Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Biologie Hoofdstuk 4 Ordening

Samenvatting Biologie


Niveau: 1 HAVO VWO

Taal:

Opmerking: Hier heb ik een 9 voor gehaald


Bekeken: 9765 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Biologie Diagnostische toets;

Bacteriën
1. Zijn bacteriën eencellig of meercellige organismes?
2. Hoe planten bacteriën zich voort?
3. Welke 3 dingen kunnen bacteriën allemaal doen?
4. Welke kenmerken heeft de bacterie?

Antwoorden:
1. Eencellig
2. D.M.V. deling
3. Ze kunnen voedsel bederven, ziektes veroorzaken en je kunt ze gebruiken voor producten
4. Ze hebben celwanden maar geen bladgroenkorrels en ook geen celkern

Schimmels:
1. Zijn de schimmels eencellig of veelcellig?
2. Hoe planten schimmels zich voort?
3. Welke 3 dingen zijn schimmels nuttig voor?
4. Welke kenmerken heeft de schimmel?

Antwoorden:
1. Veelcellig
2. D.M.V. sporen
3. Je kunt ze eten, Je kunt ze gebruiken voor medicijnen en producten
4. Ze hebben een celwand en een celkern, maar geen bladgroenkorrels

Planten:
1. Welke 3 soorten planten bestaan er en noem daarvan de kenmerken op.
2. Welke 2 soorten zaadplanten bestaan er en noem 2 kenmerken op
3. Wat is een ander woord voor wier en noem daarvan 2 voorbeelden.
4. probeer voorbeelden te noemen van de andere planten.

Antwoorden:
1. Wieren > Geen wortels, stengels, bladeren of bloemen,
Sporenplanten > Hebben wortels, stengels en bladeren maar geen bloemen. Voortplanting door sporen
Zaadplanten > Hebben wortels, stengels, bladeren en bloemen. Voortplanting door zaden.
2. Bedektzadigen > Zaden in vruchten, Bladeren niet naaldvormig.
Naaktzadigen > Zaden tussen de schubben van kegels, bladeren meestal naaldvormig.
3. Algen, Kranswier en Boomalg
4. Sporenplanten: haarmos, mannetjesvaren, Zaadplanten: - Naaktzadigen: den, spar. – Bedektzadigen: appelboom, gras

Dieren:
1. Wat zijn de kenmerken van de dieren?
2. Noem de 8 afdelingen op en zeg daarvan de kenmerken.
3. Ik welke groepen zijn de geleedpotigen gedeeld en de gewervelde?
4. Noem een paar voorbeelden van de Weekdieren.
Antwoorden:
1. Geen celwanden en bladgroenkorrels, maar wel een celkern.
2. Eencellige dieren, sponzen, holtedieren, wormen, weekdieren, geleedpotigen, stekelhuidige, gewervelde. *
3. Geleedpotigen > Kreeftachtige, Duizendpoten, spinachtige, insecten. Gewervelde > Vissen, Amfibieën, Reptielen, Vogels, Zoogdieren.
4. Inktvis, mossel, Slak
• * Kenmerken:
• Eencellige: Niet-symmetrisch, Geen skelet, leven in water, bestaan uit 1 cel.
• Sponzen: Niet symm., Skelet van stevige vezels, leven in water
• Holtedieren: Veelzijdig symm., meestal geen skelet, leven in water.
• Wormen: 2-zijdig-symm., Geen skelet, lichaam is lang en dun.
• Weekdieren: Tweezijdig-symm., Meestal een schelp of huisje als skelet.
• Geleedpotigen: Tweezijdig-symm., Uitwendig skelet (pantser), gelede poten, Bijna het hele lichaam bestaat uit segmenten.
• Stekelhuidige: veelzijdig-symm., inwendig skelet, huis is bedekt met stekels en knobbels
• Gewervelde: Tweezijdig-symm., inwendig skelet met een werfelkolom.

De groepen van de Geleedpotigen:
1. Hoeveel poten heeft de duizendpoot, kreeften, spinnen en de insecten?
2. Uit welke onderdelen bestaat de insect?
3. Waar of onwaar?” Het lichaam van een duizendpoot bestaat voor een klein gedeelte uit segmenten”
4. Noem voorbeelden van de kreeften en de duizendpoten.

Antwoorden:
1. Duizendpoot: Aan elke segment zitten 2 poten. Kreeft: Meer dan 10. Spin: 8. Insect: 6
2. Kop, Borststuk, Achterlijf.
3. Onwaar. Het gehele lichaam bestaat uit segmenten.
4. Kreeften: Garnaal, rivierkreeft en Duizendpoten: miljoenpoot en ’n reuzenduizendpoot

De groepen van de Gewervelde:
1. Hoe is de huid van deze groep bedekt?
2. Is de groep warm- of koudbloedig?
3. Hoe halen ze adem?
4. Hoe planten ze zich voort?
5. In welk milieu leven ze?

Antwoorden:
1. Vissen: Met schubben en slijm. Amfibieën: Met slijm. Reptielen: Met droge schubben. Vogels: Met veren. Zoogdieren: Met haren.
2. Vissen: Koudbloedig. Amfibieën: Koudbloedig. Reptielen: Warmbloedig. Vogels: Warmbloedig. Zoogdieren: Warmbloedig.
3. Vissen: Met kieuwen. Amfibieen: Kieuwen + huid, Daarna longen + huid. Reptielen: Longen. Vogels: Longen. Zoogdieren: Longen.
4. Vissen: Eieren zonder schaal. Amfibieen: Eieren zonder schaal. Reptielen: Eieren met leerachtige schaal. Vogels: Eieren met kalkschaal. Zoogdieren: Levendbarend.
5. Vissen: Water. Amfibieen: Water en land. Reptielen: Land. Vogels: Lucht en land. Zoogdieren: Land
Extra doelstellingen:
1. Wanneer zijn 2 dieren een soort? ( zeg maar )
2. Kunnen organismen die tot een soort horen van verschillende rassen behoren?
3. … wordt ingedeeld in … Die worden weer ingedeeld in … Die weer in … En die weer in … Tenslotte nog in …
4. Kunnen de rassen sterk in uiterlijk verschillen?

Antwoorden:
1. - Als ze zich kunnen voortplanten
- Als de nakomelingen samen zich ook kunnen voortplanten
2. Ja
3. Afdelingen, Klasse, Orden, Familie, geslacht, soorten.
4. Ja