Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Hoofdstuk 2 Politieke besluitvorming § 1.1 tot § 3.4

Samenvatting Maatschappijleer


Niveau: 4 HAVO VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 3732 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Hoofdstuk 2 Politieke besluitvorming
1. Democratie
§ 1.1 Wetten en staat
Voor iedereen geldende regels worden ook wel wetten genoemd. Ze gelden in een bepaald land=staat. Drie kenmerken van een staat:
1. heeft een precies afgebakend grondgebied.
2. er woont een bevolking in die vaak wat gemeenschappelijks heeft.
3. de overheid (staat) heeft binnen het gebied de meeste macht.

De overheid beschikt over macht omdat ze burgers kan dwingen via straffen zich aan de wetten te houden.
Gezag is macht die als juist en redelijk wordt aanvaard. Als veel mensen ontevreden zijn over de overheid, kan er een gezagscrisis ontstaan.

§ 1.2 Belangen, conflicten, politiek en beleid
Mensen verschillen op veel punten van elkaar → ze hebben verschillende belangen. Naast de verdeling van geld heeft de overheid ook als taak conflicten tussen versch. groepen niet uit de hand laten lopen.
Met politiek bedoelen we alles wat met de overheid te maken heeft.
De overheid voert ook beleid. Dat betekent een doel proberen te bereiken door doelgericht gebruik van middelen.

§ 1.3 Democratie en dictatuur
Dictatuur:
 Een persoon of een kleine groep mensen heeft de macht.
 De inwoners hebben weinig rechten, maar voornamelijk plichten.
Ze zijn onderdanen, ondergeschikt aan de staat.
Democratie:
 De bewoners kunnen wel invloed uitoefenen op besluiten.
 De bewoners mogen zeggen en schrijven wat ze willen zonder gestraft te worden.
 De bewoners zijn geen ondergeschikte onderdanen, maar burgers die plichten én rechten hebben.

§ 1.4 Kenmerken van de democratie
Indirecte/ vertegenwoordigende democratie: het volk heerst via vertegenwoordigers.
Directe democratie: alle burgers praten en beslissen mee.
Referendum=volksstemming.

Centraal van een democratie zijn:
 Gelijkheid
 Vrijheid

Belangrijkste kenmerken van een democratie:
 Algemeen kiesrecht.
 Regelmatige verkiezingen waarbij er leden van en voor parlement worden gekozen.
 Vrijheid van meningsuiting.
 Vrijheid van vereniging en vergadering.
 Machtenscheiding, denk aan: Rechterlijke macht, uitvoerende macht en wetgevende macht.

Rechtsstaat: een staat waarin belangrijke rechten van alle burgers gegarandeerd zijn en dat iedereen zich aan de wetten moet houden, ook de overheid.
Zo’n rechtsstaat hoort bij een goede democratie.

§ 1.5 Sociale voorwaarden voor democratie
Sociale voorwaarden voor democratie= democratische regels werken alleen goed onder bepaalde maatschappelijke omstandigheden.
Kenmerken van een goede democratie:
1. Sociaal-economische ontwikkeling.
2. Sociaal-economische gelijkheid.
3. Democratische politieke cultuur en tolerantie.
4. Organisaties.
5. Militairen geen invloed uitoefenen op de politiek.
6. Goede functionering van de staat, sociale voorzieningen verleent en niet te veel belangen van een groep behartigt.
7. Geen hevige conflicten tussen etnische groepen of mensen met een verschillende godsdienst.
2 Rechtsstaat
§ 2.1 Kenmerken van de rechtsstaat
 Alle burgers hebben gelijke rechten.
 Naast de burgers moet ook de overheid zich aan de wetten houden.
 Machtenscheiding tussen:
- wetgevende macht
- uitvoerende macht
- rechterlijke macht
 Belangrijkste grondrechten zijn in een grondwet en internationale verdragen opgenomen.

§ 2.2 Mensenrechten
Grondrechten=mensenrechten:
 Klassieke (individuele) mensenrechten.
- vrijheid van godsdienst
- vrijheid van drukpers/meningsuiting
- vrijheid van vereniging, vergadering en demonstratie
- onaantastbaarheid van het lichaam
- bescherming tegen willekeurige huiszoeking
- bescherming tegen willekeurige arrestatie
- brief-, telefoon-, en telegraafgeheim.
 Sociale mensenrechten.
- recht op eten
- recht op onderdak
- recht op onderwijs
- recht op werk
- recht op gezondheidszorg.

Grondrechten stellen grenzen aan het optreden van de overheid.

3 Politieke stromingen en partijen
§ 3.1 Belangen, ideologieën, partijen
Algemeen belang: welvaart, veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg.
Ideologieën: Opvattingen over (algemeen belang) hoe de maatschappij functioneert en in de toekomst moet functioneren.
Politieke stroming: mensen met dezelfde ideologie.
Politieke partij: aanhangers van een bepaalde ideologie kunnen in een democratie zich hierin verenigen.
1. Programma waar hun ideeën instaan over alle belangrijke beleidsterreinen.
2. Kandidaten stelt bij verkiezingen.

Politieke partijen zijn landelijk, provinciaal en gemeentelijk georganiseerd en:
 Houden vergaderingen.
 Hebben een homepage
 Organiseren discussies.
 Geven tijdschriften uit.
 Hebben een aparte jongerenorganisatie.

Linkse partijen:
 Willen dat de overheid actief ingrijpt om de sociale ongelijkheid, onderwijskansen, inkomen, huisvesting e.d., te verminderen.
 Hecht aan gelijke kansen.

Rechtse partijen:
 Vrezen dat de vrijheid van mensen in gevaar komst als de overheid zich teveel bemoeit met sociaal-economische zaken.

Indeling geldt vooral voor kwesties rond sociale (on)gelijkheid.
Extreem links Links Midden/centrum Rechts Extreem rechts
communisten socialisten Christen-democraten liberalen fascisten
CPN PvdA/SP/(G-L) CDA VVD
SGP D66
CU
§ 3.2 Communisme, § 3.3 Fascisme, § 3.4 Liberalisme
Communisme: De leer van gelijkheid waarbij alle productiemiddelen in handen komen de gemeenschap waardoor iedereen uiteindelijk gelijk wordt.

Socialisme: Stroming die voort komt uit het communisme en voorstander is van een actieve overheid die moet zorgen voor gelijke kansen voor iedereen en een rechtvaardige inkomensverdeling.

Fascisme: Vrijheid en gelijkheid zijn verfoeilijke zaken. Zaken als elite, een sterke leider, hiërarchie zijn belangrijk. Grote afkeer van allochtonen is kenmerkend.

Christen-democraten: De overheid, gesteund door allerlei maatschappelijke organisaties moet ervoor zorgen dat de samenleving volgens Bijbelse principes in te richten.

Liberalisme: De rol van de overheid moet tot het minimum beperkt worden. Een samenleving heeft economische vrijheid als belangrijkste principe.