Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Migratie & Mobiliteit Hoofdstuk 1

Samenvatting Aardrijkskunde


Niveau: 6 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 7331 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Aardrijkskunde Samenvatting Migratie & Mobiliteit

Hoofdstuk 1: On the move

Geografische mobiliteit = stromen van mensen, goederen, energie, ideeën en informatie tussen gebieden.

Er bestaan veel vormen van mobiliteit, ze zijn te onderverdelen in tijd en ruimte, waarbij je bij de ruimte ook kan kijken naar de richting en de afstand van de verplaatsing.

De onderverdeling van mobiliteit in tijd:
• circulatie:
- periodiek
- dagelijks
- seizoen
- lange tijd
• migratie:
- permanent

Circulatie = geografische mobiliteit waarbij mensen tijdelijk van (woon)plaats veranderen, hierbij overschrijden ze een grens tussen twee plaatsen.

Migratie = geografische mobiliteit waarbij mensen permanent van woonplaats veranderen, hierbij overschrijden ze een grens tussen twee plaatsen.

De onderverdeling van mobiliteit in ruimtelijke afstand:
• nationaal:
- lokaal
- intra-provinciaal
- inter-provinciaal
• internationaal:
- ontwikkelingslanden – ontwikkelingslanden
- ontwikkelingslanden – rijke landen
- rijke landen – rijke landen

De onderverdeling van mobiliteit in ruimtelijke richting:
• ruraal – urbaan
• urbaan – ruraal
• ruraal – ruraal
• urbaan – urbaan
• centrum – periferie
• periferie – centrum
• traditioneel – modern

De migratie van Marokkanen en Turken naar Nederland is een kenmerkende, er zijn verschillende fasen te onderscheiden:
• fase 1: cirkelmigratie van gastarbeiders (1961-1973):
gastarbeiders kwamen naar Nederland met het idee hier tijdelijk te werken; terugkeer was uiteindelijk niet (goed) mogelijk, waardoor cirkelmigratie ontstond.
• fase 2: gezinsherenigende migratie en opkomst van illegale migratie (1973-1983):
arbeiders uit het buitenland waren niet meer nodig; terugkeer naar de herkomstgebieden was vanwege de sociaal-economische situatie daar niet mogelijk, waardoor gezinsherenigende migratie ontstond, maar ook illegale migratie.
• fase 3: gezinshervormende migratie en voortgaande illegale migratie (vanaf 1983):
2e generatie-Turken en –Marokkanen gaan veelal trouwen; gezinsvormende migratie is het gevolg; de illegale migratie gaat door.

Cirkelmigratie = het permanent heen en weer trekken tussen het herkomstgebied en het gebied waar men werkt.

Voorwaarden voor het ontstaan van cirkelmigratie zijn:
• de traditionele productiewijze is ontoereikend voor het gezinsinkomen
• de achterblijvende familieleden doen het werk op het traditionele (agrarische) bedrijfje
• mogelijkheden om elders loonarbeid te verrichten
• de afstand tussen herkomst- en vestigingsgebied moet niet te groot zijn (reiskosten)
• de gastarbeider moet regelmatig naar huis terug kunnen zonder dat zijn arbeidsplaats gevaar loopt
• de gastarbeider voelt zich in het vestigingsgebied uitsluitend arbeidskracht; daar neemt hij nauwelijks deel aan het sociale leven; hij ziet zijn toekomst in het herkomstland
Als er verandering komt in een of meer van deze voorwaarden, zal de cirkelmigratie verdwijnen.

Gezinsherenigende migratie (primaire gezinshereniging) = het (laten) overkomen van gezinsleden naar het vestigingsgebied.

Illegale migratie = migreren naar een gebied zonder een verblijfsvergunning voor dat gebied.

Gezinsvormende migratie (secundaire gezinshereniging) = het zoeken van een partner in een ander gebied en laten overkomen naar het vestigingsgebied, om vervolgens een gezin te stichten.

Mensen migreren omdat ze elders zoeken wat ze thuis niet vinden. Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mobiliteit zijn de verschillen tussen gebieden. De verschillen kunnen betrekking hebben op economische, sociale, politieke, culturele en fysische aspecten. Een andere voorwaarde is dat men kennis heeft over de verschillen tussen die gebieden. Voor het verklaren van migratie moet je kijken naar factoren op drie niveaus: macro-, meso- en microniveau.

Op macro-niveau worden verschillen tussen gebieden verklaard, op meso-niveau spelen de voorwaarden voor migratie en push- en pull-factoren een rol, op micro-niveau gaat het om sociale mechanismen in het herkomst- en vestigingsgebied.

De volgende drie voorwaarden zijn noodzakelijk voor migratie en vergroten de kans erop:
• complementariteit
• transporteerbaarheid
• afwezigheid van tussenliggende mogelijkheden

Complementariteit (aanvulbaarheid) = gebieden vullen elkaar aan omdat ze van elkaar verschillen.

Transporteerbaarheid = de mogelijkheid om goederen, ideeën, energie en mensen van het ene gebied naar het andere te vervoeren; dit is afhankelijk van de kosten en tijd.

Pullfactoren (aantrekkingsfactoren) = omstandigheden in een gebied die als gunstig worden ervaren.

Pushfactoren (afstotingsfactoren) = omstandigheden in een gebeid die als ongunstig worden ervaren.

Migratie bestaat uit twee fasen onderverdeeld in vier stappen:
• fase 1: de ruimtelijke verplaatsing van het ene naar het andere gebied:
- stap 1: het nemen van de beslissing om te migreren
- stap 2: de daadwerkelijke ruimtelijke verplaatsing
• fase 2: het integreren van de migrant in zijn nieuwe woonomgeving:
- stap 3: het nemen van de beslissing te blijven en zich aan te passen
- stap 4: het integratieproces

Integratie = het proces van aanpassing en opname in de samenleving van het vestigingsgebied.

Allochtonen:
• smalle definitie = inwoners die geboren en (deels) getogen zijn in het buitenland en zich ook buitenlander voelen
• ruime definitie = inwoners die zelf geboren en (deels) getogen zijn in het buitenland of waarvan minstens één van de ouders in het buitenland geboren is

Autochtonen:
• smalle definitie = inwoners van een land die in dat land geboren en getogen zijn en die de nationaliteit hebben van het land waar zij geboren zijn
• ruime definitie = inwoners van een land die in dat land geboren en getogen zijn en waarvan ook beide ouders in Nederland geboren zijn

De gevolgen van migratie zijn vaak groot, vooral als het om arbeidsmigratie gaat.

Arbeidsmigratie = migratie waarbij men gaat migreren om elders te gaan werken.

Er zijn verschillende soorten gevolgen van migratie voor het herkomstgebied:
• economische gevolgen:
- vermindering van gedeelde armoede, door minder overbevolking
- binnenkomst van buitenlandse deviezen, afkomstig van migranten
- investeringen in nieuwe huizen, bedrijven en de landbouw
• sociaal-economische gevolg:
- vergroting ongelijkheid tussen families met en families zonder migranten
• sociaal-culturele gevolgen:
- verandering bevolkingsopbouw, door wegtrekken jongeren
- verandering van de cultuur
• ruimtelijke gevolgen:
- bouw van nieuwe huizen aan de rand van dorpen en verval van huizen in het
centrum
- extensivering (verwaarlozing) en intensivering (vernieuwingen) van de
landbouw
• psychologisch gevolg
- verlangen van jongeren het gebied te verlaten, vanwege rooskleurige berichten
van migranten

Hoofdstuk 2: Migratie: overal hetzelfde en toch overal anders

De migratie naar West-Europa is in te delen in drie tijden:
• 1945-1960: Politieke migratie:
- dekolonisatie zorgde voor terugkeer van staatsburgers uit de koloniën, komst van mensen (o.a. Molukkers), waaronder vluchtelingen, uit de koloniën zelf en repatriëring
- het IJzeren Gordijn zorgde voor Aussiedler, vluchtelingen en migranten uit Oost-Europa
• 1961-1973: Economische migratie:
- gastarbeiders
- remigratie van Italianen en Spanjaarden
• 1973-heden: Sociale en politieke migratie:
- gezinshereniging
- illegale migratie
- politieke vluchtelingen
- onafhankelijkheid van Suriname zorgde voor migratie van Surinamers naar Nederland

Politieke migratie = migratie om politieke redenen, zoals schending van mensenrechten, gebrek aan veiligheid, onafhankelijk worden van koloniën.

Economische migratie = migratie om economische redenen.

Sociale migratie = migratie om sociale redenen, zoals gezinshereniging, gezinsvorming en mensenrechten.

Repatriëring = terugkeer van kolonisten naar het land van herkomst.

Aussiedler = immigranten in Duitsland die als etnische Duitsers voornamelijk uit landen in Midden-Europa naar Duitsland zijn (terug)gekomen.

Politieke vluchtelingen = mensen die gegronde redenen hebben om te vrezen dat zij in hun eigen land vervolgd worden vanwege een godsdienstige of politieke overtuiging of nationaliteit, of omdat zij behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groepering.

Economische vluchtelingen = mensen die hun geboortestreek ontvluchten vanwege honger, werkloosheid of een gebrekkig bestaan, ze hopen elders een beter bestaan op te bouwen.

Asielzoekers = vreemdelingen die om uiteenlopende redenen hun land hebben verlaten om in een ander land bescherming te zoeken, zij vragen dan asiel.

De EU is vanwege drie algemeen geldende principes een immigratiegebied:
• vrije emigratie en immigratie van staatsburgers
• het verlenen van toegang voor het nationale belang, bijv. de behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten
• het verlenen van toegang op grond van mensenrechten of sociale of humanitaire waarden

Het nationaal migratiebeleid wordt steeds meer bepaald door internationale verdragen, zoals het Verdrag van Schengen, waarin de gevolgen van de opheffing van de grenscontroles binnen de EU is wordt geregeld.

Nederland onderscheidt zich als migratieland van andere Europese landen vooral door de herkomst van de migranten en door het migratiebeleid dat Nederland voert. Het beleid richt zich op zeer selectief toelaten van migranten en het stimuleren van emigratie en remigratie.

Remigratie (retourmigratie) = terugkeermigratie naar het herkomstgebied.

Migratie kan gevolgen hebben voor de kwantitatieve en voor de kwalitatieve aspecten van de bevolking van zowel het vestigings- als het herkomstgebied en ruimtelijke gevolgen, zoals een verandering in het bevolkingsspreidingspatroon in beide gebieden.

Kwantitatieve aspecten van de bevolking = de getalsmatige aspecten van een bevolking die veranderen door omvangrijke migratie, bijv. de bevolkingsomvang en de verhouding tussen ouderen en jongeren.

Kwalitatieve aspecten van de bevolking = kenmerken van de bevolking die betrekking hebben op religie, sekse, ontwikkelingspeil, herkomst en cultuur.

Bevolkingsspreidingspatroon = de wijze waarop de bevolking over het landschap verdeeld is.

Braindrain (‘hersen-aftap’) = het wegtrekken van hooggeschoolden uit een gebied, waardoor knowhow uit een gebied verdwijnt.

Gevolgen van migratie voor vestigingsgebieden:
• verandering van de bevolkingssamenstelling (o.a. door hogere vruchtbaarheid allochtone vrouwen)
• ontstaan van achterstandswijken (door selectieve migratie)

Vruchtbaarheid = het aantal kinderen dat geboren wordt uit een groep vrouwen in de leeftijd van 15 - 45 jaar.

Selectieve migratie = migratie waarbij slechts een bepaalde groep betrokken is, bijv. mensen met lage inkomens of mensen van een bepaald volk dat bedreigd wordt.

Urbanisatie wordt bepaald door drie processen:
• de natuurlijke groei van de stedelijke bevolking
• de trek van het platteland naar de stad
• de inlijving door de stad van het omringende platteland

Urbanisatie = trek van het platteland naar de stad (ruraal-urbane migratie); ook wel: de groei van het percentage van de bevolking dat in steden woont.

Bij een lage urbanisatiegraad wordt het verschil in bevolkingsgroei tussen stad en platteland vooral veroorzaakt door de trek naar de stad; hoe hoger de urbanisatiegraad, des te groter is de betekenis van de natuurlijke bevolkingsgroei in de groei van de stad; hoe meer de werkgelegenheid in een stad toeneemt, des te meer zal de migratie zorgen voor een toename van de bevolking.

Ontwikkelingslanden worden meestal gekenmerkt door overurbanisatie. Sterke toename van de bevolking daar uit zich in slechte woonomstandigheden en een sterke groei van de informele sector.

Naarmate een gebied verder ontwikkeld is, hoe hoger de urbanisatiegraad is.
Het urbanisatietempo is in ontwikkelde gebieden lager, dan in ontwikkelingsgebieden.

Overurbanisatie = sprake van als de groei van de stedelijke bevolking sterker toeneemt dan de bestaansmogelijkheden, daardoor ontstaan grote verschillen tussen arm en rijk.

Informele sector (scharrelsector/vluchtsector/laatste-kanssector) = het geheel van kleine bedrijfjes en activiteiten die niet formeel (binnen de wet en met vergunning) bestaan en plaatsvinden. De informele sector kenmerkt zich door involutie.

Involutie = een ontwikkeling binnen de informele sector waarbij steeds meer mensen in deze sector worden opgenomen, maar het karakter – de kenmerken – van deze sector niet verandert, het enige dat verandert, is het aantal mensen, hierdoor is er sprake van een gedeelde armoede.

Ontwikkelde landen hebben vaak een vloeiende verloop van de rank-size-rule, ontwikkelingslanden hebben echter een grillig verloop. Eenvoudig gezegd hebben zij een primate city, een aantal andere grote steden die iets kleiner zijn en een heleboel kleine stadjes, middelgrote steden ontbreken; hun primacy is daardoor groot.

Rank-size-rule = er is een verband tussen het aantal en de grote van de steden van een land; hoe groter de steden, hoe kleiner in aantal.

Primate city = de grootste stad van een land, die andere steden sterk in omvang en betekenis overtreft.

Primacy = de mate waarin de primate city de andere steden overtreft.

Hoofdstuk 3: Mobiliteit en leefomgeving

We leven in een samenleving waarin verplaatsingen vanzelfsprekend zijn. Dit noem je mobiliteit. De mobiliteit wordt sterk bepaald door automobiliteit.

Mobiliteit = alle ruimtelijke bewegingen en verplaatsingen van mensen, goederen, ideeën, energie en materie.

Automobiliteit = het gebruik van de auto voor allerlei verplaatsingen.

De toegenomen mobiliteit heeft geleid tot een toename van de verkeersintensiteit.

Verkeersintensiteit = het aantal auto’s, zowel personen- als vrachtauto’s, dat op een bepaald moment van de infrastructuur in een gebied gebruikmaakt.

Het toenemende autobezit is een belangrijke voorwaarde voor automobiliteit.

Autobezit = het aantal auto’s die de inwoners van een gebied bezitten. Het autobezit kan worden uitgedrukt in het aantal auto’s per 1000 inwoners of per 100 huishoudens.

Er zijn twee factoren die de groei van het autobezit beïnvloeden:
• de groei van het aantal inwoners en huishoudens
• de toenemende welvaart


De volgende drie factoren zorgen voor een toenemend autogebruik:
• suburbanisatie van wonen en werken: er vormen zich stadsgewesten, waardoor de afstand tussen wonen en werken toeneemt en forensisme ontstaat
• groei van vrijetijdsbesteding: meer verplaatsingen voor vakantie en recreatie
• groei van het aantal eenpersoonshuishoudens: vrijwel elk huishouden heeft een auto (nodig), meer eenpersoonshuishoudens zorgt voor meer huishoudens in totaal

Autogebruik = het gaat om het aantal verplaatsingen en de verplaatsingsafstand met de auto.

Suburbanisatie = een migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken uit de steden naar naburige dorpen op het platteland.

Forensisme (pendel) = het verschijnsel waarbij arbeidskrachten buiten de woongemeente werken en dagelijks op en neer reizen tussen woon- en werkplek.

De toename van de verkeersintensiteit leidt tot congestie.

Congestie = het verkeersaanbod is groter dan de infrastructuur aan kan.

Congestie in de stad leidt tot een slechte verkeersdoorstroming en grote parkeerproblemen. De binnensteden hebben last van een afnemende bereikbaarheid. Congestie op autowegen in het landelijk gebied leidt tot files, hierdoor ontstaat economisch schade vanwege voertuigverliesuren.

Bereikbaarheid = het gemak waarmee een plaats bereikt kan worden, uitgedrukt in tijd, geld en.of moeite.

Uitbreiding en verbetering van de infrastructuur ten behoeve van het verkeer heeft drie soorten gevolgen:
• verstening van de omgeving: er is steeds minder groen
• verandering van het landschap: versnippering van de natuur en aantasting van het landschap
• verontreiniging en hinder: luchtverontreiniging en geluidshinder

Om de mobiliteit zonder nadelige effecten te bevorderen, voert de overheid een mobiliteitsbeleid, waar het congestiebeleid en het locatiebeleid deel van uit maken.

Mobiliteitsbeleid = het geheel van geplande maatregelen met het doel de effecten van de toenemende (auto)mobiliteit te beheersen.

Congestiebeleid = het geheel van geplande maatregelen met het doel de congestie te verminderen door de capaciteit van de infrastructuur te vergroten.

Locatiebeleid = het geheel van geplande maatregelen met het doel bedrijven op een dusdanige locatie te krijgen dat ze goed bereikbaar zijn en er tegelijkertijd geen congestie ontstaat.

Het mobiliteitsbeleid kent maatregelen:
• die het autogebruik afremmen: minder verplaatsingen en kortere afstanden ervan (bijv. locatiebeleid)
• die het collectief vervoer stimuleren (bijv. P+R-beleid: Parkeer en Reis)
• waardoor de capaciteit van de beschikbare infrastructuur beter wordt benut (bijv. congestiebeleid)

Bij het locatiebeleid zijn 3 soorten locaties te onderscheiden:
• A-locatie: primair goed bereikbaar per openbaar vervoer
• B-locatie: zowel goed bereikbaar met het openbaar vervoer als met de auto
• C-locatie: primair goed bereikbaar per auto