Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

De Firma

Samenvatting Management & Organisatie


Niveau: 5 VWO

Taal:

Opmerking: dit is zeker een goede samenvatting voor als je weinig tijd hebt om te leren


Bekeken: 4478 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Hoofdstuk 2

Eenmanszaak Vennootschap onder firma
Één eigenaar privé en zakelijk aansprakelijk Meerdere eigenaren (allemaal aansprakelijk voor de schulden) privé en zakelijk
Geen overleg mogelijk Lastig overleggen, maar betere oplossingen
Klein eigen vermogen Groter eigen vermogen
Continuïteit is niet goed gewaarborgd. Continuiteit is beter gewaarborgd
Hoeven allebei niet openbaar gemaakt te worden (balansen etc. Hoeven allebei niet openbaar gemaakt te worden (balansen etc.
Fiscaal maakt het ook niets uit er wordt in beide gevallen inkomstenbelasting geheven over de nettowinst. Fiscaal maakt het ook niets uit, bij een VOF krijgt iedere firmant een deel van de nettowinst en hierover wordt inkomstenbelasting geheven.

Goodwill
de vergoeding die een firmant krijgt bij de oprichting van een vennootschap noder firma omdat hij een vaste klantenkring meeneemt.

Gedekt krediet: bank vraagt zekerheidsstelling
1. persoonlijk (borg) (Schuld betalen als schuldenaar dit niet kan)
2. zakelijk (roerende of onroerende goederen als onderpand)
a. bijvoorbeeld een hypothecaire lening met een onroerende goed als onderpand

Ongedekt/blanco krediet
Krediet verleend zonder zekerheidsstelling (hogere rente waarschijnlijk)



Hoofdstuk 3

Abstracte markt
van oerproduct tot eindproduct.

Concrete markt
Plaats waar kopers en verkopers elkaar ontmoeten.
- beurs
- veiling
- dagmarkt
- weekmarkt

Marktonderzoek
- het gebruiken van interne gegevens
- Deskresearch: bestaande externe gegevens voor marktonderzoek.
- Fieldresearch: het verzamelen van nieuwe informatie
o Communicatie
 In contact treden met (mogelijke) afnemers (interview of enquete)
o Observatie
 Het waarnemen van het gedrag van de consument (zonder dat deze het weet) is kostbaar en tijdrovend. Wordt vooral gebruikt bij de introductie van een nieuw product.
 Dit kan ook door de consument gedaan worden (denk hierbij aan de consumentenbond en Konsumenten Kontakt.
 Tevens kun je een onderzoek doen wat betreft de prijsveranderingen. Hoe men daarop reageert, met reclame: welk medium werkt het best?

Marketingbeleid:
- Commerciële organisaties
o Maximale winst behalen of verbetering van het imago van het bedrijf. (vaak door middel van marktonderzoek). De instrumenten voor het markteingbeleid zijn de 4 P’s ofwel de marketingmix.
- Niet commerciële organisaties.
o De staat heeft als doelstelling hebben: zoveel mogelijk mensen bereiken met een bepaalde voorziening (via geld uit de belasting)
o Actievoerders: geld binnenhalen (d.m.v. fundrasing) om hun acties te financieren.
o Sportverenigingen: geld binnenhalen (vaak via sponsoring) om sport te bevorderen via toernooien etc.

Marktaandeel bedrijf
Afzet bedrijf .
Marktaandeel bedrijf = totale marktafzet * 100 %

Omzet bedrijf . (mits de verkoopprijs gelijk is)
Marktaandeel bedrijf = totale marktomzet * 100 %


Marktsegmentatie:
Eigenschappen die consumenten gemeen hebben.

Demarketing:
Men wil de vraag naar het product/de dienst afremmen (bijv. in een restaurant dat heel populair wordt, waardoor mensen vaak weken/maanden v.t.v. moeten reserveren)

Tegenmarketing/contramarketing
Men probeert de vraag naar het product te verminderen (bijvoorbeeld met sigaretten)
Door actiegroepen: tegen bontjassen bijvoorbeeld

Substitutiegoederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen (spaghetti en macaroni)

Complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen (cd’s en cd-spelers)

Zoveel te minder je bestelt, zoveel te lager de opslagkosten, maar zoveel te hoger de bestelkosten. Een ondernemer probeert een evenwicht te vinden waarbij de voorraadkosten het laagst zijn.

Omgevingsfactoren:
- demografische ontwikkelingen (vergrijzing, leeftijd, geslacht etc.)
- stand van de techniek
o kan alleen door zeer grote bedrijven beïnvloed worden.
- Wetgeving
o Wet Productaansprakelijkheid
 Stelt winkelier/leverancier aansprakelijk voor schade die zijn product veroorzaakt als gevolg van gebreken aan product of ontbreken van een onduidelijke gebruiksaanwijziging
o Wet Economische Mededinging
 Tegengaan van machtsmisbruik. Verticale prijsbinding wordt tegengegaan (de fabrikant mag de winkelier niet voorschrijven welke prijs hij moet hanteren)
o Wet Misleidende reclame
 Ondernemer is aansprakelijk voor schade die optreed als gevolg van misleidende reclame
- gedrag van de afnemers
o de prijs speelt hierbij een belangrijk rol
o prijzen van andere producten spelen een rol
 substitutiegoederen
• de vraag zal stijgen indien de prijs van het andere product stijgt
 complementaire goederen
• de vraag zal dalen indien de prijs van het andere product stijgt
o het inkomen
o behoeften van de consument
 fysieke behoeften (eten, drinken, onderdak en kleding
 psychische behoeften (bescherming, zekerheid, veiligheid, acceptatie)
- gedrag van de toeleveranciers
o wanneer een onderneming de enige afnemer van een toeleverancier is, kan de afnemer zijn/haar wil opleggen aan de toeleverancier. Wanneer het aantal afnemers toeneemt, zal de macht van de afnemer dalen.
- gedrag van de concurrenten
o op een markt met volledige mededinging heeft een individuele aanbieder geen invloed op de prijs
o wanneer het product verschilt van concurentie, kan de onderneming zich onderscheiden van concurrenten (monopolistische concurentie). Je kunt de prijs wat verhogen (bijvoorbeeld door maanzaad op brood te doen)
o bij een oligopolie is het aantal aanbieders is zo klein dat actie van een aanbieder meteen leidt tot reactie van de ander. Vaak is er een marktleider en de rest volgt. Je kunt hierbij beter met reclame e.d. klanten trekken dan door prijzen verhoging of verlaging.
o Bij monopolie is er geen concurrentie en kan de aanbieder zelf bepalen wat hij/zij doet.
- veranderingen in afzetkanalen.
o De klanten willen niet meer kopen bij de detailhandel, maar rechtstreeks bij de fabrikant.
- cultuur
o wordt beïnvloed door marketing. Normen en waarden spelen een belangrijke rol.


Product

Een product heeft materiële en immateriële kenmerken. Deze kenmerken bestaan onder andere uit:

- Kwaliteit
De kwaliteit wordt bepaald door de gebruiker van een product. Hierbij kan hij zij bijvoorbeeld letten op: garantie, veiligheid, materiaal etc.). Bij het verbeteren van de kwaliteit moet de producent dus op de hoogte zijn van de wensen van de consument.
- Uiterlijk
Als een product er leuk uitziet, zullen klanten het snel kopen.
- Merken
Door middel van een merk onderscheidt een prouct zich van andere producten. Je hebt verschillende soorten merken:
o fabrikantenmerk: het merk dat de fabrikant meegeeft aan zijn producten.
 Door de vele reclame moet de detailhandel het wel opnemen omdat de consument er om vraagt
 De detailhandel hoeft dus weinig reclame te maken, daartegenover staat dat ze weinig winst maken op deze merken.
o Eigen merk/distribuantenmerk (groothandel EN detailhandel)
 Zelf reclame maken
 Zelf veel winst
 Klantenbinding
 Minder concurrentie van andere detaillisten.
• Bijvoorbeeld: Albert Hein, Kruidvat of Aro (Makro)
o detaillistenmerk (alleen detailhandel)
 winkelmerk
• bijvoorbeeld Kruidvat (ook vaak warenhuizen en grote kledingzaken)
 ‘private label’
• producten met een merk dat speciaal voor de winkel gemaakt wordt (Euroshopper van Albert Hein)
 witte merk
• wordt gebruikt voor producten waarvan de aanvoer niet constant is
• wordt gebruikt voor producten die goedkoop zijn ingekocht omdat een fabriek failliet is gegaan
o groepsmerk/paraplumerk (naam voor producten van één onderneming)
 introductie van een nieuw product is makkelijk
 Geen risicospreiding (wanneer één product mislukt kan dit grote invloed hebben op de rest van de verkoop van producten)
• Bijvoorbeeld Philips of Super

o individueel merk (merk voor één product OF een groep van producten van één onderneming (Linera))
 risicospreiding (het mislukken van één product heeft weinig/geen invloed op de verkoop van een ander product)
 Er is differentiatie mogelijk
• Bijvoorbeeld Blue Band voor gewone burger en Becel voor mensen met hartproblemen.
o A-merk
 Zeer veel reclame
 overal verkrijgbaar
 Hoge prijs
o B-merk
 Weinig reclame
 Niet overal verkrijgbaar
 Lage prijs
o C-merk
 Geen reclame
 In winkels waar ze zeer goedkope producten verkopen
 Zeer lage prijs
- Technische Eigenschappen
Bijvoorbeeld hoeveel Watt een lamp heeft of hoe snel een computer werkt.
- De verpakking
o Commercieële functie: De verpakking moet de aandacht van de klant trekken; kleur en vorm moeten associaties oproepen. Het moet duidelijke productinformatie bevatten en bij merkartikelen moet het merk duidelijk zichtbaar zijn.
o Technische functie: de verpakking moet transport en opslag mogelijk maken en de houdbaarheid verlengen
- Service
Vele vormen van dienstbetoon;
o Goede voorlichting
o Eventueel bemiddelen over de financiering van de aankoop
o Een snelle levertijd
o Eventueel een demonstratie
o Goed onderhoud waar dit nodig is
o Snelle afhandeling wanneer het prodcut kapot is en reperatie noodzakelijk is.
- Garantie
Garantie wil zeggen dat de fabrikant instaat voor de kwaliteit van het product binnen een bepaalde termijn. De winkelier is verplicht te zorgen voor de reparatie of voor een nieuw product; deze aansprakelijkheid afschuiven op de fabrikant is niet toegestaan. Garantietermijn moet relevant zijn. (je mag verwachten dat een wasmachine meer dan 1 jaar meegaat, ook al wordt er maar 1 jaar garantie gegeven, de winkelier blijft dan gedeeltelijk aansprakelijk)
Marketingbeleid richt zich op verschillende productkenmerken, afhankelijk van:
o Het type afnemer
o De manier waarop het koopproces plaatsvindt
De aard van het product
o Industriële ondermeningen: kwaliteit en service
o Consumenten:
 Verbruiksgoederen: weinig geïnteresseerd in service en garantie
 Duurzame goederen: service en garantie wel belangrijk
Drie soorten consumptiegoederen
o Convenience goods: - koopt men regelmatig (eerste levensbehoeften) - keuze staat van tevoren vast - meestal in een winkel die dichtbij is (= minimale inspanning)
o Shopping goods: - koopt men minder regelmatig (kleding) - producten vergelijken en letten op de prijs, kwaliteit, merk etc. - vaak niet bij de dichtstbijzijnde winkel (= bereid zich in te spannen)
o Specialty goods: - koopt men niet regelmatig (dure aankopen) - alle productkenmerken; kwaliteit, merk, service en garantie spelen een rol bij de koopbeslissing - bereid om zich maximaal in te spannen

- Assortiment (het totaal aantal producten dat een onderneming verkoopt)
o Diep (een winkel heeft een groot aantal variëteiten van een bepaalde productgroep
 (lampenzaak)
o Breed (een winkel biedt een groot aantal productgroepen aan
 Warenhuis
Bij de samenstelling van het assortiment let de ondernemer op zaken als: bijdrage aan de omzet, de omzetsnelheid, bijdrage aan de brutowinst, kortingen van leveranciers, voorraad- en bestelkosten en de wensen van de consument.

trading-up: om andere kopersgroepen te bereiken wordt er een product toegevoegd aan het assortiment met een hogere prijs, de luxe-uitvoering van het product.
trading-down: er wordt een product aan het assortiment toegevoegd met een lagere prijs. Doel: mensen die minder te besteden hebben ook als klant krijgen.

Levenscyclus van een product
(Het verloop van de afzet, omzet en winst van een product)

introductiefase groeifase Volwassenfase/rijpheidsfase verzadigingsfase/
stabilisatiefase eindfase
omzet Laag Snelle toename Groeit minder; Concurrentie komt ook met het product op de markt. Groeit niet meer Daalt
winst Vrij gering Snelle toename;
De bezettingsgraad verbeterd en de aanloopkosten in de introductiefase zijn al terugverdiend. Groeit minder Daling;
Men probeert het oude product via allerlei kanalen aan de man te brengen. Daalt
prijs Hoog;
Men moet de hoge research- en ontwikkelings-kosten terugverdienen en eventueel een afroompolitiek volgen. Verlagen;
Om het product aantrekkelijk te maken voor de grote massa en om de concurrentie de pas af te snijden. Daalt verder Blijft gelijk. Daalt.
aantal
variëteiten Vrij gering Meerdere variëteiten Verder uitbreiden Blijft gelijk;
Men probeert een belangrijke wijziging in het product aan te brengen om de concurrentie voor te blijven of men probeert een nieuw product op de markt te brengen. Een paar;
Het aantal verkoop-punten, de reclame en het aantal variëteiten moeten kostverlagend werken zodat er nog iets van de winst overblijft.
aantal verkooppunten Gering Snelle toename Stijgt Blijft gelijk Vermindert
reclame Zeer veel Minder;
Het publiek heeft het product al ontdekt. Meer reclame;
Om de winst- en omzetdaling tegen te gaan. Meer Bijna niet meer
concurrentie Weinig Meer Meer Hevig Minder



De lengte van de levenscyclus wordt bepaald door vraag- en aanbodfactoren.

Aanbodkant:
De concurrentie speelt een belangrijke rol;
In de introductiefase heeft een onderneming weinig last van concurrentie en de afzet, omzet en winst nemen toe à deze hoge winst zorgt ervoor dat er nieuwe aanbieders tot de markt toetreden à meer concurrentie. Hoe sneller dit proces verloopt, hoe sneller de levenscyclus is afgelopen.
Ook de technische ontwikkelingen leiden tot de introductie van steeds weer nieuwe producten.
Verder is de aard van een product belangrijk. Duurzame consumptiegoederen hebben een andere levenscyclus dan primaire en luxe goederen. Audioapparatuur (luxe goed) heeft een kortere levensduur dan een wasmachine (primair goed).

Vraagkant:
Het gedrag van de afnemers is bepalend. Het bepaalt of een product verder komt dan de introductiefase en of het in de mode blijft.