Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

module 3+4

Samenvatting Nederlands


Niveau: 4 HAVO

Taal:

Opmerking: Deze samenvating is van Module 3+4, dit is in het informatieboek hoofdstuk 5+6+7. Veel plezier met deze samenvatting:P


Bekeken: 5914 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Hoofdstuk 5;
Fabel: chronologische geordende geschiedenis: in tijd op elkaar volgende en met elkaar verbonden gebeurtenissen, die worden veroorzaakt of ondergaan door personages.
Samenvatten: je vat de geschiedenis (fabel) samen. Dit dus in chronologische volgorde. In het verhaal zelf kunnen ze wel in een andere volgorde verteld zijn.
Kunstgrepen: de schrijver heeft in zo’n geval bewust voor een andere volgorde gekozen; hij heeft ingegrepen in de geschiedenis van het verhaal. Hij heeft de gebeurtenissen naar zijn hand gezet. Dit noemen we -. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn:
1. het verhaal spannender maken, maar ook boeiender en interessanter.
2. de lezer actiever bij het verhaal betrekken.
3. je nieuwsgierig maken.
4. de thematiek verduidelijken.
Het rookoffer -> Tessa de Loo
Turks Fruit -> Jan Wolkers
Sujet: de volgorde van de gebeurtenissen in het verhaal. Sujet en fabel is hetzelfde als er geen kunstgrepen zijn toegepast. Het verhaal is dan chronologisch. Ze wijken af als je een andere vertelvolgorde kiest.
Bouw/structuur: de manier waarop het verhaal is opgebouwd. Verhalen kunnen verschillende structuren hebben.
Chronologische volgorde: de gebeurtenissen worden verteld op volgorde in tijd waarin ze plaatsvinden. Zoals in de werkelijkheid.
Niet chronologische volgorde: wanneer het verhaal begint dat er al het nodige is gebeurd en dat je verderop in het verhaal door een flashback achter vroegere gebeurtenissen komt. Het zorgt ervoor dat je nieuwsgierig wordt. Er wordt informatie achtergehouden die je beetje bij beetje te weten komt.
Flashback: wanneer het verhaal voor een langere periode terugspringt in de tijd. (Ik ook van jou -> Ronald Giphart) Gebeurtenissen uit een vroegere tijd worden verteld. Ze zijn herkenbaar door witregels of overbruggende zinnen. Maar soms ook niet (een leeg huis -> Marga Minco / Hersenschimmen -> K. Bernlef) De functie ervan is om duidelijk te maken hoe moeilijk het voor personages kan zijn los te komen van het verleden. Ook geven ze informatie over het verleden van de personages, waardoor je de personages beter gaat begrijpen.
Verhaallijn: alle belangrijke gebeurtenissen hangen samen met het bereiken van het doel van de hoofdpersoon. Als je de gebeurtenissen beschrijft en de details weglaat heb je de verhaallijn te pakken. Tussen de gebeurtenissen in een verhaal bestaat een samenhang. De gebeurtenissen zijn met elkaar verbonden en de ene gebeurtenis komt uit de andere voort.
Losse structuur: gebeurtenissen vormen weinig verband, of de ene gebeurtenis komt niet duidelijk uit de andere voort. Er zijn zijlijnen en details die vulling aan het verhaal geven.
Hechte structuur: alles wat er gebeurt hangt samen. Maar soms zou je dat niet meteen zeggen. Herhaling kan op een andere manier zorgen voor samenhang; door vooruitwijzingen en terugverwijzingen. (Jules Deelder)
W.F. Hermans -> hechte samenhang.
Harry Mulish -> de aanslag/twee vrouwen -> hechte samenhang
Remco Campert ↓
Maarten ’t Hart → losse structuur.
Arnon Grunberg ↑
Vooruitwijzing: wordt er vooruitgewezen naar iets wat verderop in het verhaal gaat gebeuren. Het ene gedeelte hangt dus samen met het andere.
Terugverwijzingen: wordt verwezen naar iets wat al gebeurd is en ook hier wordt een tekstgedeelte in verband gebracht met een ander tekstgedeelte.
Afzonderlijke verhaallijnen kunnen ook samenhangen door:
- - - in beide lijnen kan dezelfde figuur de hoofdpersoon zijn met andere tegenspelers en andere problemen
- - - in beide verhaallijnen zijn verschillende personages de hoofdfiguur.


Hoofdstuk 6;
Verteller: degene door wiens ogen je de gebeurtenissen ziet. Hij bepaalt wat je te zien krijgt. Hij bepaalt het perspectief (zicht) op de gebeurtenissen.
Ikvertelsituatie: dan vertelt een ‘ikpersoon’ (meestal de hoofdpersoon) wat er gebeurt. Je ziet alles door zijn/haar ogen. Je bent volledig gebonden aan het perspectief van de ikpersoon. Het is een ‘gekleurd’, subjectief beeld. Je kunt goed met hem/haar meeleven. Andere personages kom je alleen de buitenkant te weten, niet wat zijn denken, alleen wat zij doen. Dit perspectief kan een onbetrouwbaar perspectief zijn, omdat je niet zeker weet of het waar is wat de ikpersoon verteld. Hij/zij kan je opzettelijk bedriegen en verkeerde beelden geven.
De passievrucht
Turks Fruit -> Jan Wolkers
Eclips -> J. Bernlef
Alwetende vertelsituatie: de verteller is iemand die alles weet van alle personen. De verteller weet wat al die personen zien, denken, horen, en voelen. Hij staat als het ware boven het verhaal. Hij kan in de toekomst en verleden kijken. Hij is een soort gids die jou als lezer bij de hand neemt en soms commentaar levert op de gebeurtenissen. Hij is geen verhaalpersonage. Hij verteld over de personages in de hij/zij vorm. Dit perspectief is minder subjectief.
Buitenstaanders -> Renate Dorrestein
Personale vertelsituatie: je ziet de gebeurtenissen door de ogen van 1 personage, maar het verhaal staat niet in de ikvorm maar in de hij/zij vorm. Het lijkt of het verhaal zichzelf verteld. Hij lijkt objectief, maar hij is subjectief. Daarom kan dit perspectief onbetrouwbaar zijn.
De donkere kamer van Damokles -> W.F. Hermans.
Meervoudig perspectief: de gebeurtenissen worden afwisselend door de ogen van verschillende personages gezien. Je ziet dezelfde gebeurtenissen vanuit verschillende invalshoeken. Je maakt dus kennis met verschillende subjectieve visies.
De kroongetuige -> Maarten ’t Hart
Het verrotte leven van Floortje Bloem -> Yvonne Keuls
De Metsiers / De geruchten -> Hugo Claus
Het gouden ei -> Tim Krabbé
Verborgen gebreken -> Renate Dorrestein

Hoofdstuk 7;
Oeroeg -> Hella S. Haasse -> Nederlandse met Indische jongen
Interpreteren: uitleggen, verklaren, leid je allerlei verhaalgegevens af wat de betekenis is. Last van verschillende interpretaties door: individuele verschillen, de tekst zelf.
Verhaallaag -> betekenislaag/thematische laag: het vertelt je wat er eigenlijk met het verhaal bedoeld wordt.
Thematiek: in 1 woord of zin opschrijven wat volgens jou de betekenis is van een tekst. Het is iets algemeens, abstracts, niet iets concreets. Het is juist de gedachte achter iets concreets. Bijv. de dood, ongeluk in de liefde, vriendschap, overspel, tegenstelling arm/rijk.
Motief: herhalingen in het verhaal of een gedicht.
Leidmotief: als een concreet voorwerp telkens in het verhaal opduikt.
Het gouden ei -> Tim Krabbé
Literair-historische motieven: motieven die vaak voorkomen in de literatuur: verloren zoon, fatale vrouw, doodgewaande geliefde, de reis, schuld, enz.
Vals licht -> Joost Zwagerman -> bedriegelijke schijnwereld.
Hersenschimmen -> J. Bernlef -> dementerende man
Brandende liefde -> Jan Wokers.
Motto: korte tekst die voorin het boek staat.
Zilver of het verlies van de onschuld -> Adriaan van Dis.
De kleine blonde dood -> Boudewijn Buch.
Een onbekende trekvogel -> Kader Abdolah.