de gemeentelijke reinigingsdienst of een particulier bedrijf wordt opgehaald.

Sommige diensten kunnen alleen functioneren door het solidariteitsprincipe: ongeacht het gebruik betaalt iedereen mee.

§4.2
Politieke opvattingen: ideeën van een bevolking over de inrichting van de samenleving.
Zo’n 150 jaar geleden gingen de voornaamste uitgaven naar het leger en de politie ook wel de ‘nachtwakersstaat’ genoemd. Maar door de vele en snelle veranderingen moest de overheid zich wel meer met de samenleving gaan bemoeien.
De eerste politieke partijen grepen terug op drie ideologische stromingen: liberalisme, confessionalisme en socialisme.
Ideologie is het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving. Ideologieën hebben duidelijke standpunten over:
1. normen en waarden: voornamelijk de persoonlijke vrijheid die kan worden toegestaan
2. sociaal-economische houdingen: de opvattingen over de verdeling van de welvaart
3. machtsverdeling: hoeveel inspraak de burgers moeten hebben

§4.3
Progressieve partijen (vooruitstrevend): benadrukken van de gebreken in de samenleving en pleiten voor grondige veranderingen, vaak contact met actiegroepen.
Links: benadrukt het uitgangspunt van gelijkwaardigheid.Komt met name op voor mensen met een achterstandspositie. De overheid moet actief optreden om de zwakkeren te beschermen.

Conservatieve partijen (behoudend): benadrukken wat er al bereikt is. Zij hebben meer aandacht voor de traditionele waarden en normen. Willen zoveel mogelijk bij het oude houden. Reactionair (achteruitstrevend): soms wordt er door conservatieven naar gestreefd om oude regels die inmiddels door moderne zijn vervangen, te herstellen.
Rechts: legt de nadruk op (persoonlijke en economische) vrijheid. Zo min mogelijk staatsbemoeienis. Rechts is behoudend ten aanzien van de normen en waarden, die willen ze zo veel mogelijk in stand houden.

Tegenwoordig zijn veel mensen niet alleen maar rechts of links, maar zitten ze vaak in het midden. De indeling tussen links en rechts is niet altijd duidelijk. Het is duidelijker om te kijken naar de onderverdeling in de grote politieke stromingen.

§4.4
Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en verdraagzaamheid zijn woorden die bij het liberalisme horen. De belangrijkste kenmerken van het liberalisme zijn:
1. Economische vrijheid: overheid bemoeit zich zo min mogelijk met de handel
2. Politieke vrijheid: scheiding van de kerk en de staat en scheiding van de machten. Overheid moet zich niet bemoeien met de hoogte van de lonen.
3. Rationalistisch individualisme: de liberalen gingen ervan uit dat als iedereen zijn eigenbelang nastreeft dat het beste is voor de gehele samenleving.

§4.5
Socialisme: streven naar gelijkheid. Karl Marx was een socialist, hij riep de arbeiders op om in opstand te komen. Hij voorspelde de ondergang van het kapitalisme in de ‘Verelendungstheorie’.
Op basis van de ideeën van Marx ontstonden er rond 1900 2 bewegingen: revolutionaire socialisten (communisten) en de sociaal-democraten. De democraten geloofden niet in een revolutie, zij wilden de socialistische maatschappij met kleine stappen bereiken. Zij wilden algemeen kiesrecht.
De communisten geloofden wel in een revolutie. Zij geloofden dat een aantal revolutionairen de macht zou grijpen en maatregelen zou nemen:
• Onteigening van de grond
• Centralisatie van banken en transport in handen van de staat
• Nationalisatie van de fabrieken en productiemiddelen
• Gelijke arbeidsdwang voor ieder
• Openbare kosteloze opvoeding van kinderen en geen kinderarbeid
Tegenwoordig zijn de sociaal-democraten voor een actieve rol op sociaal-economisch gebied.

§4.6
Confessionalisme is gebaseerd op geloofsovertuigingen. Men gaat uit van een organische staatsopvatting: alles en iedereen heeft een vaste plaats in de samenleving. Dit kan niet zomaar worden veranderd. De christelijke kernbegrippen zijn: geloof, naastenliefde en harmonie.
Het CDA van nu pleit vooral voor een zorgzame samenleving die in plaats zou moeten komen van de verzorgingsstaat. De staat moet mensen niet te veel uit handen nemen.

§4.7
Naast de grote politieke stromingen zijn er ook nog wat kleinere:
1. rechts-extremisten: gaat uit van de ongelijkheid van mensen, het eigen volk is superieur en er is geen plaats voor ‘anderen’.
2. ecologische stroming: economische waarden zijn ondergeschikt aan de ecologische waarden. De overheid moet een grote rol spelen om het milieu te beschermen.
3. pragmatisme: baseert zich niet op een ideologie, zij zoeken haalbare, rationele oplossingen voor actuele vraagstukken. Er moet meer en beter naar burgers worden geluisterd.

§4.8
Een politieke partij probeert, op basis van een samenhangend geheel van ideeën, mensen te mobiliseren om zich te bemoeien met de inrichting en het bestuur van de samenleving als geheel. Politieke partijen hebben een aantal belangrijke functies voor het proces van politieke besluitvorming:
1. meningsvorming
2. informatie
3. integratie: losse opvattingen aan elkaar verbinden tot één politiek programma
4. participatie: burgers interesseren voor hun activiteiten en ertoe over halen aan de politiek deel te nemen
5. selectie van kandidaten:

CDA (christen-democraten Appèl) confessioneel, mensen moeten zich zoveel mogelijk samen redden. Het gezin vormt de basis van onze samenleving:
• recht op veiligheid moet in de grondwet
• een vrouw mag niet alleen beslissen over abortus
• meer betaald zorgverlof, voor werknemers die voor kinderen of anderen zorgen

PvdA (Partij van de Arbeid) sociaal-democratisch, is voor een eerlijke spreiding van macht, kennis en inkomen. Standpunten:
• sterke sturing van de economie om de massale werkloosheid tegen te gaan
• snellere stijging van de lage inkomens dan van de hoge
• streven naar meer plaatsen voor kinderopvang

VVD (volkspartij voor vrijheid en democratie) zo min mogelijk ingrijpen van de overheid.
Standpunten:
• bezuinigingen op de overheidskosten en de loonkosten
• meer nadruk op particulier beheer
• bouwen van meer wegen en de verlaging van de belasting op de benzine

SP (socialistische partij) standpunten:
• mensen in achterstandsituaties hebben meer aandacht nodig
• nivellering van de inkomens
• gelijke toegang tot het onderwijs voor iedereen

CU (Christen Unie) standpunten:
• euthanasie moet worden verboden, vrouw mag niet alleen beslissen over abortus
• overheid regeert volgens de bijbel
• zeer zware straffen voor moord (eventueel doodstraf)
• aanleren van normen en waarden op school

§5.1
Tot 1970 hadden mensen opkomstplicht: ze moesten verplicht gebruik maken van hun stemrecht. Als er maar weinig mensen komen opdagen komt de legitimiteit van het bestuur in gevaar: het is lastig om vast te stellen of het voorgestelde beleid overeenkomt met wat de bevolking wil.

§5.2
De burgers waren ontevreden over de politiek, dit kwam omdat ze vonden dat:
1. politieke cultuur werd gekenmerkt door weinig democratische methoden
2. de dualistische verhoudingen tussen regering en parlement niet werd gepraktiseerd
3. de regering was niet in staat oplossingen te vinden waar de burgers op zaten te wachten

§5.3
Met Lijst Pim Fortuijn kwam er een grote verandering in de politiek. Fortuijn sprak zijn mening uit en zijn onvrede over de politiek. Vlak voor de tweede kamer verkiezingen werd hij vermoordt. Mensen dachten dat het afgelopen zou zijn met de nieuwe politiek, maar de partij zette door en behaalde 26 zetels, de grootste verkiezingsoverwinning ooit.

De invloed van de burgers zou kunnen worden vergroot door referenda in te voeren:
1. raadplegend: de bevolking kan haar mening geven, maar die is niet doorslaggevend
2. bindende: de uitslag is wel bepalend voor het besluit
3. raadgevend correctief: de bevolking kan het advies geven om een eerder genomen besluiten te corrigeren
Een andere manier van meer burgerlijke inspraak is: een gekozen burgemeester en regionale kandidaatstelling.