Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

nakijkboekje tendens banket 1.1 introductie

Uitwerkingen


Niveau: 3 VMBO

Taal:

Opmerking: ik heb dit van het programa het plein en dan nakijken dus het is 100% goed


Bekeken: 6430 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Antwoorden



Banketbakker 1: Introductie





Opdracht 3

1.



1. koekjes



2. gebak



3. taart







2.



1. maken van deeg



2. maken van koekjes



3. maken van taart en gebak







3.



1. juist



2. onjuist



3. juist



4. onjuist



5. juist



6. onjuist



7. onjuist







4.



1. je handen



2. 6.00/7.00



3. wit



4. schoon



5. je schoon moet zijn op je kleding, je lichaam en vooral op je handen.







Opdracht 8



1. gelijksoortige



2. ambachtelijke, industriële



3. de hand



4. machines



.



Opdracht 9



1. machines, apparaten, verpakkingen.



2. brood, banket







Opdracht 10 <<icoon samenwerken + icoon praktijk>>



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 11



1. producten bij de supermarkt in grote hoeveelheden machinaal worden gemaakt.



2. Verpakking: in de supermarkt zijn producten voorverpakt



Product: in de supermarkt zijn alle producten precies gelijk







Opdracht 12







Ambachtelijke bakkerijen

Industriële bakkerijen

Luxe bakkerijen

Supermarkten



Broodbakkerij

Brood- en banketfabriek

Chocolaterie

In-store bakkerijen



Banketbakkerij

Koekjesfabriek

Konditorei

Bake-off en make-off bakkerijen



Brood- en banketbakkerij

Beschuitfabriek

Tearoom

Afdeling bakkerijproducten





Bedrijven die halffabrikaten maken voor bakkerij, horeca en huishoudens

Croissanterie















Opdracht 13

- worden voorgebakken broodjes afgebakken.



- halffabrikaten afgewerkt tot bijvoorbeeld gebak.



- bakkerij in een supermarkt.







Opdracht 14



1. halffabrikaten.



2. moeten worden afgewerkt.



3. warme



4. croissanterie en tearoom.







Kaderopdracht 1



- Assortiment: De sortering producten die wordt verkocht.



- Halffabrikaat: Een product dat voor verkoop nog moet worden afgewerkt.



- Groothandel: Een bedrijf waar een bakker grondstoffen of halffabrikaten koopt



- Industriële bakkerij: Een bakkerij waar veel met machines wordt gewerkt.



- Creatief: Iets zelf bedenken en maken.







Opdracht 15



1. beeldmerk



2. naamplaatje



3. vakkleding



4. die door het bedrijf wordt verstrekt







Opdracht 16

1. veiligheid



2. uitstraling



3. hygiëne



4. herkenning







Opdracht 17







Bakker



1. bakkersmuts



2. bakkersbuis



3. sloof



4. bakkersdoek



5. bakkersbroek



6. goede sokken



7. stevige veiligheidsschoenen









1. een kok draagt een halsdoek



2. een bakker draagt meestal geen buis met kogelknopen



3. de handdoek van een bakker wordt zijdoek genoemd







Opdracht 18







Bakkerskleding

Functie



· Bakkersmuts

H, U



· Bakkersbuis

H, U, V



· Sloof

H, U, V



· Bakkersdoek

F



· Bakkersbroek

U, F



· Goede sokken

F



· Stevige veiligheidsschoenen

F













Opdracht 19



1. brandgevaarlijk



2. uit vier lagen stof



3. buiten de praktijkruimten



4. zijdoek, afdrogen, schone handen.







Opdracht 20







Voorkomen vermoeidheid, hoofdpijn en pijn in je rug:

goede schoenen







Geschikt voor het afdrogen van schone handen:

zijdoek of bakkersdoek







Gemakkelijk te vervangen en te wassen:

witte sloof







Voorkomt dat er haren in de producten komen:

bakkersmuts













Opdracht 21

1. als er een gerecht bedorven is alle piloten ziek zijn waardoor ze niet meer kunnen vliegen.



2. omdat deze heel jonge en heel oude mensen minder weerstand hebben tegen ziekten.



3. 1. door vuile handen



2. door te hoesten boven producten







Opdracht 22



…alles wat bevordering en het behoud van de gezondheid van de mens betreft.







Opdracht 23



1. veilig



2. Hygiëne, gezondheid.



3. ziek, overlijden.



4. de kennis van alles wat ons gezond houdt.



5. 1. persoonlijke hygiëne



2. bedrijfshygiëne



3. sociale hygiëne







Opdracht 24



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Opdracht 25



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Opdracht 26



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Opdracht 27



1. desinfecteer



2. sieraden



3. kort, schoon.



4. wegwerphanddoek, luchtdroger







Opdracht 28



- puisten of zweren heb



- zwaar verkouden ben of lijd aan besmettelijke ziekten



- een open wond heb







Opdracht 29



1. gebruik van reinigingsmiddelen



2. gebruik van chloor en wc-reinigers



3. gebruik van wegwerpvaatdoekjes



4. gebruik van afwasmachine



5. gebruik van keukenpapier om vuil op te nemen







Opdracht 30



1. bederf, besmetting



2. minder grondstoffen en producten weggooit.



3. 1. zorg voor een goede persoonlijke hygiëne



2. reinig en desinfecteer materialen, gereedschappen en machines voordat deze met voeding in aanraking komen.







Opdracht 31

1. Houd rauwe en bereide producten gescheiden.



2. Gebruik geen rauwe eieren als er geen verhitting boven de 75ºC volgt.



3. Was groenten die rauw worden gegeten in water met azijn of citroenzuur.



4. Bereid voedingsmiddelen niet te lang van tevoren.



5. Doe geen oude grondstoffen bij nieuwe.



6. Bewaar grondstoffen en producten op de voorgeschreven manier.



7. Let op de houdbaarheidsdatum van voedsel.







Opdracht 32



1. schadelijk of hinderlijk is voor de mens.



2. 1. fysische vervuiling



2. chemische vervuiling



3. microbiologische vervuiling



3. fysische



4. chemische



5. 1. bacteriën



2. gisten



3. schimmels







Opdracht 33



– verwijderen van fysische of chemische verontreinigingen.



– micro-organismen.



– je bacteriën en andere micro-organismen doodt.







Opdracht 34



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Opdracht 35



Oplossing: dosering







Kaderopdracht 2



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 36







Onveilige situatie

Maatregel



1. Bijvoorbeeld het gebruik van machines en scherpe gereedschappen.

Beveiliging gebruiken.



2. Bijvoorbeeld uitglijden over een vuile gladde vloer.

Vuil meteen opruimen.



3. Bijvoorbeeld het gebruik van hete apparaten.

Handschoenen gebruiken.









Opdracht 37



1. Arbo-wet.



2. gezondheid en welzijn



3. werknemers en werkgevers







Opdracht 38



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 39

1. een veilige werkomgeving



2. een ontruimingsplan



3. veilige machines en apparaten



4. goede instructies voor het gebruik van machines en apparaten



5. goede instructies voor het gebruik van gevaarlijke stoffen



6. scholing van personeel om veilig te kunnen werken







1. werkinstructies op te volgen



2. gevaarlijke situaties te melden







Opdracht 40



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 41



1. docent



2. EHBO’er







Opdracht 42



1. reinigen onder stromend water



2. droogdeppen met een steriel gaasje



3. ontsmetten met jodium, betadine of bijvoorbeeld sterilon



4. steriel afdekken met een verband of pleister







Opdracht 43



Wel doen:



1. brandwonden meteen koelen onder koel stromend water



2. de wond afdekken met steriel gaas



3. raadpleeg zonodig een arts



Niet doen:



1. maak geen aan de wond vastzittende kleding los



2. prik geen blaren door



3. gebruik geen brandzalf, boter of andere huishoudelijke middeltjes







Opdracht 44



Ter beoordeling door de docent







Kaderopdracht 3



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 49



1. kan onveilig zijn



2. kan verkeerde stoffen afgeven



3. er kunnen stukjes afspringen die in het eten kunnen komen







Opdracht 50



1. Ze mogen geen smaak afgeven.



2. Ze mogen geen schadelijke stoffen afgeven.



3. Ze moeten weinig onderhoud vragen.



4. Ze moeten lang meegaan.







Opdracht 51







Materiaal

Geschikt

Minder geschikt



Roestvrij staal

X





Kunststof

X





Gietijzer



X



Blik

X





Gesiliconeerd plaatstaal

X





Koper



X



Glas en porselein



X













Opdracht 52







Materiaal

Voorbeelden van gereedschap



Roestvrij staal

Litermaat, stuifbloembakje



Gietijzer

Braadslede, grillplaat



Blik

Steker, cakeblik



Gesiliconeerd plaatstaal

Bakplaat, koekenpan



Koper

Kookpan, sauteuse



Glas en porselein

Schalen, kommen













Opdracht 53



1. blik



2. gesiliconeerd blik of plaatstaal







Opdracht 54







Materiaal

RVS

Aluminium

Koper

Kunststof

Blik

Hout



Vervormt niet snel

x



x





x



Is bestand tegen zuren

x









x



Heeft een lange levensduur

x













Is gemakkelijk te reinigen

x





x

x





Geeft giftige stoffen af



x

x









Is duur

x



x









Is licht in gewicht



x



x

x





Geleidt warmte goed





x



x





Beschadigt snel



x

x

x

x

x









Opdracht 55



gedesinfecteerd.







Opdracht 56



- Roestvast staal: onderdelen die niet met voedsel in aanraking komen, kun je met rvs olie oppoetsen. RVS messen moet je regelmatig aanzetten



- Blik: goed drogen om roesten te voorkomen



- Gesiliconeerd blik: niet schoonmaken met scherpe voorwerpen



- Kunststof: oppassen voor beschadigen



- Hout: goed laten drogen







Kaderopdracht 4

- Geëmailleerd plaatstaal is ongeschikt omdat: er stukjes af kunnen springen die in het eten terecht kunnen komen.



- Aluminium is ongeschikt omdat: het verkleurt door zuren en geeft smaak- en kleurverandering aan voedsel



- Hout is minder geschikt omdat: hout snel beschadigt waardoor er zich micro-organismen in kunnen ontwikkelen







Opdracht 57



1. bijvoorbeeld. welke grondstoffen zijn er



2. hoe bewaar je grondstoffen



3. welke eigenschappen hebben grondstoffen







Opdracht 58



1. de bestelling klopt



2. de houdbaarheidsdatum niet of bijna is verstreken



3. de verpakking heel en schoon is



4. de grondstof van een etiket voorzien is



5. de temperatuur goed is bij aflevering







Opdracht 59







Grondstof

Magazijn

Koelkast

Diepvries



Melk



x





Bloem

x







Suiker

x







Vlees



x

x



Vis



x

x



Gist



x





Zout

x







Aardappelen

x

















Opdracht 60



- de koelkast: 0-7°C



- de diepvries: -20°C







Opdracht 61



1. first in first out.



2. achter







Opdracht 62



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 63



1. Bij de goede temperatuur bewaren.



2. Goed verpakken.



3. Niet te oud laten worden.



4. Niet bewaren in vuile schalen.



5. Niet door elkaar bewaren.







Opdracht 64

- Koop gave producten en berg ze meteen op de juiste plek op.



- Eet bederfelijke levensmiddelen op voordat de ‘te gebruiken tot’-datum is verstreken.



- Denk eraan dat de houdbaarheidsdatum alleen geldt voor ongeopende verpakkingen.



- Houd de koelkast koel: de temperatuur moet tussen de 4 en 7 graden Celsius zijn.



- Zet producten zoals een pak melk meteen na gebruik terug in de koelkast.







Kaderopdracht 5



1. De slagroom zal snel zuur worden.



2. De houdbaarheid wordt korter.



3. Grondstoffen kunnen dan snel bederven.



4. Dat er grondstoffen te lang in het magazijn blijven staan en daardoor te oud worden.



5. Grondstoffen die in het magazijn staan gebruik je eerst, daarna grondstoffen die net afgeleverd zijn.







Opdracht 65



De juiste volgorde is: 5, 4, 1, 2, 3



Oplossing = JUIST







Opdracht 66



1. droge stoffen



2. vloeistoffen



3. vetstoffen







Opdracht 67









In de weegbak

Op weegpapier

In een litermaat



Bloem

x







Boter of margarine



x





Eieren





x



Melk





x



Zout



x











Opdracht 68



1. hoofdgrondstoffen en hulpgrondstoffen.



2. hoofdgrondstof.



3. hulpgrondstof.







Opdracht 69







Grondstof

Hoofdgrondstof

Hulpgrondstof



Bloem

x





Vanille



x



Eistruif



x



Suiker

x





Margarine

x





Boter

x





Cacaopoeder



x



Zout



x



Karnemelk



x



Citroensap



x



Kaneel



x



Gemengd bakpoeder



x









Opdracht 70







Grondstof

Kleur

Geur

Smaak

Vorm



Zeeuwse bloem

crémekleur

muffig

droog

poeder



W-bloem

blank

muffig

droog

poeder



Patentbloem

wit

muffig

droog

poeder



Deegmargarine

gelig

boterachtig

Vettig

Kneedbaar



Boter

geel

romig

vettig

kneedbaar



Basterdsuiker

wit

Zoetig

zoet

Poeder met klonten



Melissuiker

wit

zoetig

zoet

kristallen



Poedersuiker

wit

zoetig

zoet

Fijn poeder



Vanille

bruin

vanille

Vanille

Leerachtig stokje



Citroensap

geel

citroen

citroenzoet

Kleverig met kristallen



Kaneel

bruin

kaneel

kaneel

Zeer fijn poeder



Gemengd bakpoeder

wit

Niet

smaakloos

poeder



Koolzuur

wit

Niet

smaakloos

poeder









Opdracht 71







Hoofdgrondstoffen

Hulpgrondstoffen



1. bloem

citroenrasp



2. vetstof

melk



3. suiker

kaneel









Opdracht 72



1. Grondstoffen die je zeeft, zijn: bloem, bakpoeder en kruiden



2. Een grondstof die je klontvrij rolt, is: suiker



3. Een grondstof die je eerst aanwerkt, is: vetstof







Opdracht 73



1. geschikt



2. geschikt



3. geschikt



4. ongeschikt



5. ongeschikt







Opdracht 74



koel - op bakkerijtemperatuur - vochtig - droog - licht - donker - gesloten verpakt.







Opdracht 75



1. margarine



2. boter



3. olie



4. vet







Vul de volgende zinnen aan.



1. calorieën



2. glycerol en vetzuren.



3. smeltpunt.



4. plantaardige vetten en dierlijke vetten.



5. extraheren en persen.







Opdracht 76



1. 80%, 15%



2. water



3. smeltpunt



4. harden



5. deeg-, cake- en walsmargarine



6. crèmemargarine.



7. korstmargarine.



8. koel, droog, donker en afgesloten.



9. geur en glazige uiterlijk.







Opdracht 77



1. zuivelproduct.



2. grasboter, hooiboter, Boter concentraat.



3. water



4. grasboter.



5. hooiboter.



6. grasboter.



7. hooiboter.



8. glazig, hard en geel







Opdracht 78



koel - op bakkerijtemperatuur - vochtig - droog - licht - donker – gesloten - verpakt.







Opdracht 79



Ter beoordeling door de docent







Kaderopdracht 6



1. vetten.



2. niet



3. ze goed te bewaren







Opdracht 80



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 81



1. honing en suikerriet



2. suikerbiet.



3. koolzuurassimilatieproces.



4. sacharose.



5. zonlicht.







Opdracht 82







suikersoorten





kristalsuiker

melissuiker





castormelis



basterdsuiker

witte basterd





gele basterd





bruine basterd



poedersuiker

witte poedersuiker





diepvriesbestendige poedersuiker





geprepareerde poedersuiker



garneersuiker

greinsuiker





suikerchips





suikernibs



kandijsuiker

witte kandijsuiker













Opdracht 83



Suiker bewaar je: koel - op bakkerijtemperatuur - vochtig - droog - licht - donker - gesloten verpakt.







Kaderopdracht 7



1. wassen



2. in reepjes snijden



3. verhitten in water - broeien



4. verdampen



5. raffineren



6. verder indampen



7. centrifugeren



8. opslaan







Opdracht 88



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 89



per stuk







Opdracht 90



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 91



1. juist



2. juist



3. onjuist



4. onjuist



5. juist







Opdracht 92



1. Minder kans op fouten.



2. Zonder problemen de juiste hoeveelheden afwegen.



3. Altijd een constant product.



4. Hoeveelheden gemakkelijk aan te passen.







Opdracht 93



vloeiende bestanddelen



bindende bestanddelen.







Opdracht 94



1. uitdrijven



2. plat



3. bloem



4. minder



5. hard /krokant



6. bros







Opdracht 95



Bloem: zeven



Basterdsuiker: klontvrij rollen



Poedersuiker: zeven



Vetstof: aanwerken



Kaneel: zeven over de bloem



Werkende stoffen: zeven over de bloem







Opdracht 96



Aanwerken: soepel maken



Kruimelen: met een soort handenwasbeweging grondstoffen mengen



Homogeen: goed gemengd, er zijn geen afzonderlijke grondstoffen zichtbaar







Opdracht 97



Bloem: boven aan de werkbank



Suiker: in het midden van de werkbank



Eistruif: in de suiker



Werkende stof: zeven over de bloem



Speculaaskruiden: zeven over de bloem



Zout: bij de suiker



Citroenrasp: bij de suiker







Opdracht 98



bloem 2



suiker 1



vetstof 1



smaakstof 1



werkende stof 2



vochtbestanddelen 1







Opdracht 99



Ter beoordeling door de docent







Opdracht 100



Oplossing = BOTER







Opdracht 101



1. koelkast



2. vetstof



3. te stevig om te verwerken.



4. aanwerken.



5. soepel en verwerkbaar.



6. hard



7. zacht en plakkerig.











Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.1



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.2



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.3



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.4



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.5



Leg je antwoorden voor aan je docent.







Werkblad Werkvoorbereiding Banket 1.6



Leg je antwoorden voor aan je docent