Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

basisboek nr's

Aardrijkskunde


Niveau: 2 HAVO VWO

Taal:

Opmerking: Samenvatting basisboek nr. 29,32,33,36,38,39,45,51,56,71,100,101,107
De geo


Bekeken: 4516 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Samenvatting basisboek nr. 29,32,33,36,38,39,45,51,56,71,100,101,107



B29 Soorten klimaten

Er zijn verschillen de soorten klimaten

Poolklimaat: hele jaar koud; neerslag meestal in vorm van sneeuw

Tropisch klimaat: hele jaar warm; veel regen.

Zeeklimaat: zomers nooit echt warm & winters nooit erg koud; hele jaar door valt regen.

Landklimaat: winters streng&zomers behoorlijk warm; regen hele jaar door maar niet veel.

Droog (aride) klimaat: weinig neerslag



B32 Temperatuurfactoren

Er zijn op aarde grote verschillen in temperatuur. In de tropen is het altijd warm, in de poolstreken bijna altijd koud.

De temperatuurverschillen op aarde worden veroorzaakt door een aantal factoren: Temperatuurfactoren. De volgende factoren hebben op de temperatuur:

De breedteligging: hoe hoger de breedte, hoe kouder

De hoogteligging: hoe hoger op een berg, hoe kouder

De land-zeeverdeling op aarde: langzaam of snel warmer?

De wind- en zeestromen: aanvoer van kou of warmte van elders.

De ligging van gebergten: wel of niet beschut?



B33 Breedteligging en temperatuur

Zon geeft niet overal even veel warmte af:

Hoge breedte: koud; Lage breedte: warm; Houdt verband met de zonshoogte.

Tropen: Hoge zonnestand, stralen vallen recht in.

Polen: lage zonnestand, stralen vallen schuin in.



B36 Hoogteligging en temperatuur

Dichter bij de zon, toch kouder.

Zonnestralen verwarmen het aardoppervlak – niet de dampkring.

Dampkring wordt van onderaf verwarmd. Warmtebron: de door de zon opgewarmde aardkorst. Hoe hoger, hoe kouder: 1000m stijgen = 6 kouder



B38 Windrichting en temperatuur

De windrichting heeft veel invloed op de temperatuur.In de Nederlandse winter brengt een noordoosten wind vorst en een zuidwestenwind dooi. ’s Zomers zorgt de oostenwind in Nederland voor warmte en de westenwind voor afkoeling.

Dat de oostenwind in Nederland voor een andere temperatuur zorgt dan de westenwind, heeft te maken met de herkomst van die winden. De oostenwind is afkomstig van het vasteland van Europa, het is een landwind. De westenwind komt van de Atlantische Oceaan, het is een zeewind. Zeewinden noem je aanlandige winden, landwinden noem je aflandige winden. Een aanlandige wind heeft in de zomer een ander effect op de temperatuur dan in de winter.

Bij een aanlandige wind wordt het in de zomer minder warm(verkoeling) en in de winter minder koud(dooi).

Bij een aflandige wind wordt het in de zomer warmer(een hittegolf) en in de winter kouder(vorst).







B39 Zeestromen en temperatuur

Als de wind boven zee langdurig 1 richting waait, dan gaat het zeewater stromen. Er ontstaan zeestromen. Zeestromen kunnen warm zeewater uit de tropen naar de poolstreken voeren. Ze kunnen ook koud poolwater naar warme streken brengen.

Een zeestroom heeft invloed op de temperatuur. Een goed voorbeeld is Hammerfest, een kustplaats boven in Noorwegen op bijna 71NB. Je zou verwachten dat het er ’s winters 30 vriest. Toch is het er maar enkele graden onder 0. De oorzaak van deze ‘hoge’ temperatuur is een warme zeestroom voor de Noorse kust.

Elke zeestroom heeft een naam. Die voor Noorwegen heet de Golfstroom. Hij brengt warm water uit de Golf van Mexico naar de westkust van Europa. Dankzij de Golfstroom en de overheersende westenwind wordt het in West- en Noordwest Europa in de winter nooit erg koud.



B45 Ontstaan van neerslag

Neerslag = regen, hagel of sneeuw. Ontstaan neerslag: door opstijgen van de lucht. Lucht die opstijgt koelt af en kan minder water bevatten.



Waardoor gaat lucht stijgen?

Bij opwarming stijgt de lucht  neerslag(bijv. bij de evenaar)

Dalende lucht  droogte (Gevolg: woestijn)

Bij een gebergte stijgt lucht.

Loefzijde = windzijde; lucht stijgt  neerslag

Lijzijde = uit de wind; lucht daalt  droog, gebied aan de lijzijde ligt in de regenschaduw.



B51 Klimaatsysteem van Köppen

De Duitse klimatoloog Köppen onderscheidt 5 klimaatzones, aangeduid met de hoofdletters A, B, C, D en E. Elke klimaatzonde is gekoppeld aan een bepaalde vorm van plantengroei. Van de evenaar af naar de polen zijn er de volgende zones:

Zone A: tropische vegetatie met als meest kenmerkende boom de kokospalm

Zone B: woestijnvegetatie

Zone C: gebied met loofbomen

Zone D: gebied met naaldbomen

Zone E: gebied met toendra’s of eeuwig ijs.

Vier van die gebieden worden onderscheiden op grond van de temperatuur. A is het warmste klimaat en E het koudste. Het B-klimaat is een zone waar het zo droog is dat er nauwelijks iets wil groeien.









Elk klimaat kan weer onderverdeeld worden. Köppen doet dat dood extra letters toe te voegen. Hieronder zie je wat voorbeelden.

Het B-klimaat is droog. Het wordt, door het toevoegen van een hoofdletter, onderverdeeld in een zeer droog woestijnklimaat BW en een iets minder droog steppeklimaat BS

Aan de klimaten A, C en D worden (kleine) letters toegevoegd. Die zeggen iets over het al of niet voorkomen van een droge tijd. De betekenis van die kleine letters is als volgt:

f = feht(=ontbreekt). Een droge tijd ontbreekt; er valt neerslag in alle maanden.

s = sommer: de droge tijd valt in de zomer

w = winter: de droge tijd valt in de winter

Een Cs-klimaat is dus een gematigd maritiem(=zee) klimaat met een droge zomer. Dat wordt ook wel een Middellandse-Zeeklimaat of een mediterraan klimaat genoemd. Het komt ook in andere gebieden voor dan in het Middellandse-Zeegebied, zoals in Californië.

Eem Aw-klimaat is dus een tropisch klimaat met een droge winter. Dat wordt ook wel het savanne klimaat genoemd.



B56 Reliëf

De aarde is een van de 4 planeten met een stenen korst. De aardkorst is niet glad als een biljartbal maar vertoont reliëf.De definitie van reliëf is: hoogteverschillen in het landschap.

Er zijn ruwweg 4 verschillende reliëfvormen.

Hooggebergte: meeste toppen hoger dan 1500m

Middelgebergte: meeste toppen tussen 500m en 1500m.

Heuvelland: meeste toppen tussen 200m en 500m

Laagland: meeste toppen lager dan 200m

Bij reliëf gaat het om de hoogteverschillen. Door die verschillen zijn er hellingen. Die kunnen dus ook voorkomen in laagland. Alleen zijn de hoogteverschillen daar nooit erg groot.

Een gebied zonder reliëf is een vlakte. Als zo’n vlak gebied lager ligt dan 500m, is het een laagvlakte. Boven 500m heet het een hoogtevlakte of plateau. De hoogvlakte van Tibet, in de Himalaya, ligt maar liefst op 5.000m hoogte.































B71 Natuurlijke zones op aarde

8 natuurlijke zones:

Landijs en drijfijs.

Wáár?  Poolstreken – zomertemperatuur onder de 0C. Kenmerken: op land: landijs – enkele kilometers dik  ijsbergen; op zee: drijfijs – enkele meters dik.

Toendra.

Wáár?  Poolstreken – zomertemperatuur tussen 10C en 0C. Kenmerken: geen bomen, 9 maanden sneeuwdek, permafrost, 3 maanden moerassig met gras, mos, kleine struikjes, veel muggen.

Taiga.

Wáár? Gematigde zone – zomertemperatuur tussen 15C en 10C. Kenmerken: homogeen  naaldbomen; altijd groen.





Loofbos.

Wáár?  Gematigde zone – zomertemperatuur boven 15C. Kenmerken: eiken, beuken; zomergroen.

Tropisch regenwoud.

Wáár?  Tropen – ca. 2000mm neerslag, geen droge tijd. Kenmerken:

Heterogeen bos (warmte, natte omgeving: veel soorten).

Altijd groen (geen winter).

Bladerdak in etages (hoge en lage bomen).

Savanne

Wáár?  Droge gebieden, ca 1200mm neerslag, droge tijd. Kenmerken: hoog tropisch gras met verspreid bomen, in droge tijd: bomen kaal, gras geel, woongebied voor groot wild.



Woestijnsteppe

Wáár?  Droge gebieden, ca 600mm neerslag, 8 maanden droge tijd. Kenmerken: aangepaste grassoorten in pollen, doornige stuiken.

Woestijn

Wáár?  Droge gebieden, minder dan 200mm neerslag, hele jaar droog. Kenmerken: geen of nauwelijks begroeiing, kale bodem van zand, grind of harde rots, bij bronnen of rivieren oasen.



B100 Leeftijdsgrafieken

Een leeftijdsgrafiek is een staafdiagram dat de leeftijdsopbouw van de bevolking laat zien. Het diagram is opgebouwd uit liggende staven. Elke staaf stelt een leeftijdsgroep voor 10jaar. De onderste staaf geeft aan hoeveel inwoners er zijn met een leeftijd tussen 0&10jaar. De volgende geeft aan tussen de 10&20jaar etc.

De staven zijn gesplitst in 2e. Het linker gedeelte geeft aan hoeveel mannen er zijn, het rechter gedeelte hoeveel vrouwen.

Elke staaf stelt dus een aantal mensen voor. Dat aantal kan op 2 manieren: met absolute cijfers en met procenten.

Een grafiek heeft vaak de vorm van een piramide daarom word het ook wel een bevolkingspiramide genoemd.



B101 Vergrijzing en ontgroening

Een belangrijk bevolkingskenmerk is de gemiddelde leeftijd van een bevolking. Als het aandeel van mensen ouder dan 65 jaar toeneemt is er vergrijzing. Vergrijzing gaat vaak samen met ontgroening: de vermindering van het aantal mensen onder de 19jaar.

 Vergrijzing en ontgroening kun je goed zien door een vergelijking in de tijd. Dat doe je door leeftijdsgrafieken uit verschillende perioden met elkaar te vergelijken. Je vergelijkt bijv. de leeftijdsopbouw Nederland in 2000 met de leeftijdsopbouw van Nederland in 1950.



B107 Cultuurgebieden

Indeling van de wereld met als indelingskenmerk: cultuur

Cultuur: alles wat je hebt aangeleerd vanaf je geboorte bijv. taal, manier van eten, kleding

Mondiaal 7 cultuurgebieden. Voorbeeld: westerse wereld.

Indeling in 7 gebieden op mondiale schaal.

Binnen gebieden cultuurverschillen.