Shoutbox

De shoutbox wordt geladen...

Proefwerk Biologie

Biologie


Niveau: 3 VWO

Taal:

Opmerking:


Bekeken: 6023 keer


Beoordeling


Dit huiswerk delen & naar vrienden sturen




Pw biologie



1.1



In je lichaam zijn organen aan het werk. Organen zijn delen van je lichaam met een bepaalde taak. De meeste organen liggen in je romp. De romp kun je verdelen in je borstholte en je buikholte. Die worden gescheiden door een dik vlies: je middenrif. Een aantal organen samen vormen het organenstelsel. Een paar voorbeelden:



- bloedvatenstelsel: je hart en bloedvaten. Je bloedvaten zorgen ervoor dat voedingstoffen en zuurstof door je lichaam wordt vervoerd.

- Ademhalingsstelsel: o.a je longen. Zorgt ervoor dat je zuurstof uit de lucht opneemt en koolstofdioxide afgeeft.

- Verteringstelsel: o.a dikke/dunne darm, maag. Hier wordt het voedsel zo klein gemaakt dat de voedingstoffen makkelijk in het bloed kan worden opgenomen.

- Uitscheidingsstelsel: je nieren en blaas. Hierdoor raakt je lichaam afvalstoffen kwijt in je urine.



Niet alleen organen maar ook organen werken samen. Je kunt bijvoorbeeld bewegen doordat het beenderenstelsel en je spierstelsel samenwerken.



Door verbranding van energierijke voedingsstoffen komen cellen aan energie. Verbranding vindt in alle cellen plaats. De energie die daar uit ontstaat gebruiken wij o.a voor beweging en op temperatuur blijven. Zolang het bloedvatenstelsel glucose en zuurstof aanvoert en koolstofdioxide en water afvoert, houden de cellen bijvoorbeeld een beweging uit. Glucose gaat via het verteringsstelsel naar het bloed en zuurstof gaat via het ademhalingsstelsel naar het bloed. Koolstofdioxide wordt door het ademhalingsstelsel opgenomen en afgegeven in de lucht. Water wordt vooral door het uitscheidingsstelsel uit het bloed opgenomen en afgevoerd als urine. Onthoud: glucose+zuurstof à energie+ koolstofdioxide+water



1.2

Je voedsel bestaat uit voedingsstoffen. Water, mineralen en vitaminen kunnen zo worden opgenomen in je bloed. Maar eiwitten, koolhydraten en vetten zijn daarvoor te groot. Daarom moet dat zo klein worden ‘geknipt’ zodat het in het bloed kan worden opgenomen. Dat heet verteren. Het verteren gebeurt in het verteringsstelsel. Om die eiwitten, koolhydraten en vetten in kleine stukjes te ‘knippen’ heb je enzymen nodig. Zo’n enzym zit in een verteringssap. Een voorbeeld van zo’n verteringssap is speeksel. Speeksel wordt gemaakt door de cellen in je speekselklieren.

Het voedsel gaat door je slokdarm naar je maag. Door peristaltische bewegingen wordt je eten door je slokdarm naar beneden geduwd. Het voedsel blijft een tijdje in je maag. Cellen in je maagwand maken maagsap aan met daarin enzymen die eiwitten verteren. Weer andere maagwandcellen maken zuur aan, oftewel maagzuur. Maagzuur dood de bacteriën die met het voedsel mee naar binnen zijn gekomen. Na de maag komt het voedsel in de twaalfvingerige darm. Daar komt er alvleessap en gal bij. Gal maakt enzymen aan die vetten verteren. Cellen van de alvleesklier maken alvleessap aan. De enzymen in het alvleessap gaan verder met de vertering van zetmeel, eiwit en beginnen met de vertering van vet. In de dunne darm wordt door de enzymen in het darmsap de vertering voltooid.



De darmwand heeft heel veel plooien. Door de grote oppervlakte van die plooien kunnen er veel voedingsstoffen tegelijkertijd in het bloed worden opgenomen. Door deze grote opnamecapaciteit komen er voldoende voedingsstoffen in je bloed voor alle cellen in je lichaam.



Niet alle voedingsstoffen kunnen kleiner gemaakt worden, zoals voedingsvezels. Die zijn onverteerbaar en blijven achter in de dunne darm. Aan het einde van de dunne darm is het een waterige pap met allerlei onverteerbare stoffen. Dat komt in je dikke darm terecht. Die haalt al het water eruit. Er blijft een dikke massa over: namelijk poep. Dat wordt in je endeldarm opgeslagen en als die endeldarm vol is voel je dat je moet poepen.



1.3



Je haalt op 2 manieren adem: met je borst en je buik.

1. borstademhaling: als je inademt trek je, je ribben en je borstbeen omhoog en naar voren. Je longen zitten daaraan vast dus die worden groter. Als je uitademt gebeurt precies het tegenovergestelde. Je ribben en je borstbeen ontspannen zich en zakken naar beneden en naar achteren.

2. buikademhaling: als je inademt word je middenrif platter. Als je uitademt word je middenrif boller.



Als je inademt komt de lucht door je neus of je mond in je luchtpijp. De luchtpijp split zich in twee luchtpijptakken ( of bronchiën ) naar elke long één.

In de longen vertakken de bronchiën zich in tot steeds kleinere kanaaltjes: de luchtpijptakjes. Aan het eind daarvan zitten longblaasjes. Die kunnen snel beschadigen omdat ze zo klein zijn dus daarom moet de lucht schoon zijn. Dat gebeurt in de neusholte maar ook in de luchtpijp. Veel stof blijft daar aan het slijmvlies plakken. Dat slijmvlies bestaat uit twee soorten cellen: de slijmcellen en trilhaarcellen. Als de lucht naar de longblaasje gestroomd, gaat de zuurstof in het bloed en het koolstofdioxide gaat het bloed uit. Dat heet gaswisseling.