Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Proefwerk Natuurkunde

Natuurkunde


Niveau: 3 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 4060 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Pw Natuurkunde



1.4 ( 100 gram = 1 newton )



Als je aan beide zijde van een wip hetzelfde gewicht hebt en het zit op dezelfde lengte, heb je evenwicht.



Het draaipunt is het midden van bijvoorbeeld een wip en links en rechts werken er krachten op de wip.



De afstand tussen de kracht en het draaipunt, heet de arm.



Kracht ´ arm ( linksom ) = kracht ´ arm ( rechtsom ) à en in symbolen:

F ´ d ( linksom ) = F ´ d ( rechtsom )



Soms is je spierkracht te klein om bijvoorbeeld iets open te maken of te tillen. In zo’n geval gebruik je een hefboom.



Bij de meeste hefbomen is er:

© een grote afstand tussen de draaias en de spierkracht

© een kleine afstand tussen de draaias en de hefkracht



Behalve de kracht is de oppervlakte ook belangrijk. Hoe groter de oppervlakte, hoe meer het gewicht ( de kracht ) wordt verdeeld.



De druk reken je uit door : Kracht : oppervlakte te doen.

Of in symbolen: p = F : A



Als er bijvoorbeeld op 2 m2 een kracht van 16000 newton werkt, dan werkt er per m2 een kracht van 8000 newton.



Bij sommige dingen wordt de druk heel klein gemaakt,, denk maar aan een vrachtwagen die bijvoorbeeld door een hele drassige grond moet. Als de druk dan te groot is dan zakt de vrachtwagen de grond in.

Bij andere dingen moet de druk juist groot zijn. Kijk maar naar bijvoorbeeld een mes. Zo kun je goed en scherp snijden.



De druksterkte is de maximale druk die een materiaal kan verdragen.

De treksterkte is om aan te geven wanneer een materiaal breekt als eraan getrokken wordt.



2.1



Op de plaats waar het beeld wordt gevormd, bevindt zich een stukje lichtgevoelige film.

Een foto is een afdruk van een negatief.

Als de sluiter van het fototoestel dicht is, valt er geen licht op de film. Alleen als de ontspan knop wordt ingedrukt, gaat de sluiter open.

Je hebt ook nog het diafragma. Hoe meer die openstaat, des te meer licht er op de lens valt. Dat regelt dus de hoeveelheid licht dat op de lens valt.



Je kunt lenzen in 2 groepen verdelen: positieve en negatieve lenzen.

© Positieve lenzen zijn in het midden dikker dan aan de rand.

© Negatieve lenzen zijn in het midden dunner dan aan de rand.

En:

© Positieve lenzen hebben een convergerende werking.

© Negatieve lenzen hebben een divergerende werking.



Met de afstand – instellingsring kun je de lens naar de film toe of van de film af laten bewegen.