Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Aardrijkskunde Module 1 Politiek en Ruimte

Samenvatting Aardrijkskunde


Niveau: 6 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 5032 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Aardrijkskunde Module 1 Politiek en Ruimte
Samenvatting Hoofdstuk 1 ‘Ruimtelijk gedrag en politie’

Alle activiteiten van mensen vinden plaats in een bepaald gebied (ruimte). Voor al je dagelijkse activiteiten overbrug je afstand en bezoek je ruimte. De dagelijkse gebruiksruimte noem je gedragsruimte. De gedragsruimte is de ruimte waarvan mensen die op een bepaalde plek wonen gebruik maken voor hun dagelijkse activiteiten en hun leefsfeer.

Je kunt onderscheid maken tussen de functionele en de mentale gedragsruimte:
1 Het afbakenen van de functionele gedragsruimte
Bij de functionele gedragsruimte let je op:
- woon-werkverplaatsingen;
- verplaatsingen voor het gebruik van commerciële diensten (bijv.winkels, pretparken enz.);
- verplaatsingen voor het gebruik van niet-commerciële diensten (bijv. scholen, gemeentehuis, ziekenhuis enz.).
Al deze verplaatsingen hebben een bepaalde gerichtheid en reikwijdte die de gedragsruimte bepalen. De plaats waar de meeste activiteiten plaatsvinden, noem je de primaire gedragsruimte.
2 Het afbakenen van de mentale gedragsruimte
Bij de mentale gedragsruimte staat de binding met het gebied en met de mensen in het gebied centraal. Mensen voelen zich verbonden door:
a. Gemeenschappelijke gewoonten en tradities
Mensen voelen zich vaak met elkaar verbonden door geschiedenis, tradities, gewoonten en een eigen identiteit (het eigen gezicht van een groep mensen, op basis van gemeenschappelijke kenmerken, waardoor de groep zich onderscheidt van mensen in andere gebieden). Ze onderscheiden zich door taal/dialect, reg. gerechten, klederdracht en feesten.
b. Verbondenheid met het woongebied
Het regionaal bewustzijn is de verbondenheid van mensen met elkaar door het gebied waar ze wonen (het trots zijn op het land, volkslied). Soms willen groepen vreemden uitsluiten het gebied uitsluitend voor de eigen groep reserveren, dit heet exclusiviteit.

 De woon-werkgedragsruimte
Veel mensen moeten dagelijks reizen om hun werk te bereiken. De toename van de welvaart en de mobiliteit hebben dit mogelijk gemaakt. De vervoersmogelijkheden bepalen steeds meer de gedragsruimte van mensen. Er zijn twee ontwikkelingen te onderscheiden:
1 Ontwikkelingen in het wonen
De scheiding van wonen en werken is vooral vanaf 1960 begonnen met de opkomst van suburbanisatie. Dit is een migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken uit de steden naar dorpen in de omgeving van de grotere steden. De woon-werkafstand neemt hierbij toe.
2 Ontwikkelingen in het werken
Door gebrek aan ruimte en door de steeds slechtere bereikbaarheid, vestigen steeds meer bedrijven zich buiten het stadscentrum of de centrale stad. Door dit buitenwaarts gerichte ruimtelijke uitschuifproces is de woon-werkafstand toegenomen. De gedragsruimte van mensen is veranderlijk, doordat de toekomst nieuwe communicatietechnieken met zich mee zal brengen (mensen werken dan bijv. thuis achter de computer).


 De gedragsruimte van commerciële diensten
Bij commerciële diensten of de profitsector gaat het om bedrijven die naar winst streven. De gedragsruimte van deze commerciële diensten wordt bepaalt door:
1 Het verzorgingsgebied van een dienstverlener.
Een winkelier vestigt zich ergens waar er voldoende klanten zijn. Het minimum aantal klanten dat nodig is om een dienstverlenend bedrijf in stand te houden, noem je een drempelwaarde. De omzet kan uitgedrukt worden in het aantal klanten, ofwel het draagvlak. Het gebied waar de klanten vandaan komen, noem je het verzorgingsgebied (het gebied dat door een nederzetting, bedrijf of instelling voorzien wordt van goederen en diensten). Zowel het draagvlak als het verzorgingsgebied verschillen per dienst.
2 Het spreidingspatroon van centrale plaatsen.
In elk gebied is het ruimtelijk spreidingspatroon van diensten (winkels) gekoppeld aan de nederzettingen. Centrale plaatsen zijn plaatsen (steden en dorpen) waar dienstenaanwezig zijn voor het omringende gebied. Omdat niet elke centrale plaats even belangrijk is, zijn er drie niveaus van verzorging met een eigen omvang van verzorgingsgebied te noemen (bron 6a, blz. 9). Er is een hiërarchie: een rangorde naar belangrijkheid.
3 Reikwijdte van commerciële diensten.
De maximale afstand die mensen willen afleggen om van een bepaalde dienst gebruikt te maken, noem je reikwijdte. Het aantal keren dat je van een dienst gebruikt maakt, noem je frequentie. Hoe vaker diensten gebruikt worden, des te belangrijker zijn ze voor de gedragsruimte van mensen.

 De gedragsruimte van niet-commerciële diensten
Bij niet-commerciële diensten of de non-profitsector is het maken van winst niet het hoofddoel. De prijs van die diensten wordt sterk beïnvloed door de overheid.
Niet commerciële diensten vind je in bepaalde rayons. Een rayon is een gebied dat het werkterrein is van de betreffende dienst (arbeidsbureaus, politie enz.). Het verzorgingsgebied van deze diensten is vastgesteld. Maar voor sommige niet-commerciële diensten is het rayon dwingend. Je maakt niet alleen van de dienst gebruik, maar je woont er ook. De gedragsruimte wordt door het rayon bepaald: de rayongrens en de gedragsruimte vallen samen.

Bij de politiekruimtelijke organisatie van een land let je op de indeling van het land in gebieden met een eigen bestuur. In Nederland zijn dat sinds 1848 het Rijk, de provincies en de gemeenten. Thorbecke formeerde toen de gedecentraliseerde eenheidsstaat: een staatsvorm waarbij niet alles centraal van bovenaf wordt geregeld. Er is lokale autonomie binnen door hogere overheden gestelde grenzen.
In de gemeente staat het bestuur het dichtst bij de burger en de burger het dichtst bij het bestuur. De gemeente wordt bestuurd door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. De bevoegdheden beperken zich tot het eigen grondgebied.

De economische schoolvergroting heeft Thorbeckes staatkundige inrichting ingehaald. Steeds meer zijn gemeenten gaan samenwerken. Vanaf de jaren zestig leidde toenemende mobiliteit tot suburbanisatie waarbij mensen zich niet meer stoorden aan de gemeentegrenzen. De gedragsruimte van mensen bleek steeds minder synchroon te lopen met de politiekruimtelijke grenzen. Daardoor ontstonden er nieuwe samenwerkingsverbanden zoals stadsgewesten. Provincies waren te groot, gemeenten te klein en daardoor ontstond er een gemeentelijke herindeling. Dit is een proces waarbij men door samenvoeging van gemeenten grotere nieuwe gemeenten vormt. Hierdoor wil men de bestuurskracht vergoten en de bestuursruimte meer laten samenvallen met de gedragsruimte. Ook werd gekeken naar de ontwikkeling van stadsprovincies (nieuwe bestuurlijke eenheid om de bestuurskracht van hele grote gemeenten te vergoten).
Grote steden moeten geholpen worden m zich te ontwikkelen. Een stad moet economisch ‘gevoed’ worden en daarvoor heb je nieuwe bedrijvigheid en bevolking nodig. Er ontstaan tussen gemeenten een strijd om ruimte. Grote gemeenten willen kleine inlijven, die juist weer onafhankelijk willen blijven. Vanaf de jaren zestig is door de economische schaalvergroting het samengaan van gemeenten van bovenaf sterk gestimuleerd. WE leven in een tijd van politiekruimtelijke schaalvergroting.

De motieven die gebruikt worden om de gemeenten te vergroten zijn:
1 Hoe meer mensen, hoe groter het ambtelijk apparaat en bestuurskracht.
2 In kleine gemeenten wordt de drempelwaarde voor diverse basisvoorzieningen niet of tegen te hoge kosten gehaald.
3 Kostenbesparing is mogelijk bij samenvoeging (minder bestuurlijke ambten nodig).
4 Steden krijgen extra en goedkopere ruimte voor uitbreidingsplannen door inlijving van kleine, landelijke gemeenten.
5 Grotere steden hebben relatief veel mensen met een minimuminkomen en een uitkering, daardoor hebben ze grotere uitgaven dan kleinere steden en dorpjes op sociaal wettelijk gebied.

Grote steden hebben zo hun eigen problemen:
- Ondanks hun grootte hebben de gemeenten te weinig macht en mogelijkheden om bovengemeentelijke problemen aan te pakken.
- Ze concurreren in het nieuwe Europa met andere grote steden.
- Het geldprobleem kan verkleind worden door behalve de lusten (hoogwaardige voorzieningen) ook de lasten (gemeentebelastingen) te delen met de gemeenten in de regio.

Veel gemeenten zijn recentelijk heringedeeld. Of de gemeentelijke herindeling een succes is, kun je aan de hand van de volgende vragen uitzoeken:
- Heeft de nieuwe gemeente meer bestuurs- en daadkracht?
Een grote gemeente zal meer invloed hebben bij de provincie en in Den Haag. Ook heeft zij een groter ambtenarenapparaat met meer specialisten. Het succes kun je afleiden uit de oplossingen voor problemen. Behalve de grootte, hang de bestuurskracht ook af van de kwaliteit van het gemeentebestuur en de ambtenaren (een klein bestuur is overzichtelijk en toegankelijker dan een groot bestuur).
- Is een gemeentelijke herindeling meer succesvol als deze meer samenvalt met de primaire functionele gedragsruimte van de inwoners?
Meestal is het antwoord hierop ja. Het verzet van kleine gemeenten tegen opname in een grotere, komt doordat ze autonomie verliezen en de extra kosten aan voorzieningen die dit meebrengt.
- Leidt de herindeling tot een kwaliteitsverbetering van de diensten?
Diensten kunnen alleen bestaan als er sprake is van voldoende klanten. Als de kwaliteit van de voorzieningen na herindeling beter wordt, is de herindeling succesvol.

Clip 3:
Ruimtelijke ordening: proces waarbij met een goot aantal spelregels de ruimte planmatig wordt benut en ingericht. Daarbij wordt rekening gehouden met individuele en gemeenschappelijke belangen. Kortweg: het zo goed mogelijk aan elkaar aanpassen van samenleving en ruimte.

Streekplan: Niet-bindend, globaal lange termijn plan voor de inrichting van de ruimte van een provincie.
Structuurplan: Plan waarin de gemeente in grote lijnen aangeeft welke bestemmingen en inrichtingen op het gemeentelijk grondgebeid mogelijk zijn.
Bestemmingsplan: Bindend, gedetailleerd plan voor de inrichting van de ruimte in een gemeente.

Omdat gebieden elkaar overlappen moeten de bevoegdheden goed op elkaar worden afgestemd en moet rekening gehouden worde met elkaar.
Het Rijk is verantwoordelijk voor de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor geheel Nederland. De provincie werkt de nationale beleidslijnen uit in een streekplan. Zo’n streekplan wordt door de gemeente uitgewerkt voor het eigen gebied, dis is het structuurplan. Bestemmingsplannen zijn verder uitgewerkte structuurplannen.

Clip 4:
Stedelijkheid: Maatstaf om de mate van verstedelijking te meten. Het geeft de dichtheid weer van de adressen van menselijke activiteiten zoals wonen, werken, uitgaan, winkelen, naar school gaan. Het wordt gemeten binnen een kilometer vanaf een adres. De schaal loopt van 1 (zeer stedelijk) tot 5 (zeer landelijk).

De groei van de Nederlandse steden kun je onderscheiden in vier fasen (bron 8, blz. 11)
Fase 1: Stad, bestaat uit historisch stadscentrum en 19e eeuwse uitbreidingen;
Fase 2: de stad schuift uit. Door uitbereiding groeien aangrenzende gemeenten vast aan de stat, dit heet agglomeratie;
Fase 3: stadbewoners suburbaniseren. Er bestaat een intensieve relatie tussen de kernstad en omliggende plaatsen, een stadsgewest;
Fase 4: verschillende steden en stadsgewesten vormen een functioneel geheel, dit is een stedelijke zone.

Samenvatting Hoofdstuk 2 ‘Economie en politiekruimtelijke organisatie’

De wereld lijkt steeds kleiner te worden. We speken dan wel van de ‘global village’, waarbij de wereld wordt vergeleken met een dorp waar iedereen elkaar kent en ontmoet op de markt. Door ontwikkelingen in transport en communicatie is er een wereldmarkt ontstaan. De relatieve afstand neemt hierdoor af.
Eenwording van landen ontstaat door het proces van integratie: oorspronkelijke zelfstandige gebieden krijgen onderling steeds meer relaties waardoor die gebieden gaan samenhangen en op den duur een hechte eenheid vormen. Door intensievere relaties ontstaat er een grotere samenhang, dit is vervlechting. Integratie vindt plaats op economisch (productie, distributie en consumptie van goederen en diensten), politiek en cultureel gebied.

De Europese Unie (195 opgericht, tot 1992 Europese gemeenschap genoemd) is opgericht met het doel een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten te vormen. Dit was het begin van een economisch en politiek integratieproces. Twee ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor het integratieproces:
1. De uitbreiding van het samenwerkingsverband.
Veel landen willen meedoen met de 15 lidstaten, er wordt formeel lidmaatschap aangevraagd voor EU (Hongarije, Tsjechië) en er zijn sinds de val van de Berlijnse muur associatieverdragen (Verdrag van EU met Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Bulgarije. De EU belooft financiële steun voor economische hervormingen richting markteconomie, een blijvende politieke dialoog en een geleidelijke afbraak van de handelsbelemmeringen) gesloten.
2. De intensivering van de integratie (versterking handelsrelaties en investeringen).
a. Handelsrelaties; deze zijn tussen de Europese landen sterk, 75% van de import komt uit Europa.
b. Investeringsrelaties; in veel Europese landen investeren andere Europese landen in de industrie, het verzekeringswezen, banken enz.

Doordat er één Europa is ontstaan, komt er op economisch gebied een toenemende handel en een toenemende concurrentie voor. De Europese binnengrenzen zijn vervallen en daardoor verdwijnen handelsbelemmeringen. Door de handel kunnende landen profiteren van onderlinge verschillen. Landen benutten dan hun comparatief voordeel; voordeel dat een land heeft doordat het producten of diensten relatief goedkoper en beter kan voortbrengen. Door met elkaar handel te drijven, kunnen biedelanden daarvan profiteren. Er is sprake van regionale specialisatie; het land of gebied legt zich toe op de producten en diensten die relatief het goedkoopst zijn.

Doordat er steeds meer landen (willen) toetreden tot de EU (bijv. Spanje en Marokko), wordt de marktpositie van de Nederlandse tomaten bijv. aangetast. Daar worden maatregelen tegen getroffen namens de EU, zoals opslagen toerekenen of politieke overeenkomsten sluiten.

Het eerste en duidelijkste voorbeeld van de Europese samenwerking is het landbouwbeleid. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB, ontwikkeld tussen 1958-1968) houdt in dat landbouwproducten zonder belemmeringen van het ene EU-land naar het andere vervoerd kunnen worden. De landbouwsamenwerking gaat uit van vier doelstellingen:
1. Productiviteitsverhoging van de landbouw (schaalvergroting; proces waarbij steeds grotere eenheden worden gevormd/het proces van vergroting van productie en afzet dat leidt tot lagere kosten en hogere opbrengsten).
2. Het verzekeren van een redelijk levenspeil voor de agrarische beroepsbevolking (inkomenspariteit; situatie waarin de levensstandaard (inkomenssituatie) van de landbouwers gelijk is aan die van mensen in andere economische sectoren).
3. Evenwicht tussen vraag en aanbod van landbouwproducten.
4. Voldoende voedsel van goede kwaliteit tegen een redelijke prijs.

Belangrijk in het landbouwbeleid van de EU is het markt- en prijsbeleid. Dit is het geheel van maatregelen binnen het landbouwbeleid waardoor de markt en dus de prijsvorming van landbouwproducten invloed wordt (garanderen van het inkomen van de boeren, betaalbare voedselprijzen halen). Er is een heel gedoe met de prijzen van de producten. Twee soorten prijzen zijn belangrijk bij het markt- en prijsbeleid van de EU:
1. De basisrichtprijs; de streefprijs die door de landbouwministers jaarlijks voor lek product wordt bastgesteld met het oog op de kosten en de inkomens van de landbouwers, het uitgangspunt van de garantieregeling.
2. De interventieprijs; de feitelijke marktprijs van een bepaald product die lager is dan de basisrichtprijs en aanleiding is tot ingrijpen. De EU koopt dan het betreffende product waardoor het aanbod kleiner wordt en de prijs weer stijgt.
De interventieprijs is dus eigenlijk de garantieprijs voor landbouwers; de minimumprijs die door de overheid wordt gegarandeerd om zo het inkomen in een bedrijfstak op peil te houdend. Het aanbodoverschot dat ontstaat wordt opgekocht door de overheid.


Het markt- en prijsbeleid heeft twee belangrijke nadelen:
1. De noodzaak van protectie. Garantieprijzen maken landbouwproducten kunstmatig duur en daardoor ontstaat er een groot verschil met de wereldmarktprijzen. Gevolgen hiervan zijn:
- Aan de importkant moeten invoerrechten geheven worden. Aan de EU-grens geldt een drempelprijs (de prijs die geldt voor de invoer van bepaald producten, wanneer de prijs onder deze drempel ligt moet de importeur invoerheffing betalen).
- Aan de exportkant moeten exportsubsidies gegeven worden. Dit wordt ook wel restitutie genoemd;een vergoeding, subsidie die landbouwers krijgen om het prijsverschil van landbouwproducten met de wereldmarktprijs op te heffen.
2. Het ontstaan van productieoverschotten. Schaalvergroting is sterk bevorderd en er werd steeds meer geproduceerd tegen steeds lager wordende kosten. De prijzen bleven op peil ondanks het groeiende aanbod van producten.

De markt van de EU is goed afgeschermd. Voor o.a. ontwikkelingslanden is dit een probleem. Het zou hun goed uitkomen wanneer de wereldhandel werd vrijgemaakt en er dus geen invoerrechten en geen handelsbarrières meer waren. Dit heet liberalisering van de wereldhandel. Om dit te bevorderen is in 1947 de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) opgericht; landen streven naar liberalisering van de wereldhandel. Tegenwoordig heet de organisatie WTO (World Trade Organisation). De bescherming van de Europese landbouw komt tot haar eind doordat de export minder gesubsidieerd mag worden en de invoerrechten omlaag moeten.

Onrechtvaardige verschillen tussen gebieden in welvaart, welzijn en macht noemen we regionale ongelijkheid. Dit komt ook ter sprake binnen d 15 landen van de EU.
Structuur fondsen zijn fondsen met geldmiddelen waarmee de EU probeert ongunstige omstandigheden in gebieden van de EU blijvend te veranderen. Een van de vijf fondsen is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling; met een hoeveelheid geldmiddelen probeert de EU de sociaal-economische ongelijkheid in de achtergebleven gebieden in de EU te verminderen.

Er zijn drie redenen waarom de regionale ongelijkheid binnen de EU door het regionale beleid toch niet helemaal zal verdwijnen:
1. Er is wel een sterke economische groei nodig om de verschillen weg te werken, misschien lukt dit wel niet.
2. Om de toenemende internationale concurrentie aan te kunnen, bevordert de EU ook de economische ontwikkeling in de economisch sterke en rijke gebieden.
3. Binnen de sterkste gebieden van Europa liggen plekken met hele oude stagnerende industrieën (zoals oude mijnbouw, metaalfabrieken) en deze bedrijven zijn ten dele al gesloten of verkeren in grote moeilijkheden. Met heel veel geld probeert de EU in deze herstructureringsgebieden een economische omschakeling te realiseren. De ‘roestgordel moet worden voorzien van een nieuw economisch hart en daardoor worden sterke geibeden nog sterken t.o.v. de zwakke gebieden.

Clip 1

Politieke samenwerking gaat zowel in de diepte als in de breedte:
1. De samenwerking in de diepte gaat over de mate waarin de deelnemende staten bereid zijn een stukje van hun zeggenschap af te staan. De intensiteit van de samenwerking hangt af van:
- De gezamenlijke opvattingen over de doelen van de samenwerking.
- De bevoegdheden die worden toegekend den afgestaan aan het centrale gezag van het samenwerkingsverband.
- De zelfstandigheid van het samenwerkingsverband.
- De betrokkenheid van de bevolking.
2. De samenwerking in de breedte betreft de beleidsterreinen waarover de samenwerking gaat. De samenwerking wordt breder naarmate het aantal beleidsterreinen toeneemt. Een bondsstaat is een federatieve staat die gevormd is door een duurzame, nauwe verbinding van staten. De politieke samenwerking in de breedte en diepte is vergaand.

Clip 2

De concurrentiekracht wordt bepaald door vijf factoren:
1. De productiefactoren (grondstoffen, klimaat, kapitaal enz. en de manier waarop deze worden gebruikt);
2. De ondernemersgeest (de houding van de ondernemer);
3. De marktorganisatie (alles wat te maken heeft met de afzet);
4. De overheid (het gaat om de maatregelen die de overheid neemt om de ontwikkeling van de concurrentiekracht te stimuleren of af te remmen);
5. De toevalsfactor ( dit zijn de onvoorspelbare zaken zoals koerswisselingen, oorlogen enz.).

Clip 3

Het Plan MacSharry is een plan tot hervorming van het markt- en prijsbeleid. Deze is ingevoerd door de Ierse landbouwcommissaris MacSharry (1992) om de productieoverschotten in de landbouw en de kosten van het markt- en prijsbeleid te verminderen. De aanleiding voor dit plan waren twee soorten problemen:
1. De ongewenste overproductie. Er wordt een quotum opgesteld; de hoeveelheid producten die een landbouwer in een bepaald jaar mag voortbrengen (productiequotum). Een superheffing is de extra lage prijs, op te vatten als een soort boete, die de landbouwer krijg voor de hoeveelheid producten die hij meer produceert dan het quotum toestaat;
2. Grote financiële tekorten.

De belangrijkste uitgangspunten van het Plan MacSharry zijn:
1. Het verminderen van de prijssteun.
2. Het verminderen van de productie. Braaklegging wordt gestimuleerd: een deel van de grond van een landbouwbedrijf wordt niet in productie genomen.
3. Inkomenssteun.

Clip 4

Lomé-akkoorden zijn afspraken tussen de EU en ontwikkelingslanden in Afrika, het Caribisch gebied en het Pacifisch gebied (de ACP-landen) over de handel (landbouwproducten en grondstoffen) en ontwikkelingshulp. Het resultaat van de Lomé-akkoorden zijn niet geweldig; de ACP-landen bevinden zich nog steeds in een slechte economische situatie.




Samenvatting Hoofdstuk 3 ‘Territoriale conflicten in ontwikkelingslanden’

Mensen hebben behoefte aan een eigen territorium. Dit is een gebied dat iemand of een groep toebehoort, waaraan individuen en groepen zich emotioneel gebonden voelen en dat door grenzen is gescheiden van andere territoria.
Het vroegste territoriale samenlevingsverband was de clan, een organisatie op basis van bloedverwantschap. Deze clans groeiden vaak uit tot stammen.
Het gevoel van verbondenheid maakt een groep mensen tot een volk. Dit is een groep mensen die door gemeenschappelijke gewoonten en gebruiken en een gezamenlijke geschiedenis het gevoel heeft bij elkaar te horen. Ze hebben behoefte aan een eigen identiteit. Daarbij helpt iconografie: identiteitsbevorderende symbolen (vlag, volkslied) van een volk/staat. Ook is er sprake van een regionaal bewustzijn: een bewuste betrokkenheid bij een gebied wat vaak betrekking heeft op de staat (nationaal bewustzijn).

Een natie is een volk dat een eigen beide wil in de vorm van een staat en/of zich identificeert met een staat. Een staat is een organisatie die de soevereine macht heeft over haar eigen grondgebied. Er zijn drie dingen nodig voor een staat: een bevolking, een territorium en een soeverein gezag. Met soeverein gezag bedoelen we het hoogste gezag. Het soevereine gezag heeft minimaal de instemming van het leger en de ambtenarij nodig, anders kan de staat niet functioneren. Ze heeft ook de erkenning van andere staten nodig. Een natiestaat is een staat waarin 95% van de bevolking tot dezelfde etnische groep behoort. Een multinationale staat is een staat met verschillende volken, waarin geen enkele groep een aandeel van 60% of meer heeft.

De koloniale overheersing heeft diepe sporen nagelaten. Zo is het huidige Indonesië een kopie van het vroegere Nederlands Oost-Indië.
Vanaf de zestiende eeuw kwam het proces van politieke kolonisatie op gang. Dit is een proces waarbij niet-westerse gebieden onder politieke controle komen van westerse landen. West-Europa speelt bij deze internationalisering de belangrijkste rol. Men spreekt zelfs van Europeanisering van de wereld: niet-Europese gebieden worden onder de invloed van een dominant Europees cultuurpatroon gebracht.
De politieke kolonisatie van Zie en Afrika nam een grote vlucht door de komst van de Industriële Revolutie in Noordwest-Europa. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd dit proces voltooid. De koloniale grenzen werden als resultaat van een verdeel-en-heersspel vaak als rechte lijnen op de kaart ingetekend. Verschillende volken werden gedwongen bij elkaar te leven binnen de grenzen die voor hen werden getrokken.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog was het startpunt voor het politiek onafhankelijk worden van de koloniën wat sterk gestimuleerd werd door de VS. De dekolonisatie (het politiek onafhankelijk worden van koloniën) voltrok zich tot het midden van de jaren ’60 in grote delen van Azië, Afrika en het Caribisch gebied. In de jaren ’70 volgden Suriname en de Portugese koloniën in Afrika. Hongkong werd weer van China in 1997.
De jonge onafhankelijke staten startten vaak met een democratie naar westers model. Maar vaak namen de bevrijdingsbewegingen die eerst gevochten hadden snel de macht over. Ze schaften vaak de democratie af, want dit was typisch een westers product wat ongeschikt was voor ontwikkelingslanden. Het Westen zou mensenrechten eenzijdig interpreteren en minder rekening houden met de belangen van de jonge staten als geheel.

De meeste ontwikkelingslanden hebben veel last van hun koloniale erfenis. Ze zijn tegen hun zin opgedeeld of bijeengebracht bij andere volken. Ook hebben koloniale overheersers tegenstellingen aangescherpt bij de volkeren om zo een gevoel van nationalisme te voorkomen. Nation building is een proces waarbij een staat probeert een nationale eenheid te smeden uit verschillende etnische groepen of volken. Om dit te bereiken wordt er vaak de voorkeur gegeven aan een sterk autoritair centraal gezag.

Nationalisme is een ideologie en een politieke praktijk die ervan uitgaan dat alle naties hun eigen (natie)staat zouden moeten hebben. Nationalisme is de motor voor nation building.
Tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen binnen een staat kunnen verminderd worden doordat zij zich afzetten tegen andere staten. Dat leidt tot meer eenheid, maar het kan ook de eenheid bedreigen:
- Als in een geïsoleerd gebied mensen zich politiek organiseren tegen de gevestigde orde;
- Als er in dat gebeid sprake is van een centrale plaats de dienst zou kunnen doen als hoofdstad voor een afscheidingsbeweging;
- Als de mensen in dat gebied voor hun bestaan en contacten nauwelijks afhankelijk zijn van het nationale centrum en/of door het centrum worden achtergesteld;
- Als de mensen in dat gebied zich met elkaar verbonden voelen als volk en natie.

De volgende maatregelen kunnen nation building stimuleren:
- De aanleg van wegen en spoorwegen. Er ontstaan meer contact tussen centrum - periferie.
- Het vaststellen van een officiële gemeenschappelijke taal. Dit draagt bij tot de eenheid en kan zich ontwikkelen tot een symbool van etnische identiteit op een groter schaalniveau.
- Het doorbreken van de stammenstructuur.
- Het veranderen van de bestuurlijke organisatie op het platteland.
- Het veranderen van nomaden in boeren met een vaste woonplaats. De overheid kan deze groep dan steeds beter contoleren.
- Het koloniseren van perifeer gelegen gebieden met mensen uit het nationale kerngebied. Hierdoor kunnen etnische verschillen verminderen.
- Het zoeken van een gemeenschappelijke externe vijand.
- Het ontwikkelen van nationale symbolen (iconografie).
- Het verminderen van de sociaal-economische ongelijkheid tussen gebieden. Economische ontwikkeling van perifere gebieden bevordert de eenheid.

Algemene oorzaken van conflicten in ontwikkelingslanden:
- Etnische oorzaken;
- Religieuze oorzaken;
- Humanitaire oorzaken;
- Economische oorzaken;
- Ecologische oorzaken;
- Militaire oorzaken;
- Aanwezigheid van wapens.

Ook De Koude Oorlog heeft invloed (gehad) op conflicten. Doordat de supermachten (VS en Rusland) later ‘vrede’ sloten, kregen regionale en lokale conflicten pas een kans in de niet-westerse landen. De dreiging voor een groot internationaal conflict was verdwenen.

Clip 2
Soft state: staten die gekenmerkt worden door corruptie, ongemotiveerdheid en het najagen van het eigen belang.
Corruptie ondergraaft de mogelijkheden van een overheid om haar beleid uit te voeren. Fundamentele veranderingen word4en onmogelijk gemaakt door een tegen werkend ambtenarenapparaat. Heersende elitegroepen worden ontzien, terwijl tegen de massa van de bevolking keihard wordt opgetreden. Een kleine groep heeft vaak de macht. Patronagesysteem: personen met macht binden anderen die minder rijk zijn aan zich door middel van allerlei persoonlijke gunsten (voor wat, hoort wat).

Clip 3
Bij de vredesoperaties van de VN wordt onderscheid gemaakt in:
- preventieve diplomatie (voorkomen van conflicten door vreedzame middelen/diplomatieke weg).
- Peace making.
- Peace keeping.
- Peace enforcement (afdwingen van vrede).
- Post conflict peace building (het versterken en ondersteunen van structuren die de vrede kunnen bevorderen, waardor nieuwe conflicten kunnen worden voorkomen).

Clip 4
Kijk eerst naar bron 10 op bladzijde 37 van je handboek.
Irredentisme: het streven naar annexatie van gebieden die onder de soevereiniteit van een buurland staan, aar bewoond worden door een bevolking die nauw verwant is aan het eigen volk.
Separatisme: Een beweging waarbij men een territorium wil losmaken van de staat.
Federalisme: Een staatsvorm, of streven daarnaar, waarbij de samenstellende delen van de staat in meer of mindere mate autonoom zijn.