Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

§ 2 van H6 Geschiedenis

Samenvatting Geschiedenis


Niveau: 1 HAVO VWO

Taal:

Opmerking: Dit was voor een so.


Bekeken: 4903 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




§2 De samenleving in de vroegere middeleeuwen.
In de vroege middeleeuwen leefde bijna iedereen op het platte land. De Germanen bouwden geen steden. Zij woonden in boerderijen verspreid over het land of in een dorp. Er bleven wel steden bestaan, maar ze werden veel kleiner. Bisschoppen bijvoorbeeld bleven hun bisdommen vanuit de oude Romeinse steden besturen. Zo’n bisschop had een aantal geestelijken om zich heen die allemaal moesten kunnen eten. Er waren dus bakkers en slagers nodig.



Vragen:
1. Welke verhalen werden vooral nagelaten door de middeleeuwse schrijvers?
2. Dankzij wie konden een aantal mensen nog werken in een stad?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. De middeleeuwse schrijvers hebben vooral verhalen nagelaten over de levens van heiligen en over de oorlogen die koningen en edelen met elkaar uitvochten. Over het dagelijkse leven van d mensen zijn weinig bronnen te vinden.
2. De geestelijken.

Omdat er in de vroege middeleeuwen bijna geen handen was, moesten de boeren voor hun eigen levensbehoefte zorgen. Na een paar misoogsten achter elkaar raakten zo soms hele streken uitgestorven. Het gevolg was dat in de vroege middeleeuwen bijna iedereen voortdurend bezig was voor voldoende voedsel te zorgen. Dat lukte lang niet altijd. De meeste mensen leefden in armoedige omstandigheden, waren vaak ziek en meestal ondervoed. De kans om oud te worden was klein.

Vragen:
1. Welke 4 dingen gebeurde er bij slechte graanoogst?
2. in welke groep hoorde je meestal?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. In de winter had je bijna geen eten -> De dieren (trekpaarden) sterven -> In het voorjaar kun je dan niet ploegen -> Hongersnood.
2. De groep waarmee je bent opgegroeid.

boeren.
Elk kasteel of klooster was in de middeleeuwen een middelpunt van een domein. Een domein was een dorp met het land in de omgeving. Het was eigendom van een edelman, bisschop of een klooster. Ieder grootgrondbezitter bezat minstens één domein, de rijken onder hen hadden er vele. De edelman, bisschop of abt woonde dan zelf op één domein en liet de andere besturen door rentmeesters. Hier en daar woonden vrije boeren. Zij waren vaak de nakomelingen van Germaanse veroveraars. Zij bezaten hun eigen grond en hadden meestal personeel dat onvrij was. Er waren meer horigen dan vrije boeren. De horigen waren soms de nakomelingen van vrije boeren die hun vrijheid hadden opgegeven in ruil voor de bescherming door de adellijke heer. Vaker waren ze nakomelingen van Romeinse slaven die van hun eigenaar een stuk grond in pacht hadden gekregen.

Vragen:
1. Wat moesten de horigen nog meer doen dan alleen de pacht betalen?
2. De horigen raakten gelaagd. Door welke 3 oorzaken kwam dit?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. Diensten verrichten voor de heer.
2. – Sommige haddem meer grond, - sommige hadden minder herendiensten te verrichten dan anderen. – sommige hoefden minder van hun oogst af te staan (pacht betalen) dan anderen.

De edelen
De leefwijze van de edelen verschilde sterk dan die van de boeren. De edelen waren wel eigenaars van grond, maar werkten daar niet op. Ze leefden van de arbeid van de boeren. In ruil daarvoor vervulden ze andere taken: ze bestuurden hun domeinen, spraken recht over hun onderdanen en voerden zonodig oorlogen. De edelen kun je verdelen in hoge en in lage adel. De meeste behoorde tot de lage adel. Ze beheerden één of enkele domeinen en woonden in kleine kastelen. Ze hadden ook niet meer eten als de horigen, maar verdienden wel meer. Maar dat moesten ze ook weer uitgeven.


Vragen:
1. Waar woonden de hoge edelen?
2. Noem een paar voorbeelden van verschillen tussen de hoge en de lage edelen.
3. Waarom hadden de hoge edelen toch de lage edelen nodig?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. In burchten. Daar was het lux.
2. De hoge edelen droegen bont en zijde. En zij aten elke dag vlees.
3. De hoge edelen bezaten honderden domeinen. Dat was te veel om te besturen. Daarom riepen ze de hulp van een lage edelman in.

De lage edelen hielpen de hoge niet voor niets. Ze kregen 1 of meerdere domeinen te leen. De koning en de edelen die één of meer domeinen in leen gaven, worden leenheer genoemd. De edelen die één of meer domeinen leenden, woorden leenman genoemd. De hoge edelen waren dus leenheer en leenman tegelijk. Zij waren leenman van hun leenheer, do koning. En zelf waren ze leenheer van lage edelen die één of meer domeinen van hen leenden.

Vragen:
1. Wat is een leenstelsel?
2. Wat is een ander woord voor leenman?
3. Wat waren de afspraken voor de leenheer en de leenman?
4. Wanneer eindigde dat “contract”?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. vorm van bestuursopbouw waarbij een koning of keizer een groot deel van zijn macht uitleent aan de edelen of hoge geestelijken.
2. fazal
3. leenheer: - leent macht aan leenheer – biedt de leenman bescherming.
Leenman: - biedt de leenman militaire steun – geeft de leenheer bestuurlijk advies – bestuurd zijn leengebieden en spreekt recht.
4. Bij het overlijden van de leenheer of leenman, bij het breken van de eed van trouw

De geestelijken.
De kerk was onder te verdelen in : de katholieke kerk in West-Europa en de Grieks-Christelijke kerk in Oost-Europa en een deel van het middenoosten. De geestelijken kon je ook in tweeën verdelen; De seculiere geestelijken en de reguliere geestelijken. Seculiere geestelijken zijn de paus, de bisschoppen en de priesters. Zij leven tussen de andere mensen. Alleen mannen kunnen seculier worden.

Vragen:
1. In welke groepen waren de seculiere geestelijken verdeeld?
2. Wat is een parochie?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. – de dorpspriesters -> Toezicht houden op het leven van de inwoners van zijn parochie en gelovigen voorbereiden op het leven na de dood.
- de bisschoppen -> toezicht houden op zijn parochie in zijn bisdom en het benoemen en ontslaan van dorpspriesters en het beheren van het kerkelijk bezit van zijn bisdom.
- De aartsbisschop -> het besturen van hun eigen bisdom en toezicht houden op een paar andere bisdommen.
- De paus -> hij staat aan het hoofd van alle geestelijken, Hij mag regels vaststellen waar iedere christen zich aan moet houden en hij mag alle bisschoppen bijeenroepen voor een concilie (kerkvergadering).
2. een parochie is een groep gelovigen, die meestal samenviel met een dorp in een domein.

Reguliere geestelijken zijn monniken en nonnen. Zij leven in afzondering in kloosters. Aan het hoofd van een klooster staat een abt of abdis. Monniken en nonnen leefden volgens, vaak strenge regels wat betreft bidden, kleren, slapen, eten etc. Zij mogen geen of nauwelijks bezittingen hebben. Ze mogen ook niet trouwen. Ze gehoorzamen allen maar de abt en abdis.

Vragen:
1. Waar waren de reguliere geestelijken lid van en wat was dat?
2. waarom was de invloed van de kerk en de geestelijken zo sterk?
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Antwoorden:
1. kloosterorde, dat is een organisatie van monniken of nonnen die in verschillende kloosters leven volgens dezelfde regels.
2. 1) omdat iedereen lid was van dezelfde kerk konden de geestelijken iedereen via een preekstoel regelmatig kon beïnvloeden.
2) tot in de lat middeleeuwen waren de geestelijken bijna de enigen die konden lezen en schrijven. En alleen de geestelijken konden nieuws vertellen, omdat zij regelmatig contact hadden met de wereld buiten hun eigen domein.
3) in de middeleeuwen geloofden d mensen dat het leven op aarde een voorbereiding was op het leven na de dood. Het was de taak van de geestelijken d mensen hierbij te helpen.
4) Geestelijken waren nodig in het besturen van een land (opstellen van wetten en verdragen) en bestuurden zelf ook een groot deel van het land.
5) De paus kon iedereen, ook koningen, uit de kerk zetten.
6) De kerk was heel rijk doordat de christenen een tiende van hun inkomsten aan de kerk gaf en door speciale belastingen bij het huwelijk en doopsels.
7) Alleen geestelijken schreven boeken. En zij schreven dan over dingen die voor de godsdienst belangrijk waren. Kunstenaars maakten vooral voorstellingen met godsdienstige onderwerpen. Geestelijken deden als enigen aan wetenschap. Zij hielden zich alleen bezig met vakken die godsdienstig nut hadden.

Mogelijkheden om van de ene bevolkingslaag in de andere terecht te komen
In de vroege middeleeuwen lag het in de meeste gevallen bij je geboorte al vast of je de rest van je leven tot de boeren of de edelen zou behoren. Je kon alleen uit je groep komen door geestelijke te worden. Voor de boeren was dit de enige mogelijkheid aan het leven op een domein te ontkomen. Bekwaamde jongemannen konden het in de kerk verbrengen. Hun afkomst deed er daarbij niet toe.
In de samenleving van de late middeleeuwen traden enkele veranderingen op waardoor de mogelijkheid. Groter werd om van de ene in de andere bevolkingslaag terecht te komen.