Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Samenvatting Aardrijkskunde Module 5 “Mens & Milieu"

Samenvatting Aardrijkskunde


Niveau: 6 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 5012 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Samenvatting Aardrijkskunde Module 5 “Mens & Milieu"

Hoofdstuk 1: Nederlandse landschappen

Elk stuk landelijk gebied bestaat uit elementen die samenhangen met de natuurlijke opbouw en elementen die het gevolg zijn van het gebruik door de mens. Belangrijk zijn:
• Grondsoort;
• Reliëf;
• Bodem;
• Waterelementen;
• Begroeiingselementen;
• Elementen van het agrarisch grondgebruik;
• Infrastructurele elementen;
• Gebouwen.

Elk landschap heeft een natuurlijke opbouw, een cultuur-historische opbouw en een ecologische opbouw. Bij de natuurlijke opbouw let je op de grondsoort, de hoogteverschillen en landschapsvormen, de bodem en de manier waarop water voorkomt. Bij de cultuur-historische opbouw van een landschap gaat het om de manier waarop de mens het landschap heeft ingericht en de ouderdom van de elementen die voorkomen. Bij de eco-logische opbouw van een landschap kijk je naar de samenhang tussen de verschillende elementen, de wer-king van de aanwezige ecosystemen en de diversiteit.

Ecosysteem = Een bepaald gebied waarin dieren, planten, lucht, bodem en water elkaar nodig hebben en el-kaar in evenwicht houden.
Diversiteit = Het aantal soorten planten en dieren dat in een bepaalde ruimte voorkomt.

De diversiteit hangt nauw samen met de opbouw van het landschap. Vijf factoren beïnvloeden de diversiteit:
1. De veranderlijkheid van het milieu (hoge veranderlijkheid: lage diversiteit, lage veranderlijkheid: hoge diversiteit);
2. De hoeveelheid energie en voedingsstoffen (veel energie en voedingsstoffen: lage diversiteit, weinig energie en voedingsstoffen: hoge diversiteit);
3. De variatie in milieuomstandigheden (veel verschillende leesmilieus: hoge diversiteit  gradiënten, weinig verschillende leefmilieus: lage diversiteit);
4. De omvang van natuurgebieden (groot oppervlak: hoge diversiteit, klein oppervlak: lage diversiteit);
5. Een goede spreiding van natuurelementen en geen barrières (goede spreiding en weinig barrières: hoge diversiteit, slechte spreiding en wel barrières: lage diversiteit).

Gradiënt = Grensmilieus. Plaatsen met geleidelijke overgangen in het landschap. Bijvoorbeeld de overgang droog-nat, voedselrijk-voedselarm en zoet-zout.

Lösslandschap = Bestaat uit plateaus, hellingen en dalen. Löss vormt een belangrijke afdeklaag. Löss is zeer erosiegevoelig en spoelt bij een slecht bedekte grond makkelijk naar de dalen. De samengespoelde löss in de dalen heet colluvium. Een met bos en struiken begroeide steilrand op een helling heet een graft.

Zandlandschap = Is opgebouwd uit twee hoofdeenheden, namelijk uit:
• een door landijs gevormd landschap met hoge en lage stuwwallen, een grondmorene (= Aan de on-derzijde van het landijs afgezette keileem: een mengsel van keien en fijngemalen leem) en glaciale tongbekkens (= Door een ijstong uitgeschuurde laagte; omgeven door stuwwallen);
• een door de wind gevormd dekzandlandschap met dekzandruggen, rivierduinen (= Extra hoge rug-gen van dekzand langs rivieren en beken) en stuifzand.
Het voor 1900 ontgonnen cultuurlandschap van de zandgronden is opgebouwd uit essen (= Ook wel enk genoemd. Met mest opgehoogde oude akkers; liggen rondom of aan de rand van de dorpen in het zandland-schap), groengronden, heide en stuifzand. Na 1900 is de heide ontgonnen en het stuifzand bebost met naald-bos.

Rivierkleilandschap = Is opgebouwd uit oeverwallen, stroomruggen, kommen, uiterwaarden, overslaggron-den, kwellen en wielen. In het oostelijk rivierkleilandschap zijn de oeverwallen zandig en bestaan de kom-men uit klei. In het westelijk rivierkleilandschap bestaan de oeverwallen uit klei en de kommen uit veen be-dekt met oude zeeklei. Wanneer er door hoge waterafvoer is er een overdruk van het water in het buiten-dijksgebied. Door deze overdruk kan op plaatsen een ondoorlatende ondergrond het water onder de dijk worden geperst. Dit komt aan de binnenzijde van de dijk omhoog als kwelwater. Kwel bedreigt de stabiliteit van de dijk. Het neervallende water vormde een wiel.

Oeverwal = Rug langs een rivier ontstaan door afzetting van zand en klei bij een overstroming van de rivier-bedding.
Stroomrug = Hooggelegen verzande oude rivierbedding.
Kommen = Laaggelegen gebieden tussen de oeverwallen van rivieren. Bestaan uit zware klei of veen.
Uiterwaard = Strook langs een rivier tussen de bedding en de rivierdijk. Loopt bij hoge waterstand onder. Waterbuffer langs rivier.
Overslaggrond = Zandig of zavelig materiaal dat bij een dijkdoorbraak rondom een wiel wordt afgezet.
Kwel = Water dat onder druk omhoog stroomt.
Wiel = Diepe ronde plas die ontstaan is bij een dijkdoorbraak door de uitschurende werking van het water.

Zeekleilandschap = Zeeklei wordt altijd afgezet op kwelders. Kwelders ontstaan in een waddengebied. Door het ritme van eb en vloed ontstaan er wadden. Op den duur ontstaat er een kwelder met een dicht patroon van kreken. Veel kreken verzanden op den duur en omdat zand na ontwatering minder zakt dan klei, liggen ze nu wat hoger in het landschap. Men spreekt daarom van kreekruggen. De hoogteligging van de zeeklei wordt bepaald door de hoogte van de zeespiegel ten tijde van de afzetting. Door de stijging van de zeespiegel ligt jonge zeeklei hoger dan oude zeeklei. De droogmakerijen hebben een lage ligging van –4 tot –5 NAP en hebben veel kwel. Jonge zeekleipolders liggen meestal tussen –1 en +1 NAP.

Kwelder = Gebieden aan de kust die boven het gebied van normale vloed liggen.
Waddengebied = Een ondiep zeegebied dat door eilanden min of meer afgesloten is van de open zee.
Wadden = Zandplaten die in een waddengebied bij eb droogvallen.
Kreekrug = Zandige rug ontstaan door het verzanden van een kwelderkreek.

Duinlandschap = De kustduinen zijn opgebouwd uit zand dat door de golven op de zeebodem is losgewoeld. Zoutminnende planten hebben de duinvorming bevorderd. De waterkerende duinenrij heet de zeereep. Laag-ten in het duinlandschap heten duinvalleien. De oude duinen zijn tot 10 meter hoog en bestaan uit een aantal duinruggen. Op enkele plaatsen zijn de oude duinen afgegraven voor de bollenteelt. Dit zijn geestgronden. De jonge duinen zijn tot 50 meter hoog en zijn belangrijk als zeewering en waterwingebied na duinfiltratie.

Zeereep = Zeewerende duinenrij direct aan de kust.
Duinvallei = Laagte in het duinlandschap. Is een oude strandvlakte of een uitblazingslaagte.
Geestgrond = Zandgrond aan de binnenzijde van de kustduinen ontstaan door afgraving van de oude duinen. Gebruikt voor bollenteelt.
Duininfiltratie = Aanvulling van het grondwater in de duinen door aangevoerd rivierwater in de grond te laten zakken.

Veenlandschap = Laagveen ligt binnen het bereik van het grondwater. Bij de ontginning ervan ontstonden veenpolders en bij uitbaggeren van veen voor de turfwinning ontstonden veenplassen. Hoogveen ligt buiten het bereik van het grondwater en wordt vooral gevormd door veenmos. Het plantje groeit bij veel regenwater en voedselarme omstandigheden. Door het afgraven van hoogveen voor de turfwinning ontstond er een veenkoloniaal landschap met dalgronden.

Dalgrond = Kunstmatige bodem die is ontstaan door de menging van onbruikbare veenrestanten (bolster) met dekzand. Ontstond bij de afgraving van hoogveen.

Belangrijke clips:
Clip 2
Het natuurlijk milieu heeft vier hoofdfuncties:
1. De productiefunctie – het natuurlijk milieu moet de mens voedsel, schoon water en schone lucht en energie en grondstoffen leveren;
2. De draagfunctie – voor alles wat we dagelijks doen is ruimte en grond nodig (voor activiteiten en bouwwerken, voor grond met een goede draagkracht en voor de opvang van afvalstoffen);
3. De informatiefunctie – natuur en landschap zijn voor de mens een belangrijke informatiebron;
4. De regulatiefunctie – de natuur zorgt op allerlei manieren voor een evenwicht.

Clip 3
Volgens de zogenaamde Eilandentheorie wordt het aantal soorten planten, dieren en vogels op een eiland bepaald door:
1. De bereikbaarheid voor nieuwe soorten;
2. Het steeds uitsterven van bestaande soorten.
De overheid probeert door bepaalde maatregelen samenhang te creëren tussen beide en deze samenhang noemen we de ecologische infrastructuur. Dit groene netwerk heeft de volgende elementen:
1. Natuurkerngebieden (vanuit deze kerngebieden kunnen de soorten zich verspreiden naar andere land-schappen);
2. Verbindingszones (de groene linten die de natuurkerngebieden met elkaar verbinden);
3. Stapstenen (kleine natuurgebiedjes die de verbindingszones onderbreken).

De duinen zijn een belangrijk productiegebied van drinkwater. Om de strategische watervoorraad in de dui-nen niet te laten slinken, past men duininfiltratie toe. Een groot probleem is echter wel dat het rivierwater steeds meer vervuild is. Als de vervuiling te sterk wordt, moet de inname van rivierwater worden gestopt.

Hoofdstuk 2: De werking en het gebruik van het natuurlijk milieu

Alle zaken die we aan het milieu onttrekken en gebruiken om te leven noemen we natuurlijke hulpbronnen. De natuurlijke hulpbronnen zijn meestal niet onbeperkt aanwezig. Er is een milieuvoorraad die op kan raken. Er zijn:
• Niet-vernieuwbare milieuvoorraden = natuurlijke hulpbronnen die door de natuur niet opnieuw of heel langzaam worden aangemaakt. Voorbeelden zijn aardolie, aardgas, metalen in gesteenten of de biodiversiteit van zeer oude ecosystemen als het tropisch regenwoud.
• Vernieuwbare milieuvoorraden = natuurlijke hulpbronnen die in hoog tempo steeds opnieuw worden aangemaakt. Bij levende biomassa zorgt de groei voor steeds weer nieuwe aanmaak, zoals bij hout, rubber en huiden. Vernieuwbaar noemen we ook de levenloze grondstoffen die op aarde in zeer grote voorraden aanwezig zijn en die door natuurlijke processen dagelijks opnieuw beschikbaar komen, zoals zand en klei.

Het overvloedig gebruik van energie en grondstoffen door de mens leidt tot drie soorten milieuproblemen:
• Milieuverontreiniging (= verhoogde concentraties van schadelijke stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens, plant en dier);
• Milieuaantasting (= omvat alle vormen van vermindering van de kwaliteit van natuur en landschap);
• Milieu-uitputting (= te omvangrijke of te snelle benutting van milieuvoorraden, waardoor die opra-ken).

De milieuproblemen zijn in de loop van de tijd steeds omvangrijker en complexer geworden. Er zijn drie trends:
1. Door productieprocessen komen er steeds meer stoffen in het milieu waarvan we niet precies weten wat hun uitwerking is;
2. Milieuproblemen vinden op een steeds hoger niveau plaats. Dit betekent dat steeds grotere gebieden beïnvloed worden;
3. Door de groei van de welvaart en de bevolking wordt er een steeds groter beslag gelegd op de natuur-lijke hulpbronnen.

Met behulp van duurzame ontwikkeling wordt geprobeerd de groei van milieuproblemen te bestrijden. Ge-probeerd wordt de milieugebruiksruimte te handhaven. De milieugebruiksruimte verschilt in een gebied per milieufactor (water, bodem, lucht) en ook per natuurlijke hulpbron (energievorm, type grondstof). De om-vang ervan wordt bepaald door vijf factoren:
1. De aanwezige winbare natuurlijke hulpbronnen;
2. Het tempo van aanwas van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen;
3. De mate van onttrekking van natuurlijke hulpbronnen;
4. Uitbreiding van kennis en techniek;
5. De kwaliteit van het natuurlijk milieu.

Duurzame ontwikkeling = Een vorm van (economische) ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen.
Milieugebruiksruimte = De benuttingsmogelijkheden van de natuurlijke hulpbronnen in een gebied zonder de milieuvoorraden essentieel aan te tasten of uit te putten.

Voor elk land op aarde is zoet water een onmisbare grondstof die het liefst in ruime mate aanwezig moet zijn. Belangrijk is hoe de toevoer en afvoer is van zoet water. Een waterbalans (= Een overzicht van alle vormen van watertoevoer met alle vormen van waterafvoer) geeft hier een goed beeld van.

Er zijn twee bronnen van zoet water, namelijk:
1. Vernieuwbare bronnen van zoet water – opgedeeld in interne vernieuwbare bronnen (= Neerslag mi-nus verdamping) en externe vernieuwbare bronnen (= Al het water dat uit de omgeving toestroomt);
2. Niet-vernieuwbare bronnen van zoet water – het grondwater dat dieper dan 10 meter onder de bodem zit kan niet aangevuld worden met regenwater.

Zoet water wordt gebruikt in:
• De huishouding;
• De landbouw  de grootste en snelst groeiende watergebruiker in de wereld;
• De industrie.

De bodem is het bovenste deel van de grond waaruit de plantenwortels water en voedingsstoffen samen met water opzuigen. Een goede bodem is een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van organisch materiaal (= Al het materiaal dat gevormd is door levende organismen, zoals planten en dieren). De omvang van de productie hangt af van:
1. De voorraad voedingsstoffen;
2. De voorraad water;
3. Een goed bodemleven.

De mens heeft in de loop van de tijd de gebruiksruimte bodem vergroot, onder andere door middel van:
1. De toevoer van meststoffen;
2. De toevoer van fossiele energie;
3. De toevoer van water door irrigatie en beregening.

Nederland en vele andere ontwikkelde landen hebben nog een andere manier om de milieugebruiksruimte bodem te vergroten. Ze gebruiken niet alleen hun eigen grondoppervlak maar leggen ook beslag op (land-bouw)ruimte in andere landen. Hier worden dan gewassen en grondstoffen geproduceerd die geïmporteerd worden en vervolgens verwerkt of geconsumeerd.

Door de bevolkingsgroei en exportlandbouw is het voor veel ontwikkelingslanden een moeilijke zaak om de milieugebruiksruimte bodem voor de eigen bevolking te handhaven. Door de bevolkingsgroei en de produc-tieverhoging in de landbouw wordt het tekort aan (zoet) water versterkt.

Belangrijke clips:

Clip 1
Zowel de arme als de rijke landen kampen met milieuproblemen. De rijke landen kampen vooral met mili-euproblemen die samenhangen met overdadig gebruik van energie en grondstoffen. In de arme landen domi-neren milieuproblemen die het gevolg zijn van de sterke bevolkingsgroei en een te intensieve benutting van weinig geschikte natuurlijke milieus.

Clip 3
Niet elk land staat er wat betreft zijn watervoorziening even goed voor. Er zijn landen met een haast onbe-perkte voorraad zoet water. Daarnaast zijn er echter ook landen waar de bevolking slechts met grote moeite aan wat water komt.
Het benuttingspercentage geeft de relatie tussen het werkelijk watergebruik in een gebied en de omvang van vernieuwbare bronnen. Dit percentage bereken je als volgt:

Waterverbruik in Nederland
---------------------------------- x 100%
Totaal vernieuwbaar water

Clip 5
Bij het gebruiken van milieugebruiksruimte in het buitenland is er onderscheid tussen direct en indirect ruimtegebruik. Direct betreft de landbouwgrond zelf, indirect betreft de ruimte die nodig is voor wegen, ka-naaltjes, opslag, trekdieren enz.

Clip 6
Door bodemerosie kan het voorkomen dat regenwater bij flinke buien niet meer in de grond kan zakken het grondwater kan voeden. Een groot deel van het regenwater stroomt over de oppervlakte naar beneden. Bij veel neerslag krijgen de rivieren hierdoor in korte tijd veel water. Er is dan piekafvoer die mogelijk leidt tot overstromingen.
In vrij droge gebieden is er vaak een watertekort en door irrigatielandbouw treedt er verzilting op. Mede door dit en door het kappen van brandhout wordt verwoestijning bevorderd.

Piekafvoer = De afvoer van een rivier kan tijdens neerslagperioden sterk schommelen door de toevoer van water dat over de oppervlakte naar de rivier toestroomt.
Verzilting = De toename van het zoutgehalte van grondwater, bodem of oppervlaktewater.
Verwoestijning = Het uitbreiden van woestijngebieden door het verdwijnen van de begroeiing in de woes-tijnrandgebieden. Dit proces is vaak door de mens op gang gebracht door bijvoorbeeld overbegrazing en verzilting.

Hoofdstuk 3: Werken aan de kwaliteit van het leefmilieu

De kern van veel milieuproblemen is afwenteling. Dit betekent dat mensen de nadelen van veel handelingen die ongunstig zijn voor het milieu niet voor eigen rekening nemen. Ze genieten alleen van de voordelen.

Bij elk productieproces komen afvalstoffen vrij. Het is goedkoper de stoffen te lozen in water, lucht of bo-dem. Via water en lucht kan transport plaatsvinden naar gebieden op korte of grote afstanden, waar eventu-eel schadelijke effecten kunnen optreden. Er is afwenteling op andere milieugebruikers en ander gebieden.

Bij veel meer milieuproblemen is er afwenteling op toekomstige generaties. Toekomstige generaties moeten maar zien hoe zij deze milieu-uitputting of milieuverontreiniging oplossen.
Men verwacht dat er binnen enkele tientallen jaren aan een aantal grondstoffen tekort is. Toch is er geen sprake van absolute uitputting. Een ander probleem voor de toekomst is de klimaatverandering door de ver-hoogde toevoer van CO2. Hierdoor treedt er een versterkt broeikaseffect op.

Het tegengaan van milieuproblemen is voor de toekomst een noodzaak. We moeten voorkomen dat door afwenteling steeds weer nieuwe milieuproblemen ontstaan.
In het ruimtelijk beleid van de overheid is zonering een belangrijk hulpmiddel. Zonering is een vorm van ruimtelijk beleid waarbij voor elk homogeen stuk landelijk gebied een keuze wordt gemaakt uit de functies die er voorrang hebben. Dit kan helpen om milieuproblemen door afwenteling tegen te gaan. Er zijn vier mogelijke ontwikkelingskoersen:
1. De gele koers – de ontwikkeling van landbouw in zeer intensieve en sterk geconcentreerde vorm heeft hier voorrang. De opbouw van het landschap wordt sterk bepaald door de landbouw.
2. De bruine koers – de grondgebonden landbouw in de vorm van akkerbouw of rundveehouderij heeft hier voorrang. Gestreefd wordt naar een landschapsopbouw waar landbouw in de ruimte afwisselt met een netwerk van groenelementen.
3. De blauwe koers – voorop staat een combinatie van functies en de afwezigheid van intensieve vor-men van landbouw. De nadruk ligt op economisch aantrekkelijke combinaties van landbouw met re-creatie, beheer van natuur en landschap, bosbouw of waterwinning. De boer moet de natuurgebieden met groene zones verbinden. De natuurverbindingszones staan in de zogenaamde ecologische hoofd-structuur van Nederland;
4. De groene koers – voorop staat het behoud, het herstel en de ontwikkelingen van natuur. Het gaat om natuurgebieden en natuurverbindingszones die erg belangrijk zijn voor de ecologische hoofdstructuur van Nederland. Bij de gebieden van een groene koers horen een aantal nationale parken.

Ecologische hoofdstructuur van Nederland = Plan om de diversiteit van de Nederlandse landschappen te vergroten. Bestaat uit een kaart van Nederland met een aanduiding van: natuurkerngebieden en te ontwikke-len natuurverbindingszones.
Nationale parken = Een beschermd natuurgebied van minstens 1000 ha met zeldzame natuurwaarden en / of een uniek landschap.

Milieubeleid gaat over de toekomst van het milieu van mensen, planten en dieren. Milieubeleid is het beleid van de overheid dat zich richt op het bestrijden en voorkomen van milieuproblemen op alle schaalniveaus. Drie kernpunten moeten duurzame ontwikkeling bevorderen:
1. Integraal ketenbeheer (= vorm van milieubeleid waarbij voor alle stadia van de productieketen wordt nagegaan of negatieve effecten op het milieu kunnen worden verminderd);
2. Hoge kwaliteit van producten (= vorm van milieubeleid waarbij gestreefd wordt naar een hoge kwali-teit);
3. Minder energiegebruik.

Elk product heeft een bepaalde levensloop. Dat noem je de productie-consumptieketen. Deze keten, waarbij dus integraal ketenbeheer bij aan de pas komt, bestaat doorgaans uit vijf stadia:
1. Het winnen van grondstoffen;
2. Het bewerken van grondstoffen tot basismaterialen of halffabrikaten;
3. Het maken van eindproducten;
4. Het gebruiken of consumeren van eindproducten;
5. Het afdanken van producten en het verwerken en hergebruiken van afval.

Ook een hoge kwaliteit van producten draagt bij aan duurzaamheid. In het afvalstadium moet gestreefd wor-den naar zo weinig mogelijk onverwerkbaar materiaal.
De Nederlandse economie is zeer energie-intensief. We moeten daarom zo min mogelijk fossiele brandstof-fen gebruiken. Een goed alternatief zijn vernieuwbare energieën (zon-, wind- en waterkracht).

In het algemeen moet bij een product en productieproces altijd gestreefd worden naar het beperken van het gebruik van grondstoffen en energie. Gunstig is het sluiten van stofkringlopen.

De positie van de ontwikkelingslanden en de rijke landen ten aanzien van milieuproblemen is verschillend:
1. In de ontwikkelingslanden is de bevolkingsgroei hoog en het welvaartsniveau per hoofd van de be-volking laag. Armoede is een belangrijke oorzaak van milieuverslechtering (= de achteruitgang van de kwaliteit van het milieu door bijv. erosie en verzilting) wat het bestaan van de mensen nog moei-lijker maakt. Armoede is een gevolg van milieuverslechtering; er ontstaat een vicieuze cirkel (ar-moede  milieuverslechtering  meer armoede  meer milieuverslechtering enz.). Om deze cirkel te doorbreken moet het milieu extra aandacht krijgen.
2. In de rijke landen is de bevolkingsgroei laag en de benutting van energie en grondstoffen per hoofd van de bevolking hoog. Door het gebruik van moderne technologie kunnen milieuproblemen in theo-rie beperkt worden. Duurzame ontwikkeling is hier wel noodzakelijk.

Een verandering van het wereldklimaat heeft gevolgen voor mens en ecosystemen en zal per gebied op aarde verschillen. Gestimuleerd door de Verenigde Naties is er in 1994 een klimaatverdrag gesloten. Dit verdrag heeft als doel de klimaatverandering op aarde tegen te gaan. Landen die getekend hebben, zijn verplicht om de uitstoot van gassen die het broeikaseffect versterken te verminderen. Vooral de uitstoot van CO2 moet beperkt worden.

Het verminderen van de uitstoot door energiebesparing, minder autoverkeer en bosaanplant is in een goede economie moeilijk. Een invoering van een energieheffing levert mogelijk een bijdrage. Dit is een speciale belasting op de koolstofinhoud van brandstoffen. Ook bosaanplant is een middel om de hoeveelheid CO2 in de lucht te verminderen. Jong groeiend bos heeft namelijk veel CO2 nodig.

Belangrijke clips:

Clip 2
Naast een economische boekhouding van een land is eigenlijk ook een ecologische boekhouding nodig. Op die manier wordt de waardevermindering van de natuurlijke hulpbronnen ook meegeteld. Bij de huidige ma-nier om economische groei en welvaart te berekenen, gaat men uit van het Bruto Nationaal Product. In een ecologische boekhouding moet de omvang van de milieugebruiksruimte nauwkeurig worden bijgehouden en ook de milieukosten moeten in de prijs van de producten verwerkt worden.

Clip 3
Het tot stand brengen van een ecologische hoofdstructuur in Nederland houdt in dat de overheid natuurge-bieden aanwijst die moeten worden beschermd of ontwikkeld en de overheid wijst ook gebieden aan waar verbindingszones en stapstenen moeten komen. Het brengt veel werk met zich mee. Voorbeelden van dit werk zijn:
• In gebieden met verbindingszones moet grond worden aangekocht en boeren moeten worden over-tuigd van het nut van de vernieuwende landbouw;
• Aan de rand van gebieden moeten ongewenste ontwikkelingen voorkomen worden. Er moeten buf-ferzones komen met vormen van ruimtegebruik die niet bedreigend zijn;
• Binnen de ecologische hoofdstructuur moeten de specifieke milieuomstandigheden aanwezig zijn die horen bij de soorten van het Nederlandse landschap;
• Natuur is voor recreatie erg belangrijk, maar de natuur mag niet aangetast worden. Om dit te combi-neren moeten nationale parken aangelegd worden.

Clip 4
Er is een steeds verdergaande mondialisering van de economie. Bij het milieubeleid wordt uitgegaan van drie mogelijke economische scenario’s die invloed hebben op het gebruik van energie en grondstoffen en de productie van afvalstoffen:
1. Divided Europe (DE) – mislukken van de Europese integratie, waardoor de economische groei daalt;
2. European Coordination (EC) – integratie en vrijhandel binnen EU, waardoor de economische groei stijgt;
3. Global Competition (GC) – vrijhandel in de wereld waar Nederland van profiteert en waardoor de economische groei nog meer stijgt.

Clip 5
De Nederlandse overheid hanteert bij het aanpakken van milieuproblemen twee benaderingen:
1. Brongericht milieubeleid = Vorm van milieubeleid dat zich richt op het voorkomen van het ontstaan van milieuproblemen;
2. Effectgericht milieubeleid = Vorm van milieubeleid dat zich richt op het wegwerken van de schade-lijke effecten van milieuverontreiniging, milieuaantasting of milieu-uitputting.
Middelen die bij deze beleidsvormen horen zijn beleidswetten, financiële prikkels, convenanten, onderwijs en voorlichting.