Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Drogredenen/StijlfigurenB4.1-B4.3-B5.4-B6.1-B6.2-B6.3-B6.7-C9.3

Samenvatting Nederlands


Niveau: 4 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 4605 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




B4.1
Belangrijke algemene tekstdoelen: uiteenzetten, beschouwen en overtuigen.
- Uiteenzetten: Informatie geven, objectief blijven, doel: mensen op de hoogte brengen van iets wat zij nog niet weten. Instrueren: aan te geven hoe je iets moet doen.
- Beschouwen: Onderwerp vanuit verschillende invalshoeken bekeken, subjectieve uiteenzetting, doel: mensen aan het denken zetten, voor-en nadelen geven.
- Overtuigen: doel: mensen overtuigen van jouw mening, argumenten geven en tegenargumenten weerleggen, in conclusie uitleggen waarom mensen moeten instemmen met jouw standpunt. Activeren: aansporen iets te doen.

B4.3
Concrete tekstdoelen. Een algemeen tekstdoel moet je uitwerken tot een concreet tekstdoel, belangrijk hierbij is dat je je tekstdoel zo precies mogelijk formuleert.

B5.4
Juiste informatie geven. Je kan niet altijd weten of de informatie die je aangeboden krijgt juist is, dus je een tekst leest is het altijd goed om te kijken uit welke bron de informatie komt. Als je zelf een tekst schrijft of een voordracht houdt moet je ook de juiste informatie verstrekken. Je moet letten op deze punten:
- Betrouwbaarheid van de bron: de bronnen die je raadpleegt moeten betrouwbaar zijn
- Tegenstrijdigheden in de verzamelde informatie: tegenstrijdigheden in je gegevens moet je wegwerken door meerdere bronnen te gebruiken.
- Vermenging van feiten en meningen: je moet feiten en meningen goed scheiden.

B6.1
Het bouwplan.
- Stel je hoofdvraag op, die is niks anders dan je concrete tekstdoel in de vragende vorm opgeschreven.
- Kies een structuur; uiteenzettingsstructuur, beschouwingsstructuur of een betoogstructuur.
- Maak een bouwplan met inleiding/kern/slot en denk bij elk tekstdeel na wat de functie ervan is in het grotere geheel.

B6.2
De alinea als bouwsteen. Alinea’s kun je zichbaar maken door: het gebruik van een witregel, inspringen of vooraan op een nieuwe regel beginnen. Kies altijd één manier. Elke alinea heeft een kernzin, en als je weet hoe je een kernzin moet vinden weetje ook hoe je een samenvatting moet maken, die bestaat namelijk uit kernzinnen. Als je niet weet hoe je een kernzin moet vinden maak dan gebruik van een structuurschema. Maak gebruik van aanvullende zinnen en hoe minder belangrijk een zin is hoe verder naar rechts de zin staat.


B6.3
Indeling van de totale tekst. Grove indeling: Inleiding/Kern/Slot.
- Inleiding: aandacht trekken, laten blijken waarover je tekst gaat. Verschillende manieren:
• Onderwerp- of probleembeschrijving: introductie onderwerp/probleem
• Anekdote: Een waar gebeurd, amusant, zeer kort verhaal met een climax of pointe erin.
• Sfeerbeschrijving: sfeerbepalende elementen rond het verhaal beschrijven.
• Actiealinea: een alinea waarin meteen iets gebeurd.
• Filosofische gedachtegang
Nog veel meer andere soorten inleidingen, citaat, spreekwoord ed. Probeer nooit op een geforceerde manier origineel te zijn. In een geschreven tekst moet je het onderwerp nooit expliciet aankondigen, maar in een voordracht wel.
- Kern: De kern moet het antwoord geven op de hoofdvraag. Houvast aan je bouwplan. De tekstgedeeltjes uitwerken tot alinea’s. Let op natuurlijke overgang tussen inleiding en kern, goede verdeling van alinea’s, vloeiende overgangen, goeie alineastructuur.
- Slot: Zorgen dat de booschap blijft hangen. In de slotalinea kan je: weer terugkeren naar de hoofdvraag, een samenvatting geven, conclusie trekken, aansporing of beveling doen, met een retorische vraag afsluiten of vooruitblikken.


B6.7
Fouten bij verbindingswoorden.
1. Het verwijswoord is grammaticaal onjuist. Bij een het-woord moet je verwijzen met ‘het’ of ‘zijn’. Bij een de-woord moet je weten of het woord mannelijk of vrouwlijk is.
2. Het verwijswoord is onduidelijk. Een verwijswoord verwijst altijd naar een ander woord of zinsdeel. 4 verschillende manieren om onduidelijk te zijn met verwijswoorden:
- Er is geen antecedent
- Het antecedent blijft vaag
- Er zijn 2 mogelijke antecedenten
- Het antecedent staat te ver weg
3. Het verwijswoord is mannelijk, terwijl er ook naar meisjes/vrouwen wordt verwezen. Als je bijv. bij een ‘jongere’ het verwijswoord ‘hij’ gebruikt. Probeer dan ‘jongeren’ en ‘ze’ te gebruiken.
4. Er wordt een signaalwoord gebruikt maar vervolgens handelt de schrijver niet volgens het afgegeven signaal. Bijv. als de schrijver ‘dus’ gebruikt, maar er geen conclusie volgt.
5. Er wordt een dubbel signaal gegeven: Maar en echter of zoals en bijvoorbeeld in dezelfde zin gebruiken, dit wordt ook wel tautologie genoemd.

Correct formuleren. Zinsbouwfouten.
1. De foutieve samentrekking: als je een zinsdeel weglaat ipv herhaalt. Het weggelaten zinsdeel moet dezelfde functie hebben, dezelfde vorm en dezelfde betekenis. Die fiets heb ik tweedehands gekocht en bevalt mij goed/ Ik heb een nieuwe dynamo en achterlicht gekocht/ Hij maakte een vergissing en vervolgens dat hij wegkwam.
2. De ontspoorde zin: Ontspoorde zinnen heten anakoloeten. Meestal gaat het om zinnen waarbij het tweede gedeelte niet aansluit op het eerste gedeelte.
3. De foutieve beknopte bijzin: Het onderwerp in de beknopte bijzin is weggelaten en dat levert een komische niet bedoelde betekenis op. Vrolijk liedjes zingend werden de aardappels geschild.
4. Verkeerd geplaatste zinsdelen: verkeerd geplaatste zinsdelen kunnen misverstanden opnoemen, die op je lachspieren kunnen werken en soms ook problemen kunnen opleveren met verwijzingen. Zij gaven kleren aan de daklozen die ze op zolder hadden liggen.
Woordkeuzefouten.
5. Woordvergissing: Het gekozen woord lijkt qua vorm sterk op het woord dat je zou moeten gebruiken maar het heeft een hele andere betekenis. Het bedrijf heeft overal vestingen. (vestigingen!)
6. Contaminatie: een verhaspeling van woorden en uitdrukkingen. Edelmant, mond-op-mond-reclame, Die speler behoort tot een van de beste basketballers vd wereld.
7. Congruentiefout: Als het O ev is, staat de Pv ook in het ev. Dit kan fout gaan doordat bijv. het zinsdeel dat voorop staat ten onrechte wordt aangezien als O, het O mv is maar daartussen ook ev-en staan. De overeenkomsten in ambitie om de top te bereiken, verbond deze twee atleten.
8. Bijzondere gevoelswaarde: Met woorden van een bepaalde gevoelswaarde kan je luisteraars choqueren. Meneer, het lijkt in deze les wel een concentratiekamp.

C9.3
Drogredenen.
1. Onjuist gebruikte reden, oorzaak of verklaring: Het aantal oogklachten is toegenomen nadat we nieuwe computers hebben gekregen. Dus er is iets met die beeldschermen aan de hand. ‘Nadat’ wordt hier opgevat als ‘Omdat’.
2. Verkeerde vergelijking: Ik vind het heel gevaarlijk om jou dat alleen te laten beslissen. Kleine kinderen laat je ook niet alleen oversteken.
3. Generalisatie: Kijk, daar staat Eddy bij het fietsenhok. Dus de hele klas zal wel vrij zijn. Op grond van één voorbeeld wordt een conclusie getrokken waarbij je iedereen over één kam scheert.
4. Autoriteitsargument: Je denkt dat je kunt volstaan met een verwijzing met een bepaalde persoon die ooit iets heeft gezegd. Het is waar want het staat in de bijbel. Morgen wordt het slecht weer. Mijn opa die het aan zijn likdoorns kan voelen, heeft dat zelf gezegd. Neem dat nou maar van mij aan! Dat programma moet wel heel goed zijn, want het heeft de hoogste kijkcijfers.
5. Ontduiking van de bewijslast: Je mag niet als argument noemen dat het geven van een argument niet nodig is. Ik mag thuiskomen wanneer ik dat wil. Moet ik daar nog een reden voor geven? Of als iemand geen echte argumenten kan geven: Iedereen weet tog… Laten we nou wel wezen, het is toch zo dat..
6. Cirkelredenering: Je moet je argumenten niet in je standpunt herhalen. Ik mag thuiskomen wanneer ik dat wil, omdat ik dat zelf mag bepalen.
7. Vaag taalgebruik: Ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn tas, dus ik pas in mijn tas.
8. Onzakelijke argumentatie: Als je in een betoog iets persoonlijks van je tegenstander in het geding brengt. Iemand met zo’n kapsel kan tog niks zinnigs te vertellen hebben. Niet wie het zegt is echter belangrijk, maar wát er gezegd wordt. U zegt dat roken slecht is. Maar waarom rookt u dan zelf? Of je tegenstander onder druk zetten. Je moet het natuurlijk zelf weten, maar ik zou op tijd aanwezig zijn. Zieligheidsargument. Pa, weet je wel wat het betekent wanneer ik als enige van de klas moet zeggen dat ik van mijn ouders niet mee mag?
9. Overdreven consequentie: consequenties overdrijven: Ik ben echt tegen alcoholgebruik op schoolfeesten. Als we dat toestaan, zijn onze leerlingen binnen de kortste keren aan de drugs.
10. Vertekening van standpunten: Je moet iemands standpunt nooit overdrijven, want anders kan die ander terecht opmerken ‘dat heb je mij niet horen zeggen’.

Woordkeuzefouten (1):
 Woordvergissing (het woord lijkt qua vorm op het woord dat je bedoelt, maar het heeft een hele andere betekenis)
 Contaminatie (verhaspeling van woorden en uitdrukkingen)
 Congruentiefout (als het onderwerp enkelvoud is, is de PV ook enkelvoud. Als het onderwerp meervoud is, is de PV ook in het meervoud)
 Bijzondere gevoelswaarde (er iets anders van maken dan je werkelijk bedoelt)

Woordkeuzefouten (2):
 Pleonasme (een deel van de betekenis van een woord, wordt in een ander woord herhaald
 Tautologie (De volledige betekenis van een woord wordt weer herhaald)
 Dan/Als (na vergr. trap: dan, na vergelijkende trap+rest: als)
 Hen/Hun (hun als het een meew. voorwerp zonder VZ is, hen ná VZ)
 Hun/Mij
 Jou/Jouw (jou=persoonlijk vnw. jouw=bezittelijk vnw.)
 Aan wie/Waaraan (‘aan wie’ bij personen, ‘waaraan’ bij dieren en dingen)
 Meeste/Meesten (meeste als er een ZN achter staat, meesten als het ZN er niet staat)
 Dat/Wat (wat: verwijzing naar hele zin of onbepaald iets, dat: verwijzing naar onzijdig ZN)


Stijlfiguren:
1: Alliteratie: Enkele woorden in een zin beginnen met dezelfde medeklinker in een beklemtoonde lettergreep.

2: Assonantie: Rijm van woorden door gelijke, beklemtoonde klinkers.

3: Beeldspraak: Beschrijving waarin een bepaald beeld wordt opgeroepen.
4: Climax: Een opsomming waarbij de delen steeds sterker worden.

5: Herhaling: Het herhalen van woorden en zinsdelen.
6: Hyperbool: Sterke overdrijving.

7: Ironie: Vorm van spot waarbij de gegeven betekenis tegenovergesteld is aan de bedoelde betekenis.

8: Litotes: Iets zeggen door het tegenovergestelde te ontkennen.

9: Metafoor: Een vorm van beeldspraak waarbij je een voorwerp of begrip benoemt met een woord dat meestal gebruikt wordt voor een ander voorwerp/begrip.

10: Metonymia: Een vorm van beeldspraak die berust op iets anders dan een vergelijking. Je noemt bv. een deel ipv het geheel, of de maker van iets ipv het schilderij.

11: Paradox: Een uitspraak die tegenstrijdig lijkt, maar niet zo blijkt te zijn.

12: Parallellisme: Zinnen die op dezelfde manier zijn opgebouwd.

13: Personificatie: Een vorm van beeldspraak waarbij een zaak wordt voorgesteld als een persoon.

14: Retorische vraag: Vraag waarbij het antwoord in feite al gegeven is.

15: Sarcasme: Vorm van spot, die sterker en scherper is dan ironie.

16: Understatement: Iets minder erg of kleiner voorstellen dan het is (onderdrijving).

17: Vergelijking met ‘als’

18: Prolepsis: Een zinsdeel vooropplaatsen dat in de gewone volgorde van de zin niet vooraan zou staan.

19: Woordspeling: Woorden op een creatieve manier in verschillende betekenissen gebruiken.

20: Zelfcorrectie: Opzettelijk iets anders zeggen, om de ‘vergissing’ daarna met nadruk recht te zetten.