Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

nieuwe geschiedenis

Samenvatting Geschiedenis


Niveau: 2 HAVO VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 5704 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Inleiding…

Nieuwe geschiedenis:
De periode in de geschiedenis van West-Europa die volgt op de Middeleeuwen.

6 veranderingen die plaatsvonden in het Westen in de Nieuwe Geschiedenis:
• Er ontstaan nieuwe kunststijlen (eerst was alles naar God gericht, nu kregen zij ook belangstelling voor andere zaken) en er vonden grote uitvindingen plaats.
• Europa werd het centrum van de wereldhandel door de ontdekkingen.
• Scheiding katholieke en protestantse kerken in 16e eeuw.
• Vorsten kregen in de meeste West-Europese staten grote macht tot er in Frankrijk een revolutie uitbrak.
• Na 1750 begon de industriële revolutie.
• Mensen gingen nadenken over hoe ze het beste met elkaar konden samenleven. Daarover ontstonden verschillende opvattingen: de ‘ismen’: kapitalisme, socialisme, conservatisme en liberalisme.

Economie:
Het streven van mensen naar welvaart en alles wat daarmee te maken heeft.
Sociale omstandigheden:
De manier waarop mensen met elkaar samenleven.
Politiek:
De manier waarop mensen de macht onder elkaar verdelen.
Andere uitingen van cultuur:
Godsdienst, onderwijs, wetenschap, literatuur, kunst en recht.
Binnenlandse politiek:
Politiek die gaat over de macht in een bepaald land.
Buitenlandse politiek:
Politiek die gaat over de verhoudingen tussen verschillende landen.





Hoofdstuk 1…

Paragraaf 1

Ronde 1400 ontstond in Italië een verandering in het denken.
Sommige Italianen waren niet tevreden over hun eigen tijd. Zij wilden dingen veranderen en namen daarbij de cultuur van de Grieken en Romeinen als voorbeeld.
Italiaanse geleerden kunstenaars, rijke burgers en later ook edellieden en vorsten, zagen dat in hun lang veel was overgebleven van de Grieks-Romeinse cultuur.
Deze nieuwe belangstelling voor de Grieks-Romeinse cultuur noemt men de Renaissance
Wat letterlijk ‘wedergeboorte’ betekent. Hier gaat het om de wedergeboorte van de Grieks-Romeinse cultuur.

De drie denkbeelden waar mensen tijdens de Renaissance zich tot aangetrokken voelden:
- Een mens zich niet op de achtergrond moest plaatsen; iedereen was belangrijk.
- Ieder mens voor zichzelf leeft en niet voor een ander.
- Je moest genieten van het leven: de dag plukken. Niet steeds denken aan doodgaan.

Degenen die zich in de 15e eeuw aangetrokken voelden tot deze denkbeelden:
- Kooplieden: zij wilden van hun rijkdom genieten, zich onderscheiden van anderen.
- Vorsten en edelen: wilden meer macht zonder bemoeizucht van de kerk.
- Kunstenaars: wilden hun eigen stijl ontwikkelen. Ze begonnen hun werken van hun naam te voorzien.
- Geleerden: wilden net als de Grieken en Romeinen onderzoek doen op gebieden die zijzelf belangrijk vonden ook al had de kerk hier bezwaar tegen.

Middeleeuwse schilder:
- Godsdienstig onderwerp
- Niet levensecht: geen anatomie gebruikt
- Geen diepte
Schilder tijdens Renaissance:
- Mensen op schilderij genieten van het leven: praten, eten.
- Niet alleen godsdienstig onderwerp
- Levensecht: ontblote ledematen
- Diepte gebruikt

Paragraaf 2

Vanaf de 15e eeuw waren de Portugezen de Afrikaanse kust aan het verkennen, op zoek naar visgronden en volken om handel mee te drijven. Ook zochten ze steun bij volken die hen wilden helpen bij de strijd tegen de moslims, die Noord-Afrika en een deel van Spanje en Portugal hadden veroverd.
De moslims haalden producten uit Azië zoals specerijen en zijde. De Portugezen gingen toen zelf een zeeweg naar Azië zoeken, ze wilden zelf specerijen en zijde uit het oosten halen.
In 1488 bereikten de Portugezen de zuidelijke punt van Afrika (Kaap de Goede Hoop). In 1498 bereikt de Portugees Vasco da Gama India.

De Portugezen stichtten op verschillende plaatsen factorijen (handelsposten die bestonden uit een fort, een haven, wat pakhuizen en woningen) waarvanuit handel werd gedreven met de inheemse bevolking. Schepen die verre reizen maakten konden in factorijen vers voedsel en water inslaan.

In de 17e eeuw kregen de Hollanders de grootse invloed in Azië, in de 18e eeuw de Fransen en Britten.

De Italiaan Columbus wilde in westelijk richting naar Azië varen. In 1492 kreeg hij daar toestemming voor.
Na 3 maanden varen was er land in zicht. Columbus had zonder het zelf te weten Amerika ontdekt. Dat het niet Azië maar een ander werelddeel was, ontdekte men pas later. De Europeanen hadden toen de inwoners al Indianen (naar Indië) genoemd. Ook nadat Magelhaen er vanuit westelijke richting in geslaagd was om in Indië aan te komen, bleef men toch van Indianen spreken.
De Spanjaarden gingen anders te werk dan de Portugezen in Azië. Zij stichtten geen factorijen maar een kolonie: een groot veroverd gebied waar landgenoten zich konden vestigen.
Zo ontstonden 2 grote koloniën in Midden- en Zuid-Amerika. Vanuit Europa trokken grote groepen mensen daarnaartoe om zich er te vestigen. De Indianen werden verdreven, gedood of gedwongen voor de Europese kolonisten te werken. De Europeanen waren sterker doordat zij paarden en vuurwapens hadden.
Het belangrijkste voor de kolonisten waren de rijke zilvermijnen. Maar in Amerika was meer dan alleen zilver. Er was vooral veel grond. In het binnenland gingen Europeanen aan veeteelt doen. In de kustprovincies werden grote plantages (landbouwbedrijven) aangelegd. Daar werd suiker, later ook tabak en koffie verbouwd.












Ontdekkingsreizen:

• Bartholomeus Dias vertrekt vanuit Portugal en zeilt dicht langs de westkust van Afrika en bereikt Kaap de Goede Hoop.
• Christoffel Columbus vertrekt vanuit Spanje en ontdekt de eilanden in de Caïribische Zee.
• Vasco Da Gama vertrekt vanuit Portugal en zeilt om Zuid-Afrika heen (hij blijft langs de kust varen) en bereikt ten slotte India.
• Giovanni Caboto vertrekt vanuit Engeland En hij eindigt zijn reis in Canada.
• Cabral vertrekt vanuit Portugal RICHTING India neemt de bocht te ruim en strandt uiteindelijk in Zuid-Amerika bij Brasilië
• Magelhaen vertrekt vanuit Portugal. Hij zeilt tussen Zuid-Amerika en de eilanden eronder door, Hij bereikt de Philipijnen waar hij sneuvelt in een gevecht tegen de inwoners. Een van zijn schepen vaart door en komt uiteindelijk terug in Zuid-Spanje.



Paragraaf 3

Gevolgen van de ontdekkingsreizen:
- Verspreiding van mensen over de hele wereld onder blanke leiding:
Europeanen vestigden zich vrijwillig in andere werelddelen. De Afrikanen werden weggevoerd als slaven naar Amerika. Aziaten gingen vrijwillig of onvrijwillig naar Amerika.
- Miljoenen sterven door ziekten en geweld.
Toen de volken elkaar ontmoetten droegen zij ziekte op elkaar over, waardoor vooral de Indianen het ergst getroffen waren. Ook waren de blanke sterker dan de meeste andere volken omdat zij over paarden en vuurwapens beschikten.
- Uitwisseling van producten en begin van wereldeconomie:
Mensen kwamen in contact met andere werelddelen en dus ook met andere producten zoals mensen die voor het eerst in Amerika kwamen in contact kwamen met katoen, tabak, maïs, aardappelen, ananas tomaten, aardnoten en maniok. De West-Europeanen brachten naar Amerika: paarden, koeien, schapen, varkens, kippen, tarwe, suikerriet, koffie, olijven, sinaasappelen, bananen, citroenen en wijnstokken. Omdat niet alle producten overal in de wereld groeiden ontstond er handel tussen de verschillende werelddelen.
- In West-Europa neemt de handel in producten uit de koloniën toe:
In de 18e eeuw gingen steeds meer mensen nieuwe producten uit koloniën gebruiken waardoor er meer welvaart ontstond=> koffie, thee, tabak, cacao en suiker.














Paragraaf 4

Nationale gevoelens: gevoelens dat men als volk bij elkaar hoorden door gemeenschappelijke ervaringen en belangen.
Omstandigheden die bijdroegen tot het bestaan van nationale staten
Koningen worden machtiger.
De onderdanen ginge zich steeds meer met de koning verbonden voelen. De koningen kregen steeds meer steun van hun onderdanen, vooral van de kooplui en edelen.
Meer contact tussen de mensen.
In de vroege middeleeuwen leefde men afonderlijk. Maar door o.a. handel kwamen mensen meer in contact met anderen.
Gemeenschappelijke belangen.
Mensen kwamen erachter dat ze gemeenschappelijke belangen hadden zoals het verdedigen van hun godsdienst.
Gemeenschappelijke ervaringen
Zij gingen zich door^^ meer verbonden voelen.

Staat: een land met duidelijke grenzen en een centrale regering.

Nationale staat: wanneer de bevolking van een staat voelt dat ze door gemeenschappelijke ervaringen en belangen 1 volk vormt.



Paragraaf 5

Tot de 13e eeuw dachten mensen in Europa dat God maar 1 heerser over de samenleving wilde: de paus.
Hij werd gezien als de opvolger van de apostel Petrus.
Volgens de kerk had hij macht over de hele wereld ; vorsten hadden daarom hun macht aan de paus te danken en waren dus aan hem ondergeschikt. Zij moesten zorgen voor een goed bestuur en vechten tegen de heidenen. Deden zij dat niet goed, dan kon de paus hen afzetten.
Deze opvatting had meer aanhang onder de paus en bisschoppen dan onder de keizers en koningen. De vorsten stelden de zaak liever anders voor. Volgens hen wilde God een verdeling van de macht: de paus had alles te zeggen over de godsdienstige zaken en de vorsten waren de baas op hun terrein (bestuur van land enz.) Men noemt dit: scheiding tussen Kerk en staat.

Vanaf de late Middeleeuwen nam de macht van de vorsten toe. Franse, Duitse en Engelse vorsten kwamen in conflict met de paus. Soms bleek de paus de sterkste soms de vorsten. In de praktijk zouden de vorsten vaak rekening blijven houden met de wensen van de kerk. Ook zouden de geestelijken vaak belangrijke taken in het bestuur van het land krijgen.
Hoeveel macht moest een koning hebben, alle macht, of gedeeltelijke macht? In welke mate gedeeltelijk? Enz. In de meeste Europese staten ontstond een autocratie, een regering door 1man. De vorst bezat alles macht in de staat en hoefde op geen enkele manier verantwoording af te leggen aan zijn onderdanen. Hij en zijn aanhangers gingen ervanuit dat een koning door God was aangesteld om zijn onderdanen te besturen. Deze regeringvorm wordt het absolutisme genoemd.
In de meeste Europese staten bestaat al sinds de Middeleeuwen een parlement. In een parlement zitten vertegenwoordigers van de bevolking of een deel ervan. Lange tijd waren alleen de adel, de geestelijkheid en de bourgeoisie (rijke burgers) vertegenwoordigd. Met het toenemen van de macht van de vorsten stelden deze parlementen steeds minder voor. De absolutistische vorsten konden zelf beslissen of een parlement bijeenkwam of niet. En adviezen van het parlement konden zij naast zich neer leggen. In sommige staten slaagden de koningen er niet in een absoluut gezag op te bouwen. Vanaf ong. 1800 kregen steeds grotere delen van de bevolking toegang tot de parlementen. En vanaf die tijd ontstond in alle West-Europese staten een parlementaire regeringsvorm. Met een parlementaire regeringsvorm bedoelen we een regeringsvorm waarbij de macht in de staat berust bij een parlement.