Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

nederlans samenvatting

Samenvatting Nederlands


Niveau: 3 HAVO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 5778 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Blok 3;;

· Simone van der vlugt: schrijft vooral jeugdboeken, die zich in het verleden afspelen, met veel spannende avonturen, lezen vlot, veel afwisseling. → Piraten, Kinderarbeid, De Amulet, Bloedgeld, Jeanne.
· Hoofdpersonen; kom je veel van te weten.
· Bijfiguren: kom je minder van te weten, kunnen verschillende rollen hebben met betrekking tot de hoofdpersoon.
· Karakters: kom je zoveel van te weten dat ze haast uitgroeien tot echte mensen, het zijn dan ook vaak hoofdpersonen.
· Type: ze hebben 1 opvallende eigenschap, ze reageren vaak op dezelfde manier.
· Identificatie: als je met de hoofdpersoon gaat meeleven.
· Thema: onderwerp van het verhaal.
· Interpreteren: betekenis geven
· Motieven: deelonderwerpen.
· Vooropplaatsing: wordt een woord of groepje woorden geïsoleerd voorop geplaatst.
· Inversie: wordt de volgorde van de zin veranderd.
· Normale volgorde: onderwerp – persoonsvorm – voorwerp – bijwoordelijke bepaling.
· Opsomming: noem je een aantal zaken achter elkaar op met een versterkend effect.
· Climax: als de onderdelen van een opsomming aangeven dat iets sterker wordt.
· Archaïstische: deftige, ouderwetse, ordinaire woorden (die met opzet zijn gebruikt)
· Bijstelling: soort bijvoeglijke bepaling, is dus deel van een ander zinsdeel. Men noemt hierin hetzelfde maar dan met andere woorden, en tussen komma’s.
· Bijwoord: onveranderlijk, en bijna altijd weg te laten;
1. Zegt iets van een werkwoord, ander bijwoord, bijvoeglijk naamwoord.
2. Geeft een plaats aan.
3. Geeft een tijd aan.
4. Vb. wel, toch, ook, nog, immers, al, hoe.
· Voegwoorden: woorden die woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar verbinden.
1. Nevenschikkende voegwoorden: verbinden gelijkwaardige delen. Je kunt de zinnen of woorden onafhankelijk gebruiken zonder de volgorde te veranderen. Vb. en, want, maar, of, dus.
2. Onderschikkende voegwoorden: verbinden niet-gelijkwaardige delen. Als je 2 zinnen wilt maken dan moet je in 1 van die zinnen de woordvolgorde veranderen. Vb. zodat, voordat, omdat, nadat, doordat, hoewel, aangezien, als , dan, indien, mits, tenzij, toen, zodra, dat, of.
· Hoofdonderwerp: waar de tekst over gaat.
· Deelonderwerpen: het onderwerp van een tekst wordt besproken in het middenstuk. Er worden dan verschillende kanten van het onderwerp besproken.
· Tussenkopje: als de inhoud van 1 of meer alinea’s worden samengevat in een groepje woorden of in een korte zin.
· Hoofdgedachte: datgene wat de tekst duidelijk wil maken in 1 zin.
· Tekstgedeelte functie: vraag over onderwerp, laatste alinea = samenvatting geven.


· Liggend streepje:
1. Letterverwarring in samengestelde woorden. Na-apen, mini-jurk.
2. Samenstellingen met letters, afkortingen, cijfers en andere tekens. T-kruising.
3. Na Griekse en Latijnse voorvoegsels. Ex-bokser, pseudo-vogelpest.
4. Om samenstellingen met sin. Sint-Maarten, sint-bernardshond.
5. Bij woorden uit het engels, met een voorzetsel dat vooraan staat. Pull-over, set-up.
6. In samengestelde aardrijkskundige namen. Zuid-Europa, Centraal-Azië.
7. Bij gelijkwaardige delen. Sociaal-democraat, collega-docent, café-restaurant.
8. Anders (soms met meer dan 1 streepje) staakt-het-vuren, rood-wit-blauw.

Blok 4;;

· Eed Franck: was eerst leraar in het voortgezet onderwijs, werd daarna schrijver, bekend om zijn jeugdromans, hij heeft ook de jeugd kennis laten maken met een aantal beroemde en belangrijke boeken uit de wereldliteratuur. Enkele van zijn bewerken zijn: Romeo en Julia, Medea, en van zijn eigen werken: Zomer zeventien, Het huis van eb en vloed.
· Chronologische volgorde: als de gebeurtenissen na elkaar worden verteld, zoals in de werkelijkheid. Opgebouwd: beginsituatie → ontstaan van het probleem → verslechtering van de situatie → dieptepunt → langzame verbetering → afronding of ontknoping.
· Niet-chronologische volgorde: de vorm van het verhaal wijkt af van de ‘normale’ volgorde. De gebeurtenissen kunnen door elkaar zijn gegooid en terugblikken bevatten.
· Motorisch moment: de gebeurtenis waar het conflict of probleem ontstaat.. Alles komt op gang.
· Cliffhanger: een spannend einde dat de volgende keer weer verder gaat.
· Happy end: als alle vragen goed beantwoord zijn, en goed afgelopen.
· Droevig einde: het verhaal loopt slecht af.
· Open einde: dan blijven er nog vragen over, het blijft onduidelijk of het probleem van de hoofdpersoon in opgelost.
· Vertelde tijd: de tijd die in een verhaal verloopt.
· Verteltijd: de tijd die nodig is om een verhaal te vertellen, die drukken we uit in blz.
· Vertragingen: als een verhaal vertraagt, wordt meestal iets belangrijks verteld.
· Versnellingen: als een verhaal versnelt, worden meestal minder belangrijke gebeurtenissen vlot afgedaan.
· Tijdsverdichting: er verstrijkt veel tijd in weinig zinnen.
· Tijdsprong: het overslaan van tijd.
· Terugblikken / flashbacks: stukken verhaal waarin de gebeurtenissen worden onderbroken en we een tijdje naar een andere tijd gaan.
· Terugwijzing: wordt teruggewezen naar iets wat eerder is gebeurd, maar zonder dat het verhaal wordt onderbroken.
· Vooruitwijzing: wordt vooruitgewezen naar iets dat nog gaat komen, het kan een gedachte of uitspraak van een verhaalpersoon zijn, maar ook een opmerking van de verteller die al weet wat de persoon te wachten staat.
· Antithese / tegenstelling: worden 2 zaken tegenover elkaar gesteld, zowel in fictie als in dagelijks taalgebruik.
· Paradox / schijnbare tegenstelling: het verschijnsel dat iets een tegenstelling lijkt, maar in werkelijkheid niets is.
· Hyperbool / overdrijving: wordt iets sterker of groter gemaakt dan dat het in werkelijkheid is,, ze worden in het dagelijks leven heel veel gebruikt.
· Enkelvoudige zin: een zin met 1 persoonsvorm.
· Samengestelde zin: een zin met meerdere persoonsvormen.
1. nevenschikkend: de delen zijn gelijkwaardig, je kunt elk deel als een zelfstandige zin opschrijven. Je hebt dan ook te maken met 2 hoofdzinnen.
2. onderschikkende: de delen zijn ongelijkwaardig, je kunt elk deel niet als een zelfstandige zijn opschrijven. Je hebt dan ook te maken met een hoofdzin en een bijzin.
· In een samengestelde zin:
· hoofdzin: onderwerp en persoonsvorm naast elkaar, je kunt ze ook niet van elkaar scheiden door andere zinsdelen.
· bijzin: onderwerp en persoonsvorm niet naast elkaar, er staan andere woorden tussen. Als dat wel is dan kunnen ze wel gescheiden worden.
· Bijvoeglijke bijzin: dan staat de bijzin in de hoofdzin, de bijzin geeft dan informatie over het woord dat ervoor staat.
· Meervoudsvormen:
1. De meervoudsuitgang –s schrijf je aan het woord vast;; douches, cafés cadeaus.
2. Als daardoor een verkeerde uitspraak mogelijk is, schrijf je –’s; papa’s, taxi’s accu’s.
3. Woorden op –ie met de klemtoon niet op de laatste lettergreep schrijf je met een -n en dop de –e komt een trema;; Koloniën, poriën.
4. Aan woorden op –ie met de klemtoon wel op de laatste lettergreep voeg je –ën toe;; Industrieën, melodieën.
5. Woorden op onbeklemtoon –ik, -es of –et schrijf je met 1 medeklinker;; slimmeriken, luiwammesen, lemmeten.
· Apostrof:
1. Bij het meervoud;; martini’s, foto’s.
2. Bij het meervoud of verkleinwoord van letters, afkortingen en cijfers;; twee a’s, een c’tje, tv’s, A4’tje.
3. Bij een achtervoegsel;; AOW’er.
4. Als woorden een bezit aanduiden. Als deze woorden op een sisklank eindigen, schrijf je alleen een apostrof: opa’s horloge, Frans’ agenda, Beatrix’ kinderen.