Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

maatschappijleer, politieke besluitvorming

Samenvatting Maatschappijleer


Niveau: 4 HAVO VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 5748 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




1.Rechtsstaat & Democratie.

Onafhankelijke staat: - Er is een vast grondgebied of territoir.
- Op het grondgebied woont een bevolking.
- Er wordt een vorm van gezag uitgeoefend.

Zorgen dat iedereen aan regels houdt: gezag.
Hoogste: soevereiniteit, door overheid ? wettelijk geregelde macht.
In ons land overheid gecontroleerd door volksvertegenwoordigers, dus geen machtmisbruik.
In dictatuur, staat waarin macht in handen is van 1 persoon/kleine groep : politie, leger, rechters in macht van machthebbers dus geen controle door parlement.
Rechtsstaat, democratische regeervorm. Verhouding tussen burgers en overheid wettelijk vastgelegd.
Belangrijkste wetten in grondwet : ook regels voor landbestuur.

Hebt klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Verschil zit in de mate waarin de overheid verplicht voor de rechten in te staan. En de sociale grondrechten zijn geen essenti묥 voorwaarde voor een rechtstaat.

Nl is een democratie. Betekent letterlijk: het volk regeert. Burgers bemoeien zich niet iedere dag met bestuur, ze kiezen vertegenwoordigers: representatieve democratie.
Vroeger was er censuskiesrecht : alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden kregen invloed op het bestuur.
1917 ? algemeen kiesrecht voor mannen + mogelijkheid invoeren vrouwenkiesrecht.
1919 ? vrouwenkiesrecht aangenomen.
1922 ? vrouwenkiesrecht in grondwet.
Actief kiesrecht : recht om te kiezen.
Passief kiesrecht : recht om gekozen te worden.

3 bestuurslagen in Nl :
- het Rijk.
- de provincie.
- de gemeente.
In grote steden nog een 4e: stadsdeelraden.

Uitgesloten van kiesrecht zijn:
- mensen die door rechterlijke uitspraak zijn ontzet van het kiesrecht.
- Mensen die door rechter onbekwaam zijn verklaard om rechtshandelingen te verrichten.
- Mensen met geen Nederlandse nationaliteit (na 5jaar wel gemeenteraadsverkiezingen).

Kiesbaar stellen 4 voorwaarden:
- Partij officieel laten registreren bij Kiesraad. ?450, terug als aan verkiezingen deelneemt.
- Partij in elke kieskring van deelname een kandidatenlijst inleveren. Zijn 19 kiesdistricten.
- Partij moet in elk kiesdistrict van deelname steunbetuiging van 30 Nl hebben.
- Partij ?11.250 betalen. Terug als 75 % van stemmen halen, nodig is voor 1 zetel.


**Nl ? kiesstelsel gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging : alle stemmen worden verdeeld over aantal zetels. Bij berekening uitgegaan van kiesdeler : hoeveelheid stemmen nodig voor 1 zetel.
Voordeel: iedere stem telt even zwaar mee bij verdeling van zetels.
Nadeel: kleine partijen zetels, debatteren wordt zo onoverzichtelijk ook lastig om met zoveel partijen in dagelijks bestuur te gaan zitten.
**Kiesdrempel: Du, Oost. : partij moet minimumpercentage stemmen halen om mee te delen in zetels. Zorgt ervoor geen kleine partijen in volksvertegenwoordiging (parlement)
**Districtenstelsel: En, VS : land verdeeld in aantal gebieden. Kandidaat die in bepaald gebied meerderheid van stemmen behaald, wordt afgevaardigd naar landelijk bestuur.
Voordeel: kiezers kennen kandidaten beter.
Nadeel: partij in totaal meeste stemmen toch minste zetels krijgt.

Verkiezingsprogramma : belangrijkste plannen + opvattingen van de partij.
Lijsttrekker  persoon die als 1e op de kandidatenlijst in geplaatst, bepaald tijdens verkiezingscampagne het gezicht van de partij. Ze proberen zich te richten op de zwevende kiezers  mensen die niet elke keer op dezelfde partij stemmen, en nu nog niet weten welke.

Als je gaat stemmen stem je niet op en partij maar op een persoon.
Als je een voorkeursstem hebt, stem je bewust op een specifieke persoon op de kieslijst, de meeste mensen stemmen namelijk op de lijsttrekker.


2. Het landsbestuur.

Politieke macht het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.

Trias politica : scheiding van machten. Politieke macht in 3 delen;
- wetgevende macht. Stelt wetten vast waaraan burgers zich moeten houden.
Taak van de regering (ministers+koningin), parlement (1e,2ekamer)
Minister dient wetten in, ambtenaren bereiden wetsvoorstel voor, parlement beslist.
- uitvoerende macht. Zorgt dat goedgekeurde wetten ook precies uitgevoerd worden.
Taak van ministers. Geven dagelijkse richtlijnen aan ambtenaren/instanties, die wet moeten uitvoeren.
- rechterlijke macht. Beoordeeld of wetten goed worden nageleefd.
Taak van rechters. Kijken of iemand wet overtreed, kunnen die bestraffen.
Ministers hebben meeste politieke macht.

Staten generaal: volksvertegenwoordiging op landelijk niveau: parlement (1e,2e kamer).

2e kamer; 150 leden, rechtstreeks gekozen, fulltime-baan. 2 taken;
- Medewetgever.
- Controleert de regering.
Rechten;
- Stemrecht. Wetsvoorstellen v. regering verwerpen/aannemen.
- Recht v. amendement. Wijzigen van wetten+wetsvoorstellen maken.
- Budgetrecht. Begrotingsvoorstellen verwerpen/aannemen/wijzigen.
- Vragenrecht. Regering moet binnen 3 dagen antwoorden op vragen v. 2e kamer.
- Recht v. interpellatie. Bewindspersonen uitnodigen voor uitleg regeringsbeleid.
- Recht v. motie. Mogelijkheid schriftelijke uitspraak te doen over beleid van een minister waarover de 2e kamer moet stemmen.
- Recht v. enqu괥. Mogelijkheid zelfstandig onderzoek in stellen als niet voldoende info krijgt. Kunnen getuigen gedwongen worden voor enqu괥commissie te verschijnen. Getuige wordt onder ede verhoord.
1e kamer; 75 leden, lidmaatschap v. senaat vervullen, ook ander werk. Indirect gekozen door leden Provinciale Staten.
Taak: wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en normen van behoorlijke wetgeving. Dus de laatste controle. Alleen aannemen/verwerpen.
Kan schriftelijke vragen stellen + parlementaire enqu괥 instellen.
Primaat ligt bij 2e kamer : politieke afweging 2e kamer weegt zwaarder dan bij 1e kamer.

Dagelijks bestuur NL in handen regering : staatshoofd en ministers.
Iedere minister verantwoordelijk bepaald beleidsterrein (onderwijs, binnenlandse zaken)
Ministerraad : gezamenlijke vergadering ministers, beleidsvoornemens besproken. Voorzitter is de minister president.
Staatssecretarissen  aangesteld voor onderdelen van het takenpakket.
Kabinet  ministers + staatssecretarissen.
Ze hebben eigen ministerie war veel ambtenaren voor hen werken  bereiden wetsvoorstellen voor, geven adviezen.
Minister zonder portefeuille  minister zonder eigen ministerie.

Constitutie  positie van koningshuis vastgelegd in grondwet.  Nl heeft een constitutionele monarchie met een democratisch parlementair stelsel.
Geheim v. Huis ten Bosch  adviezen van koningin, die zijn geheim.
Belangrijkste taken v. koningin:
- plaatsen van handtekening onder alle wetten.
- Voorlezen van troonrede op prinsjesdag.
- Benoemen van ministers en (in)formateurs.
- Voeren van regelmatig overleg met minister-president over kabinetsbeleid.

Regering moet kunnen rekenen op meerderheid in 2e kamer, anders kans dat de wetsvoorstellen telkens worden afgewezen en wordt het land niet bestuurd.
Moeten altijd coalities tussen verschillende partijen worden gesloten : verbonden tussen 1 of meer partijen.

Na verkiezingen:
- Vergadering over mogelijke combinaties van partijen voor nieuw kabinet.
- Adviesronde. Vice President vd Raad v. State (belangrijk adviescollege regering), voorzitters 1e+2e kamer, leiders v. grootste politieke partijen, bezoek bij koningin. Adviseren haar welke partijen beste samen kabinet kunnen vormen. Persoon heet informateur  zoekt uit welke partijen gezamenlijk een beleid zouden kunnen voeren dat op voldoende steun in 2e kamer kan rekenen.

Informatie:
- overeenstemming over hoofdlijnen van het te voeren beleid. Afspraken staan in regeerakkoord. Politieke partijen die regering steunen moeten regeerakkoord onderschrijven. Precieze plannen worden ieder jaar aangekondigd in troonrede en miljoenennota.
Troonrede  door koningin de hoofdlijnen van het te voeren beleid uiteengezet.
Miljoenennota  minister v. Financi뮬 aangegeven welke concrete voornemens er zijn op elk beleidsterrein en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is.

Als informateur erin geslaagd is om partijen bij elkaar te brengen, brengt hij verslag bij koningin, die daarna formateur benoemt  iemand die daadwerkelijk een kabinet gaat vormen.
Minister president: grootste regeringspartij.
Overige bewindspersonen: zo evenwichtig mogelijk over partijen verdeeld; aantal zetels, voorkeuren, zwaarte van verschillende functies.

Als 2e kamer een wetsvoorstel afwijst maar de betrokken minister of staatssecretaris zich toch aan het wetsvoorstel vasthoudt, zal de 2e kamer een motie van afkeuring / wantrouwen aannemen. In praktijk minister aftreden, formeel niet.
Als wetsvoorstel door regering zo belangrijk wordt gevonden dat het zijn voortbestaan eraan verbindt, maar 2e kamer het afwijst dient het hele kabinet ontslag aan.
Zijn dan 2 mogelijkheden:
- nieuwe (in)formateur, die de mogelijkheden voor de vorming van een nieuw kabinet onderzoekt.
- verkiezingen uitgeschreven om een nieuwe 2e kamer te kiezen.
Keuze hangt af van crisis.

Naast landelijke overheid: provinciale en gemeentelijke overheid.
Delegeren v. bevoegdheden  rijksoverheid stelt grote lijnen v.h. beleid vast,gedetailleerde invulling wordt aan lagere overheden overgelaten. Dus zowel provincie en gemeente;
- zijn beter op de hoogte van de situatie en kunnen dus beter beoordelen wat er nodig is.
- Staan dichter bij de burgers, burgers kunnen bestuur makkelijker aanspreken.

Provincie maakt streekplannen  aangegeven welke activiteit in een gebied past. Moet rekening worden gehouden met rijksbeleid. Het Rijk kan provincie dwingen een streekplan te herzien. Provincie moet zich bij besluiten van het Rijk neerleggen.
4 maal per jaar verkiezingen. Provinciale Staten  gekozen vertegenwoordigers.
Provinciale Staten kiezen uit hun midden het dagelijks bestuur  Gedeputeerde Staten.
Commissaris v.d. Koningin  voorzitter Provinciale? en Gedeputeerde Staten. Wordt benoemd, officieel door koningin, in praktijk door minister Binnenlandse Zaken.
Provinciale Staten stellen vertrouwenscommissie in die beschrijving van de eisen waaraan de volgende commissaris moet voldoen. Minister Binnenlandse Zaken selecteert kandidaten, moeten op gesprek komen bij de vertrouwenscommissie. Stellen lijstje van 2/3 personen op.
Gemeente  verantwoordelijk voor ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente.
Bij bouwvergunningen vult de gemeente de streekplannen gedetailleerd in door middel van bestemmingsplannen.
Steeds meer beleidstaken gedecentraliseerd(bestuurlijke bevoegdheden spreiden over lagere instanties) naar gemeenten  decentralisatie, omdat het gemeentebestuur beter dan het Rijk in staat is om de maatregelen te treffen die binnen die specifieke gemeente het meest effectief zijn = de gemeente kan maatwerk leveren.
Gemeenteraad  gevormd door bestuur van gemeente. Raadsleden worden eens in 4 jaar rechtstreeks gekozen.
Dagelijks bestuur is in handen van het College van Burgemeester en Wethouders. Wethouders worden door coalitiepartners geselecteerd.
Monistische structuur  wethouders maken deel uit van gemeenteraad.
Dualistisch systeem (NL) bevoegdheden wethouders en de raad gescheiden. Gemeenteraad is verantwoordelijk voor beleidskaders, regelgeving, verordening, vaststellen van budget, controle op gemeentelijk bestuur.
College van Burgemeester en Wethouders is verantwoordelijk voor bestuur van gemeente.
Burgemeester  om de 6 jaar benoemd. Gemeenteraad stelt vertrouwenscommissie in, maakt profielschets. Commissaris v.d. Koningin maakt selectie, vertrouwenscommissie doet een voordracht. Uiteindelijk beslist de minister van Binnenlandse Zaken.


3. Politieke besluitvorming.
Voor wet tot stand komt:
- mensen, pressiegroepen, media opperen een idee
- politieke partijen nemen het over
- ambtenaren werken het uit
- voor- en tegenstanders leveren commentaar
- voorstel wordt eventueel gewijzigd
- de verantwoordelijke minister/staatssecretaris dient wetsvoorstel in bij 2e kamer
- als goedkeuring is door 1e en 2e kamer wordt het gepubliceerd in het Staatsblad.
Wetsvoorstellen kunnen ook worden ingediend door leden v.d. 2e kamer.

Soms kunnen besluiten worden genomen zonder dat de 2e en 1e kamer zich over het besluit uitspreken : Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)& bij Koninklijke Besluiten.
AMvB: wetten snel gewijzigd moeten (kunnen) worden.

Ambtenaren  iemand in dienst bij de overheid (politieagenten, docenten, trambestuurders). Ambtenaren die wethouders, gedeputeerden, ministers bijstaan houden zich vooral bezig met beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering. Beleid  bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren. Grote lijnen ligt vast in regeerakkoord. Minister verantwoordelijk voor uitvoering van beleid, kan alleen met behulp van ambtenaren.
Ambtenaren stellen wetsontwerpen op aan minister, die legt ze aan 2e kamer voor.
Ambtenaren werken lang bij een departement/afdeling v. gemeente- of provinciehuis, beschikken dus over meer kennis + specifieke ervaring op een bepaald vakgebied dan politici.
Vierde macht  omdat ambtenaren zoveel invloed hebben.
Ambtenarenapparaat: Bureaucratie organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door offici묥 voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagsstructuur.

Adviesorganen: Raad v. State, de Sociaal-Economische Raad (SER), Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Onderwijsraad, planbureaus.
Raad v. State; hoogste raadgevende regeringscollege. Leden benoemd door regering.
Moet advies geven over alle wetsvoorstellen, voorstellen tot Algemene Maatregelen van Bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen. Belangrijke functie in administratieve rechtspraak.
SER; adviseert regering op sociaal en economisch gebied. 33 leden : 1/3 vertegenwoordigers van werknemersorganisaties, 1/3 vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, rest uit door regering benoemde deskundigen  kroonleden. Advies op verzoek & initiatief.
WRR; ten behoeve van het regeringsbeleid wettenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen be﮶loeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken en beleidsalternatieven aan te geven. Leden benoemd door regering.
Adviesraden specifieke beleidsterreinen:
Onderwijsraad; hangt samen met het verzuilde onderwijssysteem in NL. Ziet erop toe dat een wetsvoorstel of aangekondigde maatregel op onderwijsgebied een van deze onderwijszuilen niet onevenredig benadeelt of bevooroordeeld.
Planbureaus; wetenschappelijke instellingen die op basis van feitenmateriaal en studies proberen aan te geven wat de gevolgen zullen zijn van beleidsvoornemens.
Belangrijkste planbureaus: Centraal Planbureau sociaal-economische ontwikkelingen, Sociaal en Cultureel Planbureau sociaal-cultureel gebied (gezondheidszorg, media)

Pressiegroepen proberen politiek onder druk te zetten door lobbyen  via persoonlijk contact proberen steun te krijgen bij politici voor je standpunten en belangen.  5e macht. Kunnen ook actie voeren. 3 soorten pressiegroepen:
- Belangengroepen; komt op voor belangen van bepaalde groep uit samenleving. (consumentenbond, vakbonden)
- Actiegroepen; zetten zich korte tijd in voor 1 duidelijke kwestie. (groep actie voert tegen aanleg van snelweg vlakbij dorp)
- Actieorganisaties; langere tijd inzetten voor 1 duidelijke kwestie. (Amnesty International, Greenpeace) Verschil met actiegroepen: ze zijn geprofessionaliseerd.

Massamedia (krant, televisie) heeft 5 politieke functies:
- Informatief; bericht in krant.
- Spreekbuisfunctie; verschillende mensen komen aan woord bv. Politici, directie.
- Agendafunctie; signaleren welke problemen er leven.
- Commentaarfunctie; in een redactioneel commentaar zijn mening geven.
- Controlerend; media kijkt of ministers, bedrijven en andere maatschappelijke personen en organisaties correct handelen.
Vrije media zijn in een democratie een basisvoorwaarde voor een goed functioneren van de democratie.

Systeemmodel. Veel politieke kwesties worden vanuit de samenleving aangedragen. Het systeemmodel geeft een beeld van hoe politieke besluiten tot stand komen. Daarin komen ook de rol van politieke actoren aan de orde.
- invoer
- omzetting
- uitvoer
- terugkoppeling








**Invoer; de samenleving brengt allerlei wensen en eisen naar boven. Kwestie meestal aan rollen gebracht door pressiegroepen. Of men kan lobbyen bij politici en op de manier proberen de aandacht te vestigen op wat men wil bereiken.
Als de kwestie interessant genoeg is, gaan de media er aandacht aan besteden. Bij een media-explosie geven veel kranten en tv-programma?s uitgebreide berichtgeving over de kwestie.

**Omzetting; als de pers voldoende aandacht aan een onderwerp besteed, komt het vanzelf op de politieke agenda. Bestuurders en politieke partijen moeten een standpunt innemen. De eisen en wensen moeten worden omgezet in een beslissing. De belangen van alle groepen moeten worden afgewogen. Wethouder of minister vraagt ambtenaren om advies beleidsvoorbereiding. Bepalen hoe ze de kwestie gaan oplossen beleidsbepaling, komt een wetsvoorstel. Wordt in parlement besproken. Daarna stemt de 1e en 2e kamer erover.

**Uitvoer; Ambtenaren zorgen dat de wet wordt uitgevoerd. Ze werken onder eindverantwoordelijkheid van de minister.

**Terugkoppeling; besluiten roepen altijd reacties op in de samenleving  komt een terugkoppeling(feedback). De politiek merkt hierdoor of de maatregelen effect hebben. Zo niet, dan wordt die bijgesteld. Gebeurt vaak door politiek zelf.

Barri貥model.
Gebaseerd op de gedachte dat er verschillende weerstanden, barri貥s, overwonnen moeten worden, voor een wens resulteert in overheidsbeleid.



















- wensen en behoeften. Wensen moeten onder aandacht komen. Anderen, belangengroepen en massamedia, moeten de wensen herkennen en erkennen als politieke wensen.
- Interesseren van politieke partijen voor de eisen. Als 1 of meer politieke partij achter de eisen gaat staan, staat het op de politieke agenda  probleem wordt besproken. De barri貥 is overwonnen als de meerderheid voor de verandering is.
- Het formuleren van besluiten die de problematiek zullen oplossen  wettekst.
- Als later bij de uitvoering van de wet blijkt dat deze niet aan deze 3 voorwaarden voldoet, ontstaat er een probleem. De wet zal massaal worden overtreden. Leidt tot ontevredenheid van de bevolking, proces begint opnieuw.

Omgevingsfactoren  factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen, maar wel een rol spelen in de besluitvorming. Belangrijkste:
- Demografisch; beschrijving van de bevolking in bepaalde opzichten. Bv. Vergrijzing.
- Ecologisch; wisselwerking tussen mens en milieu. Bv. Groei luchtvaart.
- Cultureel; bepaald door geschiedenis van een land en de daaraan gekoppelde gewoonten en gebruiken. Bv. Tolerantie t.o.v. andersdenkenden.
- Economisch; economische mogelijkheden van land bepalen.
- Technisch; technologische ontwikkelingen in een lang be﮶loeden.
- Sociaal; wijze waarop samenleving in sociaal opzicht georganiseerd is. Bv. Verschil in inkomensgroepen.
- Internationaal; invloed van buitenlandse wetgeving, regels en initiatieven, op een land. Bv. Beslissingen van de NAVO / VN.


4. Politieke stromingen en partijen.
Collectieve belangen  taken uitgevoerd door overheid die de bevolking belangrijk vinden en niet zelf geregeld kunnen worden. In ruil voor de diensten van de overheid, aanvaarden de burgers een beperking van hun vrijheid.
Kenmerkt collectieve belangen  burgers aanvaarden vrijwillig een bepaalde mate van dwang.
Ook particuliere organisaties behartigen collectieve belangen (huisvuil ophalen).
Voor de kwaliteit van het product maakt het niets uit wie de dienst levert, het verschil zit in de manier waarop de financiering wordt terugverdient.
Bij overheidsdiensten is dit verband minder direct: je draagt bij, je kunt dan gebruik maken van de dienst als je die nodig hebt.
Solidariteitsprincipe  ongeacht het gebruik betaald iedereen mee.

Politieke opvattingen  idee뮠die de mensen hebben over de inrichting van de samenleving.
3 belangrijke ideologische stromingen: liberalisme, confessionalisme, socialisme.
Ideologie  geheel van idee뮠over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving. Hebben duidelijke standpunten over:
- normen en waarden; moeten voor iedereen in samenleving gelden. Vooral persoonlijke vrijheid. Bv: ?Vrouwen morgen zelf beslissen over abortus?
- sociaal-economische verhoudingen; opvattingen over een rechtvaardige verdeling van welvaart staan centraal.:: Hoe groot mogen de verschillen tussen arm en rijk zijn? Bv. ?heeft iedereen zegt op een minimum inkomen??
- machtsverdeling; Bv. ?de directie moet altijd beslissen.? Of ?Moeten mensen maar eens in de 4 jaar stemmen en de rest aan de politici overlaten??
Politieke verdelingen:
Progressief en conservatief.
Progressief  vooruitstrevend. Benadrukken gebreken in de samenleving en pleiten voor grondige veranderingen en hebben daarom vaak contacten met actiegroepen.
Mensen die de samenleving willen veranderen.
Conservatief  behoudend. Benadrukken datgene wat al bereikt is. Hebben meer aandacht voor traditionele waarden en normen als gehoorzaamheid, trouw en houden graag de regelingen in ons land bij het oude.
Mensen die de samenleving willen houden zoals die is.
Reactionair : achteruitstrevend. Strevend naar de oude regels te herstellen. Opvattingen over euthanasie en abortus.
Mensen die de samenleving van vroeger terug willen.

Links en rechts.
Links;
- Progressief.
- Gelijk(waardig)heid.
- Gelijke kansen voor iedereen op onderwijs, inkomen en werk.
- Overheid actief.
- Zwakkere in samenleving beschermen. (gehandicapten, bejaarden)
Rechts;
- Conservatief.
- Vrijheid (persoonlijk en economisch)
- Passieve overheid.
- Tegenstander van te grote nadruk op gelijke behandeling van mensen.
- Behoudend ten aanzien van waarden en normen.
Met religieuze achtergrond:
- euthanasie en abortus moeten worden verboden.

Politieke midden.
Niet bij links en niet bij rechts.
De begrippen links en recht zeggen niet veel over de inhoud van de politieke idee뮮 Het hangt er maar vanaf wat het bestaande is.

Liberalisme;
- Individu. Wat goed is voor de individu, is goed voor de maatschappij.
- Mensen zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig.
- Elkaars opvattingen respecteren.
- Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid.
Kenmerken:
- Economische vrijheid. Overheid niet inlaten met handel en industrie. Iedereen eigenbelang nastreven, beste voor samenleving. Overheid zo min mogelijk met economie bemoeien. Voorstander nachtwakersstaat : overheid zorgt voor veiligheid van burgers en hun eigen dommen, maar houdt zich verder afzijdig.
- Politieke vrijheid. Scheiding kerk en staat. Binnen de staat scheiding van macht, de Trias politica, moest staatsmacht gebaseerd zijn op wil van het volk. Uitbreiding kiesrecht en juridische gelijkheid en minder maatschappelijke gelijkheid. Daar moest overheid zich niet mee bemoeien.
- Rationalistisch individualisme. Iedereen eigen belang nastreven, beste voor hele samenleving. Concurrentie elkaar prikkelen, meer prestaties. Leidt tot technologische en economische groei.

Socialisme;
- mogelijkheden voor elk individu om zichzelf te ontplooien zijn ongelijk verdeeld, er is een ongelijke verdeling van bezit.
- Mensen moeten gelijke kansen hebben, dan krijgen de begrippen vrijheid en gelijkwaardigheid pas betekenis.
- Bezittingen eerlijk worden verdeeld.
- Gelijkheid.
Vroeger waren arbeiders erg arm. Ze werden uitgebuit in fabrieken. Maar ze hadden geen macht. Karl Marx in 1848 publiceerde het communistisch Manifest  kleine organisatie van revolutionaire socialisten van verschillende nationaliteit. De fabrieken moesten in handen komen van de staat. Was tegen denken van liberalen in. Marx voorspelde de ondergang van het kapitalisme in ?Verelendungstheorie?. Er zou moment komen waarop ze massaal in verzet gingen. De proletarische revolutie was volgens Marx onvermijdelijk.

Communisten en sociaal-democraten;
Op basis van idee뮠van Marx ontstonden de latere communisten en de sociaal-democraten. De sociaal-democraten geloofden niet in een revolutie. Ze wilden de socialistische maatschappij in kleine stapjes bereiken. Ze waren voor kiesrecht, waardoor de arbeiders op hen zou stemmen en de wetten konden worden gemaakt waarmee het socialisme dichterbij kwam. De SDAP (sociaal democratische arbeiders partij) werd opgericht en de NVV (sociaal-democratische verbond van vakverenigingen). De revolutionairen geloofden niet in hun (communisten) zei dachten aan:
- onteigening van de grond
- centralisatie van banken en transport in handen van de staat
- nationalisatie van fabrieken en productiemiddelen
- gelijke arbeidsdwang voor allen
- openbare kosteloze opvoeding van kinderen en verbod op kinderarbeid
In Rusland een communistische revolutie, het socialisme kwam maar het bleef niet.
Sociaal-democraten tegenwoordig zijn voor:
- Actieve rol van de overheid op sociaal-economisch gebied (verzorgingsstaat: recht op werk, huisvesting, gezondheidszorg)

Confessionalisme;
- baseren politieke opvattingen op hun geloofsovertuiging.
NL: vooral christelijk geloof.
- god heeft een bedoeling met de wereld
- mensen zich richten naar Gods wil.
- Mensen moeten samenwerken.
- Verschillen tussen mensen zijn er niet voor niets.
- Organische staatsopvatting  samenleving vergeleken met menselijk lichaam, alles heeft een vaste plaats en vaste taak. God heeft de wereld en mens geschapen, er zit dan ook een goddelijke ordening en bedoeling in de natuur. Mensen moeten verantwoordelijkheid voor elkaar dragen.
- Geloof, naastenliefde en harmonie.
CDA : zorgzame samenleving.
- meer mensen moeten verantwoordelijkheid en zorg op zich moeten nemen: de staat moet mensen niet teveel uit handen nemen.

Overige stromingen:
- Rechts-extremisme; gaat uit van ongelijkheid tussen mensen. Eigen volk is superieur, geen plaats voor anderen.
- Ecologische stroming; economische waarden ondergeschikt maken aan ecologische waarden. De overheid moet een grote rol spelen, alleen zij kunnen de belangen van het milieu waarborgen. (idee뮠bij groenlinks)
- Pragmatisme; baseert zich niet op een ideologie. Zoeken naar een haalbare, rationele oplossing voor actuele vraagstukken. Beter luisteren naar wat burgers willen, meer zeggenschap in besluitvorming.

Politieke partij : probeert mensen te mobiliseren om zich te bemoeien met de inrichting en het bestuur van de samenleving als geheel.
Functies voor proces van politieke besluitvorming:
- meningsvorming. Binnen politieke partijen discussies over maatschappelijke vraagstukken
- informatie. Ze informeren kiezers over hun standpunten ten aanzien van verschillende kwesties
- integratie. De losse opvattingen worden tot 1 politiek programma verbonden
- participatie. Door middel van informatie en meningsvorming proberen ze burgers te interesseren voor hun activiteiten en hen ertoe over te halen aan de politiek deel te nemen
- kandidaten. Mensen die bestuurlijke functie willen, kunnen door partij worden voorgedragen.

CDA.
- Confessionelen.
- Geloof.
- Mensen moeten zich zoveel mogelijk gezamenlijk redden.
- Maatschappij wordt gedragen door maatschappelijk middenveld.
- Rol van de overheid niet groot.
- Staat in het politieke midden.
- Gezin vormt de basis van de samenleving.
- Mensen meer voor elkaar zorgen.
- Meer regelvrijheid van de scholen.

PvdA.
- Sociaal-democraten.
- Eerlijke spreiding van macht, kennis en inkomen.
- Overheid moet zwakkere beschermen.
- Overheid moet randvoorwaarden scheppen, iedereen gelijke mogelijkheden om in de samenleving te participeren.
- Grote rol van overheid.
- Gelijkheid.
- Snellere stijging lage inkomens dan hoge.

VVD.
- Liberaal.
- Vrijheid.
- Samenleving gedijt beste als het individu zich zo goed mogelijk kan ontplooien.
- Kleine rol van overheid, economische en persoonlijke vrijheid niet aangetast.
- Overheid terughoudend opstellen.

SP.
- Socialisme.
- Gelijkheid.
- Grote overheidsrol.
- Werkt direct voor mensen.
- Nivellering van inkomens.
- Opzeggen lid NAVO.

LPF.
- Geen vaste uitgangspunten.
- Weinig rol van overheid.
- Nieuwkomers pas na 10 jaar Nederlander.
- Minder aantal ambtenaren.

Groenlinks.
- Socialisme.
- Gelijkheid.
- Grote rol van overheid.
- Milieu.

D66.
- Politieke besluitvorming meer plaatsvinden op basis van een praktische beoordeling van de problemen.
- Burgers direct bij de politiek betrokken zijn.
- Pragmatisme.
- Redelijke rol van overheid.

Klein rechts.
ChristenUnie en SGP.
- Confessionelen.
- Geloof.
- Geen grote rol van overheid.
- Zeer zware straffen voor moord.