Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Hoofdstuk 1 Politiek en besluitvorming

Samenvatting Maatschappijleer


Niveau: 4 HAVO VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 4034 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Onafhankelijke staat:
• Vast grondgebied
• Bevolkt
• Vorm van gezag

Rechtsstaat (rechtsbescherming): Het gedrag van burgers is beperkt doorwettelijke regels, maar de overheid mag ook niet alles doen wat zij wil.

Klassieke grondrechten:
• Recht op gelijke behandeling, politieke rechten, recht van ontastbaarheid van je lichaam, vrijheidsrechten enz.
Sociale grondrechten:
• Werkgelegenheid, sociale zekerheid, volksgezondheid, schoon milieu, onderwijs enz.
Verschil: Mate waarin overheid verplicht is. (s.g. niet per se nodig voor rechtsstaat)

Reprensatieve democratie: volk kiest vertegenwoordigers
Censuskiesrecht: beperking kiesrecht (bv belasting, mannen)

Sinds grondwetherziening heeft iedereen in NL kiesrecht behalve:
• Mensen zonder Nederlandse nationaliteit
• Ontzet van kiesrecht door rechter
• Onbekwaam

Meedoen met verkiezingen:
• Officiële registratie bij Kiesraad, waarborgsom
• Kandidatenlijst inleveren
• Steunbetuiging van 30 mensen per regio
• 11.250,- (75 % van stemmen voor 1 zetel, teruggave)

Evenredige vertegenwoordiging: 3 % stemmen, 3 % zetels
Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die nodig zijn voor 1 zetel
Kiesdrempel: partij moet bepaald aantal stemmen halen, ter voorkoming van teveel kleine partijen
Districtenstelsel: kandidaat moet in een district winnen

Politieke macht: vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten

Trias politica (scheiding van machten):
• Wetgevende macht (regering en parlement)
• Uitvoerende macht (ministers)
• Rechterlijke macht (rechters)

Staten-Generaal (parlement) = 1e en 2e kamer

2e kamer:
• (mede)wetgever
• controleert regering
• Stemrecht: wetsvoorstellen van regering verwerpen / aannemen
• Amendement: wijzigen van wetsvoorstel
• Initiatief: eigen wetsvoorstel
• Budgetrecht: begrotingsvoorstellen aannemen / verwerpen / wijzigen
• Vragenrecht: regering moet antwoorden op vragen van 2e kamer
• Interpellatie: bewindspersonen verplichten uitleg te geven
• Motie: uitspraak over beleid van een minister kan leiden tot aftreden
• Enquête: zelfstandig onderzoek

1e kamer (senaat):
Laatste controle over wetten (geen recht van initiatief / amendement). Politieke afweging van 2e kamer weegt zwaarder (gekozen) dan 1e kamer (wordt gekozen door provinciale staten.)

Regering (staatshoofd en ministers)
Staatssecretarissen geen lid van ministerraad.
Kabinet (ministers en staatssecretarissen)
Minister zonder portefeuille: verantwoordelijkheden minister onderbrengen bij andere ministerpost.
Constitutionele monarchie: Koninkrijk met grondwet
Troonrede: hoofdlijnen begrotingsbeleid
Miljoenennota: exact
Motie van afkeuren / wantrouwen: afwijzing door 2e kamer van wetsvoorstel, maar minister blijft er aan vasthouden.

Taken koning(in):
Plaatsen van handtekening onder alle wetten
Voorlezen troonrede
Benoemen ministers / (in)formateurs
Voeren van overleg met minister-president over kabinetsbeleid

Aftreden kabinet:
• Nieuwe (in)formateur, vorming nieuw kabinet
• Nieuwe verkiezingen

Delegeren van bevoegdheden
• Provincie / gemeente beter op plaatselijke situatie
• Dichter bij burgers

Provincie maakt streekplannen. (ruimtelijke ordening en milieu)
Gekozen vertegenwoordigers zijn Provinciale Staten, zij kiezen dagelijks bestuur, Gedeputeerde Staten. De voorzitter is commissaris van de koningin (benoemd door koningin, maar eigenlijk door minister van binnenlandse zaken)

Gemeente (ordelijk verloop openbare levenin de gemeente)
Streekplannen worden gedetailleerd ingevuld: bestemmingsplannen
Laatste tijd decentralisatie (gemeente meer taken)
Gemeenteraad wordt gekozen
Dagelijks bestuur: college van B & W

Monisme: wethouders in gemeenteraad
Dualisme: bevoegdheden wethouders en gemeenteraad gescheiden

Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB): 1e en 2e kamer geen stem, wetten die snel moeten veranderen
Koninklijke besluiten: 1 specifiek geval (benoeming burgemeester)

Ambtenaar: iemand die bij de overheid in dienst is
Beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering (4e macht)
Bureaucratie: een organisatie waarvan de werkzaamheden worden gekenmerkt door officiële voorschriften, gescheiden deskundigheid en een duidelijke gezagsstructuur.

Raad van State: hoogste raadgevende regeringscollege in NL
Sociaal Economische Raad: adviseert op sociaal en economisch gebied
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: belangrijke wetenschappelijke info geven.
Onderwijsraad: ziet toe dat wet elke onderwijsvorm gelijk behandelt.
Centraal Planbureau: voorspellingen sociaal economische ontwikkelingen
Sociaal en cultureel Planbureau: Onderzoek op sociaal cultureel gebied.

Pressiegroep (via lobbyen) 5e macht.
• Belangengroepen: komt op voor belangen voor bepaalde groep in samenleving
• Actiegroepen: Korte tijd
• Actieorganisaties: langere tijd voor 1 kwestie (Amnesty International)

Massamedia:
• Informatieve functie
• Spreekbuisfunctie (verschillende mensen aan het woord)
• Agendafunctie (problemen signaleren)
• Commentaarfunctie
• Controlerende functie

Systeemmodel: Invoer(samenleving eisen / wensen) -> omzetting(politiek agenda, beleidsvoorbereiding en –bepaling) -> uitvoer en terugkoppeling (effecten signaleren)

Barrièremodel: Brede bekendheid geven aan model -> ontstaan politieke discussie
-> keuze en formulering besluit -> uitvoering besluit

Omgevingsfactoren: (niet direct onderdeel van probleem, wel rol spelen)
• Demografisch (samenstelling bevolking)
• Ecologisch (mens / milieu)
• Cultureel
• Economisch
• Technologisch
• Sociaal (sociale organisatie)
• Internationaal

Collectieve belangen: voor iedereen belangrijk, niet door 1 iemand geregeld kan worden.
Solidariteitsprincipe: ongeacht het gebruik betaalt iedereen mee
Ideologie: Het geheel van ideeën over mens(elijke relaties) en inrichting samenleving
• Normen en waarden
• Sociaal-economische verhoudingen
• Machtsverdeling

Progressief (vooruitstrevend)
Conservatief (behoudend)
Reactionair (achteruitstreven)
Links (progressief, gelijkwaardigheid)
Rechts (conservatief, vrijheid)

Liberalisme: Wat goed is voor het individu, is goed voor de samenleving. Vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid. Economische en politieke vrijheid, rationalistisch individualisme (eigenbelang nastreven is goed voor iedereen)

Socialisme: Gelijkheid
Verelendungstheorie: situatie arbeiders blijft verslechteren -> revolutie
Sociaal democraten: tegen revolutie, geleidelijk (algemeen kiesrecht)
Communisten: revolutie: onteigening van grond, centralisatie banken en transport, gemeenschappelijk plan voor landbouw, gelijke arbeidsdwang, openbare kostenloze opvoeding van kinderen, verbod op kinderarbeid.

Confessionalisme: (vanuit geloof) organische staatsopvatting (alles vaste plaats en taak) Geloof, naastenliefde, harmonie

Rechts extremisme: eigen volk is superieur
Ecologische stroming: natuur het belangrijkst
Pragmatisme: haalbare, rationele oplossingen voor actuele vraagstukken

Politieke besluitvorming:
• Meningsvorming (discussies)
• Informatie (kiezers informeren)
• Integratie (losse opvattingen -> 1 programma)
• Participatie (burgers interesseren)
• Selectie kandidaten

Door laag opkomstpercentage bij verkiezingen komt legitimiteit in gevaar,

Onvrede met politiek:
• Achterkamertjespolitiek, koehandel, haagse kaasstolp, erg ondemocratisch)
• Dualistische verhouding regering / parlement niet gepraktiseerd
• Geen oplossingen
• Partijdiscipline: (parlement minder te zeggen)

Raadplegend referendum: bevolking geeft mening, niet bepalend voor besluit
Bindend referendum: Uitslag is bepalend
Raadgevend / correctieve: advies om besluit te corrigeren